AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling poging zware mishandeling met contactverbod en gedeeltelijke schadevergoeding
De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte vrijgesproken van poging tot moord en poging tot doodslag wegens onvoldoende bewijs van voorbedachte raad en opzet op de dood van het slachtoffer. Wel is bewezen verklaard dat verdachte op 1 december 2025 te 's-Hertogenbosch met een scherp voorwerp het slachtoffer in het gezicht heeft gestoken, wat kwalificeert als poging tot zware mishandeling.
De rechtbank heeft het bewijs gebaseerd op verklaringen van verdachte, het slachtoffer en getuigen, alsmede medische informatie over het letsel. Er was onvoldoende bewijs dat het letsel levensbedreigend was of dat sprake was van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 SrPro. De rechtbank heeft de straf bepaald op 8 maanden gevangenisstraf, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, inclusief een contactverbod met het slachtoffer.
De benadeelde partij vorderde materiële en immateriële schadevergoeding. De rechtbank wees de materiële schadevordering af wegens onvoldoende bewijs van causaliteit, maar kende de immateriële schadevergoeding toe van €2.500, vermeerderd met wettelijke rente. Tevens werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd met mogelijkheid tot gijzeling bij niet-betaling.
De rechtbank hield rekening met de jonge leeftijd van verdachte, zijn blanco strafblad en het reclasseringsadvies, en vond toepassing van het volwassenenstrafrecht passend. De straf is aanzienlijk lager dan de eis van de officier van justitie, vanwege de andere bewezenverklaring en omstandigheden van het geval.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf waarvan 4 maanden voorwaardelijk en contactverbod, met gedeeltelijke toewijzing van immateriële schadevergoeding van €2.500.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.326703.25
Datum uitspraak: 25 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [2007] ,
thans gedetineerd te: [vestigingsplaats]
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 februari 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1 primair:
hij op of omstreeks 1 december 2025 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, meermaals, althans eenmaal, (met kracht) met een mes, althans een puntig voorwerp, in het gezicht, althans het hoofd van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
T.a.v. feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 1 december 2025 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, meermaals, althans eenmaal, (met kracht) met een mes, althans een puntig voorwerp, in het gezicht, althans het hoofd van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
T.a.v. feit 1 meer subsidiair:
hij op of omstreeks 1 december 2025 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland,
aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door meermaals, althans eenmaal, (met kracht) met een mes, althans een puntig voorwerp, in het gezicht, althans het hoofd van voornoemde [slachtoffer] te steken en/of snijden;
T.a.v. feit 1 meest subsidiair:
hij op of omstreeks 1 december 2025 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermaals, althans eenmaal, (met kracht) met een mes, althans een puntig voorwerp, in het gezicht, althans het hoofd van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen te verklaren. Voor het primair ten laste gelegde heeft hij vrijspraak gevorderd, nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat sprake is geweest van voorbedachte raad.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde. Ten aanzien van het meest subsidiair ten laste gelegde heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank acht op basis van de hierna te noemen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte de persoon is geweest die aangever [slachtoffer] meermaals met een scherp/puntig voorwerp heeft gestoken/geslagen/gesneden (‘hamerslag’) in het gezicht met zijn rechterhand. Verdachte heeft ter terechtzitting van 13 maart 2026 verklaard dat hij met een glasscherf van ongeveer twee centimeter aangever [slachtoffer] op zijn gezicht heeft geslagen. De verdachte heeft verklaard dat die glasscherf op het moment van het slaan met zijn rechterhand uit zijn gebalde vuist stak. De verklaring van verdachte dat hij dit heeft gedaan omdat aangever [slachtoffer] een boksbeugel in zijn hand zou hebben gehad wordt door de rechtbank terzijde gesteld, nu het dossier geen aanknopingspunten bevat voor deze stelling. Verder kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat verdachte een mes heeft gebruikt. Zo verklaart enkel aangever hierover bij zijn aangifte, maar weet hij dit niet meer zeker tijdens zijn aanvullende verhoor. Ook de getuigen hebben geen mes gezien en het blijkt ook niet uit de beschreven camerabeelden. Dat wel sprake is geweest van een scherp/puntig voorwerp waarmee de verdachte de aangever heeft geraakt, blijkt uit voormelde verklaring van de verdachte en het letsel van aangever.
De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.
Poging tot moord / doodslag?
Met de officier van justitie en de raadsvrouw van verdachte is de rechtbank van oordeel dat verdachte vrijgesproken moet worden van de poging tot moord nu niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van voorbedachte raad.
(Voorwaardelijk) opzet op de dood van aangever?Op basis van het dossier is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende naar voren gekomen dat verdachte opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, om aangever [slachtoffer] van het leven te beroven. Hoewel op basis van de bewijsmiddelen bewezen kan worden verklaard dat verdachte aangever [slachtoffer] met een scherp voorwerp in zijn gezicht heeft geslagen/gesneden/gestoken, bevat het dossier onvoldoende bewijs om vast te kunnen stellen dat door bovengenoemd handelen naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans bestond op de dood van aangever.
Uit de medische informatie blijkt dat bij aangever [slachtoffer] sprake was van een snijwond ter hoogte van de slaap links en op de wang links. Uit deze informatie kan niet worden afgeleid of dit letsel in potentie dodelijk kan zijn. Er wordt slechts vermeld dat de wond ongeveer vier centimeter lang, een halve centimeter breed en ongeveer één centimeter diep was, er zeven hechtingen zijn gezet en dat deze over vijf dagen verwijderd mochten worden. Er is verder ook niets bekend omtrent (de aard en grootte van) het scherpe/puntige voorwerp waarmee verdachte heeft gestoken, omdat het voorwerp niet is aangetroffen. Tot slot is niet vast te stellen hoe groot de kans is dat verdachte met het puntige/scherpe voorwerp vitale organen zoals een (hals)slagader geraakt zou kunnen hebben.
De bewijsmiddelen verschaffen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende helderheid om vast te stellen dat door het steken/slaan met het scherpe/puntige voorwerp sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood. Verdachte dient dan ook van de poging tot doodslag (impliciet primair en subsidiair ten laste gelegd) te worden vrijgesproken.
Zware mishandeling?
De rechtbank is van oordeel dat het door verdachte toegebrachte letsel niet zonder meer kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 vanPro het Wetboek van Strafrecht. Blijvende littekens kunnen volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad onder omstandigheden worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel, maar daarvan is op dit moment nog niet gebleken. Hoewel het verzoek tot schadevergoeding een foto van aangever bevat waarbij is aangegeven dat sprake is van een litteken, dateert deze foto van ongeveer twee maanden na het tenlastegelegde. Medische informatie op basis waarvan zou kunnen worden beoordeeld in hoeverre sprake is van een blijvend litteken en wat de (on)mogelijkheden zijn om in de toekomst de zichtbaarheid hiervan te beperken, is niet voorhanden, zodat niet zonder meer kan worden vastgesteld of sprake is van een blijvend, ontsierend litteken. Om deze reden kan de rechtbank niet vaststellen dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel en zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het meer subsidiair tenlastegelegde feit.
Poging tot zware mishandeling?
De rechtbank acht de meest subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen. Omdat verdachte het meest subsidiair ten laste gelegde feit heeft bekend en de raadsvrouw geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] d.d. 1 december 2025, dossierpagina’s 12-30;
het proces-verbaal aanvullend verhoor aangever [slachtoffer] , opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] d.d. 12 december 2025, dossierpagina’s 31-35;
De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 maart 2026.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven opgesomde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
Ten aanzien van het meest subsidiair ten laste gelegde:
omstreeks 1 december 2025 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermaals, met kracht met een puntig voorwerp, in het gezicht, van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd om voor de door hem bewezen geachte poging tot doodslag aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek als bedoeld in artikel 27 vanPro het Wetboek van Strafrecht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met daaraan gekoppeld een contactverbod met aangever [slachtoffer] als bijzondere voorwaarde.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw van verdachte heeft gevraagd bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat dit incident niet uit de lucht is komen vallen. Er speelde het nodige tussen verdachte en aangever [slachtoffer] waar verdachte in eerste instantie niet om heeft gevraagd. Verder heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte een jonge jongen is met een blanco strafblad en dat hij voor zijn detentie een stabiel leven had. De raadsvrouw heeft betoogd dat een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest passend is.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van aangever [slachtoffer] door met een scherp voorwerp in zijn gezicht te steken. Weliswaar is uit het dossier gebleken dat er op een eerder moment een conflict is geweest tussen aangever en verdachte, waarbij verdachte fors mishandeld is, maar de onderhavige gewapende confrontatie maanden later heeft verdachte zelf opgezocht. Aangever had door het handelen van verdachte ernstiger gewond kunnen raken. Hij heeft door toedoen van verdachte een forse snijwond in zijn gezicht opgelopen. Het is niet aan de verdachte te danken dat aangever ‘slechts’ een snijwond heeft opgelopen. De gedragingen van de verdachte hadden ook tot ernstiger letsel kunnen leiden. Daarbij komt dat het feit heeft plaatsgevonden op de openbare weg, waardoor meerdere personen getuige zijn geweest van het op aangever uitgeoefende geweld. Niet alleen voor aangever, maar ook voor de getuigen moet dit een zeer beangstigende situatie zijn geweest. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Persoonlijke omstandigheden.
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Het strafblad van verdachte heeft daarom geen strafverzwarende invloed.
Verder heeft de rechtbank het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 19 februari 2026 gezien. Hieruit blijkt het volgende:
“Wij hebben niet kunnen vaststellen of er sprake is van problemen op het gebied van onder andere impulsiviteit, agressie en probleemoplossend vermogen. Er zou al langer een conflict bestaan tussen betrokkene en aangever en de heer [verdachte] verklaart daarbij eerder het slachtoffer te zijn geweest van zware mishandeling, gepleegd door aangever in onderhavige zaak.
Derhalve zou het opleggen van een contactverbod met politieopvolging een passende maatregel kunnen zijn, indien betrokkene schuldig wordt bevonden. Een hulpvraag heeft betrokkene niet. Daar komt bij dat de taalbarrière maakt dat een hulpverleningstraject in strafrechtelijk kader als niet haalbaar wordt geacht. Wij hebben tevens getracht om antwoord te geven op de vraag of toepassing van het Jeugdstrafrecht aan de orde zou moeten zijn, gezien de leeftijd van betrokkene. Dit is moeilijk vast te stellen, omdateen gesprek met tussenkomst van een telefonische tolk minder diepgang kent dan een direct gesprek. Ondanks dat er enige informatie ontbreekt (met name op het gebied van een mogelijke verstandelijke beperking, impulsiviteit en beïnvloedbaarheid), wijst het ASR wegingskader op de meeste punten uit dat het volwassenenstrafrecht aan de orde zou moeten zijn. Dit is vastgesteld op basis van de punten: in staat om eigen gedrag te organiseren, vertoont geen kinderlijker gedrag dan de eigen leeftijd, er is geen sprake van schoolgang die gecontinueerd dient te worden, er is geen groepsgericht leefklimaat nodig, er is geen interventie nodig die alleen in het Jeugdstrafrecht mogelijk is.
Bij een veroordeling adviseren wij een straf zonder bijzondere voorwaarden. Wij zien geenmogelijkheden om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen.”
De op te leggen straf.
De rechtbank ziet op basis van het reclasseringsadvies geen aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen. Wel ziet de rechtbank aanleiding om rekening te houden met de jonge leeftijd van verdachte. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat verdachte uiteindelijk grotendeels openheid van zaken heeft gegeven.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek als bedoeld in artikel 27 vanPro het Wetboek van Strafrecht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend is. De rechtbank zal deze straf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zal als bijzondere voorwaarde een contactverbod met aangever [slachtoffer] worden gekoppeld om te voorkomen dat er nog incidenten zullen plaatsvinden tussen aangever en verdachte.
De rechtbank zal een aanzienlijk lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring is gekomen dan door de officier van justitie is gevorderd.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .
De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 5.130,00 bestaande uit € 130,00 materiële schade en € 5.000,00 immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe te wijzen tot een bedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw van verdachte heeft zich ten aanzien van de materiële schade op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, nu uit het dossier niet blijkt dat de telefoon door het incident beschadigd is geraakt. De immateriële schade dient volgens de raadsvrouw te worden gematigd omdat niet kan worden gesproken van een blijvend litteken. Verder is ook sprake van eigen schuld. Een immateriële schadevergoeding van niet meer dan € 1.000,00 is op zijn plaats.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de gevorderde materiële schade. Van dit gedeelte van de vordering is niet vast te stellen of deze schade rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit is toegebracht. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering in zoverre zou een nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering dan ook slechts nog bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank is ten aanzien van de gevorderde immateriële schade van oordeel dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde. De rechtbank is van oordeel dat aan de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek, vanwege het ontstane letsel, een vergoeding wegens geleden immateriële schade toekomt. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade, rekening houdend met in de rechtspraak in soortgelijke gevallen toegekende bedragen aan smartengeld en met de Rotterdamse schaal (onder punt 9.2 d en e), naar billijkheid gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 2.500,00. Het overige gedeelte van de vordering wordt niet-ontvankelijk verklaard.
Anders dan de raadsvrouw van de verdachte heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat er aan de kant van aangever geen sprake is van ‘eigen schuld’ als bedoeld in art. 6:101 BWPro. Het feit dat er een eerder conflict is geweest, waarbij verdachte het slachtoffer was, is hiervoor niet redengevend. Er zijn geen andere omstandigheden gebleken die wel tot dat oordeel zouden moeten leiden.
De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, de vordering gedeeltelijk toewijsbaar tot een bedrag van € 2.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2025 tot de dag der algehele voldoening.
Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2025 tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 302 van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
Spreekt verdachte vrij van hetgeen primair, subsidiair en meer subsidiair is ten laste gelegd.
Verklaart het meest subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
Ten aanzien van het meest subsidiair ten laste gelegde:
poging tot zware mishandeling.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straf en maatregel:
Ten aanzien van het meest subsidiair ten laste gelegde:
Een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 vanPro het Wetboek van Strafrecht waarvan 4 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
En stelt als bijzondere voorwaarde:
Contactverbod:
Dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met het slachtoffer [slachtoffer] , geboortedatum [2009] .
Heft ophet tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van de datum waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde vrijheidsstraf.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 2.500,00 bestaande uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
Maatregel van Schadevergoeding:
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van € 2.500,00. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 25 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.J.W. Hermans, voorzitter,
mr. E.C.L. Pechaczek en mr. S. van den Akker, leden,
in tegenwoordigheid van mr. M.M.A. Akkers, griffier,
en is uitgesproken op 25 maart 2026.
Voetnoten
1.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Oost-Brabant, genummerd PL2100-2025271604, gesloten op 9 januari 2026, aantal doorgenummerde pagina’s 1-174.