ECLI:NL:RBOBR:2026:1944

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
01/318588/23
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 Wetboek van StrafrechtArt. 33a Wetboek van StrafrechtArt. 36b Wetboek van StrafrechtArt. 36c Wetboek van StrafrechtArt. 36d Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bezit harddrugs, overtreding Geneesmiddelenwet en witwassen

Op 28 februari 2024 werd bij verdachte in Eindhoven een grote hoeveelheid harddrugs aangetroffen, te weten ongeveer 1873 gram materiaal bevattende MDMA en 1209 gram 2C-B, alsmede circa 1028 gram ketamine zonder vergunning. Tevens werd ruim €60.000,- contant geld in beslag genomen waarvan verdachte werd verdacht dat dit afkomstig was uit criminele activiteiten.

De verdediging voerde aan dat de hoeveelheid MDMA lager was dan ten laste gelegd en dat het geld een legale herkomst had, onder meer door een geldlening en handel in parfum. De rechtbank verwierp deze verweren na uitgebreid bewijsonderzoek, waaronder NFI-rapporten en getuigenverklaringen, en concludeerde dat het geld vrijwel zeker uit misdrijf afkomstig was.

De rechtbank stelde vast dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan het voorhanden hebben van harddrugs, overtreding van de Geneesmiddelenwet en witwassen. Gelet op de ernst van de feiten, eerdere veroordelingen en het lucratieve karakter van de handel, werd een gevangenisstraf van 20 maanden opgelegd met aftrek van voorarrest. Daarnaast werden de inbeslaggenomen drugs en geldbedragen verbeurd verklaard en onttrokken aan het verkeer. Drie telefoons werden teruggegeven omdat deze geen directe relatie met de strafbare feiten hadden.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 20 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest voor bezit van harddrugs, overtreding Geneesmiddelenwet en witwassen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.318588.23
Datum uitspraak: 25 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1989] ,
wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 juni 2024, 20 augustus 2024 en 12 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 1 mei 2024.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1:
hij op of omstreeks 28 februari 2024 te Eindhoven
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad (in de woning [adres 2] ),
ongeveer 1873 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal
bevattende MDMA, en/of ongeveer 1209 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende 2C-B, zijnde MDMA en 2C-B (een) middel(len) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
T.a.v. feit 2:
hij op of omstreeks 28 februari 2024 te Eindhoven (in de woning [adres 2] ) tezamen en in vereniging met een ander(en), althans alleen, opzettelijk zonder registratie, een hoeveelheid van ongeveer 1028 gram ketamine HCI, zijnde een werkzame stof als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder x.1 van de Geneesmiddelenwet, in voorraad heeft gehad;
T.a.v. feit 3:
hij op of omstreeks 28 februari 2024, te Eindhoven
(van) een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld tot een totaalbedrag van € 60.540,- (of daaromtrent),
Sub a
- de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat voorwerp was/waren, en/of heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat voorwerp voorhanden had(den),
en/of
Sub b
- heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, en/of van dat voorwerp gebruik heeft gemaakt

terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd alle feiten wettig en overtuigend bewezen te verklaren.
Het standpunt van de verdediging.
T.a.v. feit 1:
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft een bewezenverklaring van een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en 1209 gram 2-CB. De raadsman heeft aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte opzettelijk 1873 gram MDMA aanwezig heeft gehad. De verdediging wijst daarbij naar het onderzoek van het NFI waaruit volgt dat het monster met het kenmerk [naam 1] , dat genomen is uit een hoeveelheid roze poeder van 1032,3 gram, voor 17,2 procent uit MDMA bestond en voor 55 procent uit ketamine. Voor het monster met kenmerk [naam 2] , dat genomen is uit een hoeveelheid roze poeder van 840,7 gram, geldt dat dit voor 17,8 procent uit MDMA bestond en voor 53 procent uit ketamine. Voor de bewezenverklaring dient de rechtbank daarom niet uit te gaan van 1873 gram MDMA maar van 18 procent van deze hoeveelheid, wat neerkomt op 337 gram.
T.a.v. feit 2:
De raadsman heeft zich voor wat betreft een bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte heeft dit feit bekend.
T.a.v. feit 3:
De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van witwassen op grond van het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. De raadsman heeft aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat het niet anders kan zijn dan dat het aangetroffen geldbedrag van misdrijf afkomstig is. Verdachte heeft verklaard dat hij het grootste deel van het aangetroffen geldbedrag heeft geleend van een vriend om daarmee (legale) zaken te doen en dat een deel van het geldbedrag inkomsten betreffen van de handel in parfum.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank is van oordeel dat alle feiten wettig en overtuigend bewezen zijn.
De rechtbank heeft omwille van de leesbaarheid van dit vonnis de bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 en 3 in een bewijsbijlage bij dit vonnis gevoegd. De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben. De rechtbank zal onder het kopje ‘
bewijsoverwegingen’ de door de raadsman gevoerde verweren bespreken.
De rechtbank volstaat ten aanzien van feit 2, gelet op artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering met de volgende opgave van bewijsmiddelen, aangezien verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en er geen vrijspraak is bepleit:
  • proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] d.d. 29 februari 2024, dossierpagina 146-147;
  • proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] d.d. 28 februari 2024, dossierpagina 148-149;
  • rapport van het NFI opgemaakt door ing. [verbalisant 3] d.d. 22 maart 2024, los opgenomen;
  • een geschrift, te weten een productbeoordeling 24-074 met bijlagen, opgemaakt door drs. B. van den Hurk (senior inspecteur met aandachtsgebied statusbepaling bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd) d.d. 11 april 2024, los opgenomen, pagina 1 en 2 en bijlage 1;
  • een geschrift, te weten een bevoegdheidsbeoordeling 24-074, opgemaakt door N.A. Buiskool (inspecteur/medewerker infodesk bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd) d.d. 11 april 2024, los opgenomen, pagina 1 en 2;
  • verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 6 juni 2024, pagina 2.
Bewijsoverwegingen
T.a.v. feit 1:
De rechtbank overweegt over de hoeveelheid MDMA dat de 1873 gram roze poeder die bij verdachte in zijn woning is aangetroffen, ten laste is gelegd als een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA. Dat, zoals blijkt uit het rapport van het NFI, d.d. 30 januari 2026, het poeder voor een deel uit MDMA bestaat en voor een groter deel uit andere stoffen, waaronder ketamine, staat een bewezenverklaring van de tenlastegelegde hoeveelheid niet in de weg. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging.
T.a.v. feit 3:
Op 28 februari 2024 is onder verdachte een geldbedrag van € 60.520,- in beslag genomen. Over de herkomst van dit geldbedrag heeft verdachte in zijn verhoor van 28 februari 2024 niets willen verklaren. Op de vraag naar de soort zaken die hij doet met [betrokkene] gaf hij geen antwoord. Nadien heeft verdachte ook bij de rechter-commissaris op 1 maart 2024 en in raadkamer op 13 maart 2024 niet willen verklaren. Vervolgens is verdachte op eigen verzoek op 10 april 2024 opnieuw door de politie gehoord. Daar heeft hij aangegeven dat het aangetroffen geld een legale herkomst heeft en daartoe verwezen naar – kort weergegeven – een geldlening die hij heeft lopen bij [betrokkene] , die hij kenschetst als vriend. Verder heeft de raadsman van verdachte bij mail van 24 november 2024 een op naam van [naam 3] gestelde inkoopverklaring overgelegd, gedateerd 9 januari 2024, waaruit zou kunnen volgen dat verdachte op laatstgenoemde datum een contant bedrag van € 5.350,- heeft ontvangen. Dit bedrag zou deel uitmaken van het totale onder verdachte inbeslaggenomen geldbedrag. Bij dit alles heeft verdachte aangegeven dat hij niet (meer) over de boekhouding van zijn handelsonderneming kon beschikken. In eerste instantie niet, omdat hij was gedetineerd. Na zijn schorsing uit voorlopige hechtenis kon dat niet, omdat ten gevolge van de ontruiming van het door hem gehuurde pand zijn inboedel was verspreid over drie plaatsen en de (schriftelijke) boekhouding niet meer was te vinden. Bovendien kon hij zijn laptop, waarop zich ook administratieve bescheiden bevonden, niet meer raadplegen, omdat hij, nadat de laptop was teruggegeven door de politie, niet meer bij die bestanden kon. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte aldus, weliswaar niet meteen maar in etappes, een concrete verklaring gegeven voor het aangetroffen geld die niet bij voorbaat onaannemelijk is en die zich – tenminste deels – leent voor verificatie.
De rechtbank bespreekt allereerst de gestelde geldlening van [betrokkene] van een bedrag van
€ 48.000,-. [betrokkene] is door de rechter-commissaris gehoord en heeft toen het bestaan van de geldlening bevestigd en een kopie van die schriftelijke overeenkomst overgelegd. De rechtbank merkt allereerst op dat zij nimmer een origineel of gewaarmerkte kopie van de overeenkomst onder ogen heeft gehad. Verder bevreemdt het de rechtbank dat in artikel 1 van Pro de overeenkomst geen datum is vermeld per wanneer verdachte het geleende geld aan [betrokkene] verschuldigd zou zijn, dat boeteclausules geheel ontbreken en niets is bepaald over de wijze waarop de hoofdsom betaald en terugbetaald moet worden. Ook ontbreken afspraken over de wijze van betaling van de 5% rente. Wat de rechtbank verder bevreemdt is de manier waarop het geldbedrag overgedragen zou zijn, te weten in twee keer en wel doormiddel van contante betaling op een openbare plaats. Volgens de verklaring van verdachte heeft hij het ontvangen geld in eerste instantie ondergebracht bij een vriend van hem en daarna pas bij hem thuis neergelegd, maar de naam van die vriend wil hij niet noemen. Dit alles overziend is de rechtbank van oordeel dat de gestelde schriftelijke overeenkomst en de daarover door verdachte en [betrokkene] gestelde gang van zaken veel niet beantwoorde vragen oproept en constateert zij ook dat de geldstroom die het gevolg van de overeenkomst zou moeten zijn, feitelijk niet zichtbaar is. In dat licht bezien behoeft de vraag of aannemelijk is dat [betrokkene] over een dergelijk groot contant geldbedrag kon beschikken geen nadere bespreking.
Verdachte stelt verder dat hij het geleende geld van [betrokkene] na ontvangst ook weer deels heeft geïnvesteerd, daarmee winst heeft behaald en dat die winst in contanten ook weer deel uitmaakt van het aangetroffen geldbedrag. Concreet stelt hij – met [betrokkene] als tussenpersoon – in Duitsland pallets met schoonmaakartikelen gekocht te hebben en die weer met winst verkocht te hebben aan iemand in Limburg. De verkoper van de pallets in Duitsland wordt door verdachte in zijn verklaring van 10 april 2024 aangeduid als (vermoedelijk) [naam 4] , een relatie van [betrokkene] , en van de uiteindelijke koper in Landgraaf wil hij de naam niet noemen. Ten aanzien van dit aspect is dus een verdere verificatie van de verklaring van verdachte niet mogelijk. Als [betrokkene] bij de rechter-commissaris wordt bevraagd over zijn voor verdachte verrichte aankopen/verkopen noemt hij de naam [naam 5] als de persoon bij wie hij goederen kocht, verklaart hij overwegend in algemeenheden en blijkt hij als vriend van verdachte wel heel erg weinig te weten van diens zakelijke activiteiten.
Wat betreft de gestelde verkoop van de parfum overweegt de rechtbank als volgt. De politie heeft onderzoek gedaan naar [naam 3] . De toenmalige eigenaar [getuige] van dat bedrijf verklaart desgevraagd als getuige dat hij verdachte niet kent, de door verdachte overgelegde inkoopverklaring niet van hem afkomstig is en in zijn bedrijfsvoering geen contante betalingen werden verricht. Verder blijkt het adres vermeld op de inkoopverklaring niet juist te zijn. De stukken die de dag voor de zitting nog door de raadsman van verdachte zijn overgelegd en op grond waarvan de persoon van de getuige door verdachte in een kwaad daglicht wordt gesteld, maken die bevindingen van de politie naar het oordeel van de rechtbank niet anders en maken evenmin dat de politie nog verder onderzoek naar de administratie van de getuige had moeten doen.
Onverminderd het voorstaande overweegt de rechtbank wat betreft (de afwezigheid van) de administratie van verdachte nog als volgt. Verdachte heeft aannemelijk gemaakt dat het gedwongen vertrek van hem en zijn vriendin uit de door hem gehuurde woning chaotisch is verlopen. Daaruit volgt echter geenszins automatisch dat daardoor de administratie geheel of grotendeels onvindbaar zou zijn. Ten aanzien van de inbeslaggenomen laptop met daarop volgens verdachte (delen van) de administratie heeft de politie te kennen gegeven dat die laptop niet voor onderzoek bij de digitale recherche is aangeboden. De rechtbank heeft geen reden daaraan te twijfelen en daarom valt niet in te zien waarom verdachte na teruggave van de laptop ineens niet meer bij die administratie zou kunnen.
De rechtbank concludeert dat het nadere onderzoek door de politie, voor zover mogelijk en redelijkerwijs aangewezen, geenszins leidt tot een geloofwaardige bevestiging van de door verdachte gestelde legale herkomst van het aangetroffen geldbedrag of tot een begin van aannemelijkheid daarvan. Als de rechtbank verder bij haar beoordeling betrekt dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte sinds 2018 nauwelijks officieel inkomen heeft genoten, kan het niet anders zijn dan dat het bij verdachte aangetroffen geld - onmiddellijk of middellijk - uit enig misdrijf afkomstig is. Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
T.a.v. feit 1:
op 28 februari 2024 te Eindhoven opzettelijk aanwezig heeft gehad (in de woning [adres 2] ) ongeveer 1873 gram van een materiaal bevattende MDMA en ongeveer 1209 gram van een materiaal bevattende 2C-B, zijnde MDMA en 2C-B middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
T.a.v. feit 2:
op 28 februari 2024 te Eindhoven (in de woning [adres 2] ) opzettelijk zonder registratie een hoeveelheid van ongeveer 1028 gram ketamine HCI, zijnde een werkzame stof als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder x.1 van de Geneesmiddelenwet, in voorraad heeft gehad;
T.a.v. feit 3:
op 28 februari 2024 te Eindhoven een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld tot een totaalbedrag van € 60.540,- of daaromtrent, voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 40 maanden met aftrek van voorarrest.
De officier van justitie heeft gevorderd de inbeslaggenomen verdovende middelen en de telefoons te onttrekken aan het verkeer en de inbeslaggenomen geldbedragen verbeurd te verklaren.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft verzocht het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen straf de duur van het voorarrest niet te laten overstijgen en eventueel daarnaast een voorwaardelijke straf op leggen.
De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de opmerkingen die hij in het kader van het bewijs heeft gemaakt ten aanzien van de hoeveelheid MDMA. De raadsman heeft verder verzocht rekening te houden met het tijdsverloop in deze zaak en de omstandigheden dat verdachte geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd, dat hij een studie criminologie volgt en dat hij een operatie aan zijn been moet ondergaan waarna hij moet revalideren.
De raadsman heeft verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen bij gebrek aan gronden.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van ruim 3 kilo harddrugs, alsmede ruim 1 kilo ketamine. Hiermee heeft verdachte bijgedragen aan de handel in synthetische drugs die, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren. De productie van en handel in synthetische drugs gaat bovendien (steeds meer) gepaard met andere (zware) vormen van criminaliteit zoals bedreigingen en levensdelicten. Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van ruim € 60.000,-. Met zijn handelen heeft verdachte een essentiële bijdrage geleverd aan de georganiseerde criminaliteit en daarmee de ondermijning van de maatschappij. Verdachte heeft zich van deze belangen niets aangetrokken en gehandeld uit puur winstbejag.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Bij de berechting van een zaak heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. Als beginpunt van de in artikel 6 EVRM Pro bedoelde termijn geldt het moment waarop vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat tegen haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De rechtbank stelt in dit geval als begindatum vast de datum van inverzekeringstelling van verdachte, te weten 28 februari 2024. Tussen die datum en de datum van het eindvonnis (25 maart 2026) ligt een periode van 2 jaar en 1 maand. Er is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met 1 maand. Naar het oordeel van de rechtbank is deze vertraging zo gering dat deze vertraging niet wordt meegewogen in de strafoplegging en dat kan worden volstaan met de enkele constatering daarvan.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
Het oriëntatiepunt voor het voorhanden hebben van een hoeveelheid harddrugs van 2000 tot 3000 gram is een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden. Bij een hoeveelheid van 3000 tot 4000 gram is dat een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Verdachte heeft een hoeveelheid harddrugs van 3082 gram voorhanden gehad. Daarnaast heeft hij een hoeveelheid ketamine voorhanden gehad. De rechtbank zal uitgaan van 12 maanden.
De rechtbank heeft ten aanzien van het witwassen aangesloten bij de oriëntatiepunten voor fraude. Bij een benadelingsbedrag van € 10.000,- tot € 70.000,- is het oriëntatiepunt 2 tot 5 maanden gevangenisstraf. Verdachte heeft een geldbedrag van ruim € 60.000,- witgewassen. Dit is aan de bovenkant van de schaal, zodat de rechtbank uitgaat van 5 maanden.
De rechtbank houdt bij de strafoplegging in strafverzwarende zin rekening met de omstandigheid dat verdachte geen enkel inzicht heeft getoond in de strafwaardigheid van zijn handelen. Integendeel, verdachte heeft ten aanzien van het witwassen een onjuiste voorstelling van zaken gegeven middels ingebrachte stukken en afstemming met een getuige.
De rechtbank houdt in strafverzwarende zin ook rekening met de omstandigheid dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten werd veroordeeld, te weten laatstelijk in 2021, 2020 en 2019. Hoewel inmiddels redelijk lang geleden kleuren deze eerdere feiten de thans bewezen verklaarde handelingen in die zin dat verdachte het criminele pad blijkbaar niet heeft verlaten of daarop is teruggekeerd.
De raadsman heeft verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest. De rechtbank is van oordeel dat dit een te geringe straf is, gelet op de oriëntatiepunten en geen recht doet aan de ernst van het bewezen verklaarde. Hoewel de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van verdachte in acht heeft genomen, rechtvaardigen de ernst van de feiten en het signaal naar de maatschappij dat van de straf moet uitgaan, alsmede de strafverzwarende omstandigheden, geen andere straf dan een gevangenisstraf van een behoorlijke duur en zal verdachte terug moeten naar de gevangenis. De rechtbank zal gelet op de oriëntatiepunten wel een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zal daarop in mindering worden gebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte af. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ruim 3 kilo harddrugs en ruim 1 kilo ketamine voorhanden heeft gehad en dat hij een geldbedrag van ruim € 60.000,- heeft witgewassen. De aard en de ernst van de feiten en het lucratieve karakter daarvan doen ernstig vrezen voor herhaling. Bovendien is verdachte eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw dergelijke strafbare feiten te plegen.

Beslag.

Op de beslaglijst staan een 23-tal inbeslaggenomen voorwerpen.
De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een 6-tal geldbedragen, vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn met betrekking tot welke feit 3 is begaan en deze voorwerpen ten tijde van het begaan van de feiten aan verdachte toebehoorden.
De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een 11-tal verdovende middelen, een zak (sealbags) en een destilleerkolf, vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn met betrekking tot welke de feiten zijn begaan, dan wel kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten en van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen, te weten 3 telefoons en een portemonnee aan verdachte, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van die inbeslaggenomen goederen. De rechtbank deelt het standpunt van de officier van justitie niet dat de telefoons aan het verkeer onttrokken dienen te worden verklaard. Op deze telefoons, waarvan de rechtbank niet kan vaststellen dat zij enige relatie hebben met de gepleegde strafbare feiten, is het besturingssysteem Graphene OS geïnstalleerd, Dit is een alternatief besturingssysteem dat is ontworpen om de privacy/anonimiteit zo goed als mogelijk te waarborgen en anoniem te kunnen communiceren. Naar de rechtbank ambtshalve bekend is worden dergelijke telefoons weliswaar veelvuldig in het criminele circuit gebruikt maar dit maakt een dergelijke telefoon op zichzelf geen voorwerp van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
33, 33a, 36b, 36c, 36d, 57, 420bis Wetboek van Strafrecht;
2, 10 Opiumwet;
40 Geneesmiddelenwet;
1, 2, 6 Wet op de economische delicten.

DE UITSPRAAK

De rechtbank verklaart het ten laste gelegde onder 1, 2 en 3 bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
T.a.v. feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
T.a.v. feit 2:
overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 40, tweede lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan
T.a.v. feit 3:
witwassen
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straffen en maatregel.
T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3:
Een
gevangenisstrafvoor de duur van
20 maandenmet aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht.
Verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen, te weten:
- 13980 EUR (PL2100-2023252334-G217549);
- 360 EUR (PL2100-2023252334-G2175507);
- 50 EUR (PL2100-2023252334-G2175484);
- 18000 EUR (PL2100-2023252334-G2175491);
- 28130 EUR (PL2100-2023252334-G2175462);
- 20 EUR (PL2100-2023252334-G2175757).
Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten:
- 1 STK Verdovende Middelen (PL2100-2023252334-G2175438/ketamine);
- 1 STK Verdovende Middelen (PL2100-2023252334-G2175470/roze poeder in sealbag);
- 1 STK Verdovende Middelen (PL2100-2023252334-G2175481/onbekend, bruin);
- 1 STK Verdovende Middelen (PL2100-2023252334-G2175494/MDMA);
- 1 STK Verdovende Middelen (PL2100-2023252334-G2175508/sealbag met bruin poeder);
- 1 STK Verdovende Middelen (PL2100-2023252334-G2175571/boterhamzakje met roze poeder);
- 1 STK Verdovende Middelen (PL2100-2023252334-G2175611/Spa flesje met blauwe vloeistof, mogelijk blue 69);
- 1 STK Verdovende Middelen (PL2100-2023252334-G2175518/bruin poeder en ampullen met bruin poeder);
- 2 STK Verdovende Middelen (PL2100-2023252334-G2175600/2 emmers met roze substantie ketamine, nr. 19, Roze);
- 1 STK Verdovende Middelen (PL2100-2023252334-G2176743/gripzakje met wit poeder);
- 1 STK Verdovende Middelen (PL2100-2023252334-G2176745/zakje met wit poeder).
- 1 STK Zak (PL2100-2023252334-G2175540/sealbags);
- 1 STK Destilleerkolf (PL2100-2023252334-G2177897/glazen opzetstuk in doos van Glasco).
Teruggave inbeslaggenomen goederen, vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen:
- 1 STK Portemonnee (PL2100-2023252334-G2175553/cryptowallet, Safepal);
- 1 STK GSM (PL2100-2023252334-G2175635/incl. grijze hoes, betreft crypto-telefoon, zwart, merk: Google);
- 1 STK GSM (PL2100-2023252334-G2175643/incl. zwart hoesje, betreft crypto-telefoon, zwart, merk: Google);
- 1 STK GSM (PL2100-2023252334-G2175683/witte achterkant, betreft crypto-telefoon, wit, merk: Google),
aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon: verdachte.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.L.W.M. Viering, voorzitter,
mr. M.A. Waals en mr. R.J. Heuft, leden,
in tegenwoordigheid van mr. H. Wildeman, griffier,
en is uitgesproken op 25 maart 2026.