ECLI:NL:RBOBR:2026:195

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
10388064
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake voetzorg en zorgplicht van zorgverzekeraar

In deze zaak, behandeld door de Kantonrechter van de Rechtbank Oost-Brabant, staat de vraag centraal of de zorgverzekeraar ONVZ tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht jegens eiser, die aanspraak maakt op kosteloze voetzorg op basis van zijn zorgindicatie. De procedure is een vervolg op een eerdere uitspraak van 30 mei 2024, waarin de kantonrechter partijen de gelegenheid gaf om hun standpunten verder toe te lichten. Eiser stelt dat hij sinds 2020 alleen toegang heeft tot voetzorg indien hij een eigen bijdrage betaalt aan de zorgverlener, terwijl ONVZ betwist dat eiser niet-verzekerde zorg heeft ontvangen. De kantonrechter heeft besloten een deskundige van de Nederlandse Zorgautoriteit te benoemen om helderheid te krijgen over de specifieke voetzorg waarop eiser recht heeft en of deze zorg daadwerkelijk kosteloos is verstrekt. De kantonrechter heeft een aantal vragen geformuleerd die aan de deskundige voorgelegd zullen worden, waaronder de vraag welke voetzorg eiser kosteloos kan ontvangen en of ONVZ aan haar verplichtingen heeft voldaan. De zaak is aangehouden voor verdere beoordeling en de partijen zijn in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de deskundige en de vragen die aan deze deskundige worden voorgelegd.

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: 10388064 \ CV EXPL 23-1100
Vonnis van 15 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
wondende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. E.H.J. van Gerven,
tegen
ONVZ ZIEKTEKOSTENVERZEKERAAR N.V.,
gevestigd te Houten,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ONVZ,
gemachtigde: mr J.J. Doornbos en J. van der Linden - Koraichi (voorheen
mr. K.J.W. Rinsma).

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
  • het tussenvonnis van 30 mei 2024, waarin is bepaald dat partijen een akte van repliek en dupliek mogen nemen;
  • de conclusie van repliek c.q. wijziging van eis met producties 25 tot en met 29;
  • de conclusie van dupliek;
  • de akte uitlating van [eiser] met producties 30 tot en met 33;
  • de akte uitlating van ONVZ met producties 1.1 tot en met 1.6, 2.1 tot en met 2.5 en 3.1 tot en met 3.5;
  • de brief van ONVZ van 10 december 2024 met een reactie op de producties van [eiser] ;
  • de akte uitlating van [eiser] van 12 december 2024 met een reactie op de producties van ONVZ;
  • de brief van [eiser] van 12 mei 2025 met producties 34 tot en met 36;
  • de aantekeningen van de griffier van de zitting van 23 mei 2025;
  • de brief van [eiser] van 10 juni 2025 met een verzoek tot toekenning van
immateriële schade in verband het uitblijven van een rechterlijke beslissing binnen een redelijke termijn;
  • de brief van ONVZ van 17 juli 2025 met bijlagen;
  • de akte uitlating van [eiser] van 30 juli 2025.
1.2.
Vervolgens heeft de kantonrechter wederom een datum voor vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Naar aanleiding van het tussenvonnis van 30 mei 2024 (hierna te noemen: het tussenvonnis) heeft [eiser] bij conclusie van repliek zijn oorspronkelijke vordering gewijzigd. Na wijziging van eis vordert hij dat de kantonrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I.
PRIMAIR
voor recht verklaart dat ONVZ jegens [eiser] in de nakoming van de
verzekeringsovereenkomst toerekenbaar tekort is geschoten - en onverminderd
toerekenbaar tekortschiet - dan wel tekortschiet in de nakoming van haar wettelijke
zorgplicht die voortvloeit uit artikel 11 van de Zorgverzekeringswet, door de benodigde voetzorg, waaronder medebegrepen preventieve voetzorg, te contracteren - en te blijven contracteren - met podotherapeuten die, die voetzorg uitbesteden aan medische pedicures die daarvoor een betaling in de vorm van een eigen bijdrage van [eiser] verlangen (en zonder daarvoor [eiser] bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst te hebben gewaarschuwd althans duidelijk te hebben geïnformeerd) ten gevolge waarvan de toegang tot de benodigde voetzorg (aanzienlijk) wordt belemmerd, althans voor recht verklaart zoals de kantonrechter in goede justitie mag vermenen te verklaren;
SUBSIDIAIR
voor recht verklaart dat ONVZ jegens [eiser] onrechtmatig handelt door de benodigde voetzorg, waaronder mede begrepen preventieve voetzorg, te contracteren - en te blijven contracteren - met podotherapeuten die, die voetzorg uitbesteden aan medische pedicures die daarvoor een betaling in de vorm van een eigen bijdrage van [eiser] verlangen (en zonder daarvoor [eiser] bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst te hebben gewaarschuwd althans duidelijk te hebben geïnformeerd) ten gevolge waarvan de toegang tot de benodigde voetzorg (aanzienlijk) wordt belemmerd, althans voor recht verklaart zoals de kantonrechter in goede justitie mag vermenen te verklaren;
MEER SUBSIDIAIR
voor recht verklaart dat de handelwijze van ONVZ zoals omschreven zoals omschreven in de dagvaarding én zoals nader toegelicht tijdens de mondelinge behadeling van 16 april 2024 alsmede in de conclusie van repliek, een oneerlijke handelspraktijk in de zin van artikel 6:193b BW jo artikel 6:193c sub b BW jo artikel 6:193d BW, althans voor recht verklaart zoals de kantonrechter in goede justitie mag vermenen te verklaren;
II. op grond van het onder I. te wijzen vonnis ONVZ tegen behoorlijk bewijs van kwijting veroordeelt tot het betalen van schade aan [eiser] op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
III. ONVZ veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te voldoen ten titel van buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 1.937,20 althans een door de kantonrechter, in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
IV. ONVZ veroordeelt in de kosten van deze procedure en de nakosten, met de uitdrukkelijke bepaling dat ONVZ de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zal zijn als zij de proceskosten niet binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis zal hebben betaald.
2.2.
[eiser] stelt dat hij sinds 28 januari 2020 uitsluitend nog toegang heeft tot de verzekerde preventieve voetzorg, als hij daarvoor - uit eigen financiële middelen - een eigen bijdrage betaalt aan de feitelijke zorgverlener, de medisch pedicure aan wie de podotherapeut de zorg heeft uitbesteed. ONVZ betwist dit en stelt dat [eiser] een eigen bijdrage heeft moeten betalen omdat hij niet verzekerde cosmetische voetzorg heeft gekregen.
2.3.
Blijkens de na het tussenvonnis genomen conclusies en aktes en hetgeen ter zitting van 23 mei 2025 is besproken, zijn partijen verdeeld over de vraag op welke voetzorg [eiser] met zijn zorgindicatie [1] en zorgprofiel (aanvankelijk Zorgprofiel 3 en vanaf 9 november 2021 Zorgprofiel 4) kosteloos aanspraak moet kunnen maken op grond van zijn basisverzekering. Meer specifiek is in geschil of [eiser] , naast medisch noodzakelijke voetzorg (verzekerde preventieve voetzorg) ook (niet-verzekerde) cosmetische voetzorg heeft gekregen. Partijen verschillen van mening over welke specifieke handelingen (in het bijzonder de verzorging van de nagels van de acht kleine tenen, het verwijderen van diffuus eelt en het incrèmen van de voeten) als medisch noodzakelijk moeten worden gekwalificeerd. Ter onderbouwing van haar standpunt dat [eiser] niet verzekerde cosmetische voetzorg heeft gekregen, heeft ONVZ verwezen naar een e-mailbericht van podotherapeut, [A] van 16 juli 2025 en een e-mailbericht van medisch pedicure
[B] van 20 juni 2025. [eiser] heeft dit, onder andere met een verwijzing naar de professionele standaard in de Zorgmodule Preventie Voetulcera 2024, gemotiveerd betwist.
2.4.
Ook los van de discussie over de kwalificatie van de aan [eiser] verstrekte voetzorg betwist ONVZ tekort te zijn geschoten in de nakoming van de verzekeringsovereenkomst dan wel haar zorgplicht ex artikel 11 van de Zorgverzekeringswet te hebben geschonden. Zij voert daarvoor onder andere aan dat zij de podotherapeut van [eiser] vanaf 2020 de maximale wettelijke jaarvergoedingen, die door de Nederlandse Zorgautoriteit (hierna te noemen: de NZa) zijn vastgesteld, heeft betaald. [eiser] trekt de juistheid van deze stelling in twijfel. Daarnaast wijst zij erop dat de Beleidsregel overige geneeskundige zorg - BR/REG-20137 in artikel 2 sub c de mogelijkheid biedt om bovenop het maximumtarief een opslag overeen te komen voor de behandeling van patiënten met een hogere zorgzwaarte dan het gemiddelde van de populatie. Op basis van de door partijen in de procedure overgelegde stukken kan de kantonrechter niet vast stellen of ONVZ vanaf 2020 daadwerkelijk de hiervoor bedoelde maximale jaarvergoedingen aan de podotherapeut heeft betaald.
2.5.
Gelet op de na het tussenvonnis door partijen ingenomen standpunten en overgelegde producties alsmede de door hen gevoerde discussie ter zitting, acht de kantonrechter zich op dit moment onvoldoende geïnformeerd om op de vorderingen van [eiser] te beslissen. De kantonrechter acht het inwinnen van een deskundigenbericht noodzakelijk. Zij is daarom voornemens [C] , arts M&G, MPH [2] en medisch adviseur, verbonden aan de NZa als deskundige te benoemen. Vanwege het in oktober 2025 aangekondigde strategische partnerschap tussen ONVZ en VGZ en het feit dat ONVZ per 1 januari 2027 het risicodragerschap van zowel de basisverzekering als de aanvullende verzekeringen aan VGZ zal overdragen, merkt de kantonrechter op dat de beoogd deskundige tot twee jaar geleden werkzaam is geweest voor VGZ. Evenwel geldt dat de beoogd deskundige, als adviserend geneeskundig professional, evenals de NZa als toezichthouder, een onafhankelijke positie inneemt, hetgeen voor eerstgenoemde overigens expliciet is vastgelegd in het professioneel Statuut van de Vereniging Artsen Volksgezondheid. De kantonrechter ziet om die reden geen beletsel om [C] als deskundige te benoemen.
2.6.
De kantonrechter wenst aan de beoogd deskundige de volgende vragen voor te leggen:
1. Op welke voetzorg kan [eiser] vanaf 2020 tot heden gelet op zijn zorgindicatie op grond van de wet/basisverzekering kosteloos aanspraak maken?
2. Is die zorg vanaf 2020 tot heden aan [eiser] verstrekt?
Is die zorg vanaf 2020 tot heden kosteloos aan [eiser] verstrekt?
Zo nee, voor welke zorg heeft [eiser] moeten betalen?
Zo ja, voor welke zorg heeft [eiser] betaald en op basis van welke overeenkomst met welke zorgverlener?
3. In het geval het antwoord op de eerste vraag onder 2. negatief is:
Geldt voor de voetzorg waarop [eiser] vanaf 2020 tot heden gelet op zijn zorgindicatie op grond van de wet/basisverzekering kosteloos aanspraak kan maken een (wettelijk) maximumtarief?
Zo ja, wat is/zijn die tarieven?
Zo nee, hoe zijn de relevante tarieven dan gereguleerd?
4. Heeft ONVZ aan de betrokken door haar gecontracteerde podotherapeut het desbetreffende geldende (wettelijk)(maximum)tarief uitbetaald voor zover het betreft de aan [eiser] vanaf 2020 tot heden geleverde voetzorg?
5. Is in het contract tussen ONVZ en de betrokken podotherapeut afdoende gewaarborgd dat [eiser] de voetzorg waarop hij vanaf 2020 tot heden gelet op zijn zorgindicatie op grond van de wet/basisverzekering kosteloos aanspraak kan maken, ontvangt?
Zo ja, hoe?
Zo nee, waarom niet?
6. Is in het contract tussen de gecontracteerde podotherapeut en de pedicure afdoende gewaarborgd dat [eiser] de voetzorg waarop hij vanaf 2020 tot heden gelet op zijn zorgindicatie op grond van de wet/basisverzekering kosteloos aanspraak kan maken, ontvangt?
Zo ja, hoe?
Zo nee, waarom niet?
7. Op welke wijze ziet ONVZ erop toe dat de door haar gecontracteerde zorgaanbieders, in casu podotherapeuten, de gecontracteerde zorg waarop haar verzekerden, in casu [eiser] , op de grond van de wet/ basisverzekering kosteloos, aanspraak kunnen maken hebben, ook daadwerkelijk kosteloos wordt verleend?
Is dat toezicht voldoende adequaat ingericht?
Zo nee, waarom niet?
Zo ja, hoe handelt ONVZ indien zij constateert dat een gecontracteerde zorgaanbieder tekort schiet in de nakoming van zijn verplichting om de relevante gecontracteerde zorg kosteloos aan desbetreffende verzekerde te verstrekken?
8. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de kantonrechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?
2.7.
Voordat wordt overgegaan tot het gelasten van een deskundigenbericht zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de beoogd deskundige en de aan de beoogd deskundige voor te leggen vragen. De kantonrechter zal de zaak daarvoor naar de hierna te noemen rolzitting verwijzen.
2.8.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de deskundige in beginsel door de eisende partij moet worden gedeponeerd. Ingevolge artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ligt de bewijslast dat ONVZ tekort is geschoten in de nakoming van de verzekeringsovereenkomst of haar zorgplicht, ofwel onrechtmatig heeft gehandeld dan wel zich van een oneerlijke handelspraktijk heeft bediend, immers bij [eiser] .
2.9.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
29 januari 2026voor het nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich uitlaten over de aangekondigde deskundigenrapportage zoals overwogen in r.o.v. 2.7.;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. van den Berk en in het openbaar uitgesproken op
15 januari 2026.

Voetnoten

2.arts Maatschappij en Gezondheid en Master of Public Health