ECLI:NL:RBOBR:2026:2000

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
C/01/417806 / EX RK 25-105
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1019w RvArt. 1019z RvArt. 1019aa lid 1 RvArt. 1019bb RvArt. 6:96 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlies van een kans op afronding opleiding tot chirurg door medische fout

Verzoekster was in opleiding tot chirurg toen zij door een medische fout van het ziekenhuis ongewenst zwanger raakte. Zij stelt dat deze zwangerschap haar opleiding heeft belemmerd en dat zij daardoor haar opleiding niet heeft kunnen afronden. De rechtbank stelt vast dat niet kan worden bewezen dat zij zonder deze zwangerschap de opleiding zeker had afgerond, maar wel dat zij een kans van 30% heeft verloren om dit met succes te doen.

De procedure omvatte een deelgeschil over het causaal verband tussen het onzorgvuldig medisch handelen en het niet afronden van de opleiding. Partijen waren het oneens over de invloed van de zwangerschap op het carrièreverloop van verzoekster. De rechtbank analyseerde het carrièreverloop, eerdere beoordelingen, begeleidingstrajecten en de impact van zwangerschappen en privéomstandigheden.

De rechtbank concludeert dat er meerdere factoren waren die het afronden van de opleiding konden belemmeren, maar dat de ongewenste zwangerschap op een ongelukkig moment kwam en een rol speelde bij het besluit tot beëindiging van de opleiding. Mede daarom is een kans verloren gegaan. Daarnaast veroordeelt de rechtbank MediRisk tot betaling van buitengerechtelijke kosten, kosten van getuigenverhoren en de kosten van de deelgeschilprocedure, waarbij de redelijkheid en omvang van de kosten zijn getoetst.

Uitkomst: Verzoekster heeft door medisch onzorgvuldig handelen een kans van 30% verloren om haar opleiding tot chirurg succesvol af te ronden; MediRisk wordt veroordeeld tot betaling van diverse kosten.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer / rekestnummer: C/01/417806 / EX RK 25-105
Beschikking van 26 maart 2026
in de zaak van
[verzoeksters],
te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeksters] ,
advocaat: mr. F. Sobczak,
tegen

1.STICHTING MÁXIMA MEDISCH CENTRUM,

te Veldhoven,
2.
ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ VOOR INSTELLINGEN IN DE GEZONDHEIDSZORG MEDIRISK B.A.,
te Utrecht,
verwerende partijen,
hierna respectievelijk te noemen: MMC en MediRisk,
advocaat: mr. M. van Gool.

1.De zaak in het kort

1.1.
[verzoeksters] , destijds in opleiding tot chirurg, is door medisch onzorgvuldig handelen ongewenst zwanger geraakt. Zij bepleit dat zij als gevolg daarvan haar opleiding tot chirurg niet heeft kunnen afronden. De rechtbank oordeelt dat dat niet vastgesteld kan worden, maar dat zij wel een kans heeft verloren die opleiding met succes af te ronden.

2.procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met 9 producties
- het verweerschrift
- de brief van MMC en MediRisk van 21 november 2025 met 1 productie
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 november 2025. De advocaten van partijen hebben daar spreekaantekeningen overgelegd en voorgelezen. Van wat er overigens aan de orde is geweest heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
2.3.
De beschikking, die aanvankelijk was bepaald op 29 januari 2026, is na verlenging bepaald op vandaag.

3.De feiten

Aansprakelijkstelling wegens wrongful birth
3.1.
[verzoeksters] heeft op 16 mei 2014 een spiraal laten plaatsen in het MMC. Bij een nacontrole is de ligging van de spiraal gemanipuleerd. [verzoeksters] is vervolgens zwanger geraakt en op [datum] 2016 bevallen van haar derde kind.
3.2.
[verzoeksters] heeft het MMC en MediRisk aansprakelijk gesteld wegens onzorgvuldig handelen. Na een medische expertise hebben MMC en MediRisk op 16 november 2020 aansprakelijkheid erkend en aangegeven bereid te zijn de schade die voortvloeit uit het onzorgvuldig handelen te vergoeden. Het lukt partijen niet de schade vast te stellen, onder andere omdat zij het er niet over eens zijn welke gevolgen de derde zwangerschap heeft gehad op het carrièreverloop van [verzoeksters] .
Het feitelijke carrièreverloop van [verzoeksters]
3.3.
Na afronding van haar studie geneeskunde heeft [verzoeksters] van september 2007 tot medio 2009 gewerkt als arts niet in opleiding tot specialist (ANIOS) op de afdeling chirurgie in het VieCuri Medisch Centrum in Venlo (hierna: VieCuri).
3.4.
Per 1 juli 2009 is [verzoeksters] gestart met de opleiding heelkunde in het MUMC+ in Maastricht, waar zij werd ingezet op de Intensive Care en de Spoedeisende Hulp. Vanaf januari 2010 heeft zij haar opleiding voortgezet in het VieCuri, waar zij als arts in opleiding tot specialist (AIOS) werkte op de afdeling chirurgie, met als opleider dr. [A] . De opleiding werd in die tijd onderbroken door een periode van ziekte van [verzoeksters] wegens een burn-out (waarna re-integratie) en door een periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof in verband met de komst van haar eerste kind op [geboortedatum 1] 2011. [verzoeksters] ontving in het VieCuri extra begeleiding en coaching en er vonden meerdere voortgangsgesprekken plaats. In juni 2012 is besloten dat [verzoeksters] niet geschikt was voor de opleiding tot chirurg en is de opleiding beëindigd.
3.5.
[verzoeksters] was het met dat besluit niet eens en wilde een herkansing. Besloten is toen dat zij een extern beoordelingstraject van enkele maanden zou volgen bij het MMC in Veldhoven. Zij is toen zes maanden intensief gevolgd na ommekomst waarvan zij haar opleiding in het MMC kon voortzetten.
3.6.
[verzoeksters] heeft zodoende van juli 2012 tot half januari 2015 als AIOS chirurgie in het MMC gewerkt. Haar opleiding werd in die tijd onderbroken door een periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof in verband met de komst van haar tweede kind op [geboortedatum 2] 2014.
3.7.
Per februari 2015 zou [verzoeksters] haar opleiding vervolgen in het MUMC+, maar de beoordelend opleider van [verzoeksters] in het MMC, dr. [B] , heeft op 12 januari 2015 besloten de opleiding tot chirurg van [verzoeksters] te beëindigen omdat zij niet geschikt werd geacht voor het beroep chirurg.
3.8.
[verzoeksters] was het ook toen niet eens met de beëindiging van haar opleiding en heeft zich gewend tot de KNMG Geschillencommissie (hierna: de Geschillencommissie).
3.9.
[verzoeksters] , die zich in januari 2015 ziek had gemeld, is in juli 2015 in het kader van re-integratie weer (deels) aan het werk gegaan bij het MUMC+ . Zij was daar niet langer in opleiding maar verrichtte daar werkzaamheden als ANIOS op de afdeling chirurgie.
3.10.
De Geschillencommissie oordeelde op 1 september 2015 dat [verzoeksters] in de gelegenheid moest worden gesteld de opleiding voort te zetten. Dit moest dan wel in een ander ziekenhuis dan het MMC gebeuren, waarbij gestart moest worden met een zes maanden durend Geïntensiveerd Begeleidings Traject (GBT), waarna de geschiktheid van [verzoeksters] voor de opleiding opnieuw moest worden beoordeeld.
3.11.
In november 2015 heeft [verzoeksters] samen met haar opleider prof. [C] een plan van aanpak gemaakt voor een GBT van 6 maanden in het MUMC+, waarmee ze haar opleiding zou voortzetten. Dat traject zou starten wanneer [verzoeksters] hersteld zou zijn van een knie-operatie die zij onderging in oktober 2015. De verwachting was dat de start in januari 2016 zou zijn. Half december 2015 werd echter de partner van [verzoeksters] langdurig ziek, waardoor zij een aantal maanden zorgverlof moest opnemen om voor haar gezin te zorgen en niet met het GBT kon starten. In die periode speelden ook een verhuizing en verbouwing. Vervolgens bleek [verzoeksters] ongepland zwanger van haar derde kind, met de daarbij komende stress, controles en een operatie in juni 2016 om de (in de buikholte geïnfiltreerde) spiraal te verwijderen. Ook in die tijd achtte [verzoeksters] zich niet in staat om het GBT te starten. Zij heeft vanaf oktober 2015 geen werkzaamheden meer verricht.
3.12.
In september 2016 gaf prof. [C] van het MUMC+ in voortgangsgesprekken met [verzoeksters] aan dat hij haar niet meer opleidbaar achtte. [C] gaf aan zeer bezorgd te zijn over de toekomst van [verzoeksters] als aankomend chirurg, en baseerde dat op het verleden (met tweemaal een beoordelingstraject), het functioneren in het MUMC+ toen zij daar nog klinisch actief was, en de duur van de arbeidsongeschiktheid tot dat moment, wat met inbegrip van het aankomende zwangerschapsverlof zou leiden tot een onderbreking van de opleiding van ruim twee jaar. [C] achtte [verzoeksters] hierdoor niet meer opleidbaar tot chirurg.
3.13.
Op [datum] 2016 is [verzoeksters] bevallen van haar derde kind.
3.14.
In februari 2017 vonden nog twee evaluatiegesprekken plaats, waarbij [verzoeksters] heeft aangegeven zich neer te leggen bij het besluit om haar opleiding te beëindigen.
3.15.
Op 1 april 2017 is de opleiding formeel beëindigd.
3.16.
Per 1 mei 2017 is [verzoeksters] gaan werken in de functie van praktijkarts bij Veiligheidsregio Limburg-Noord voor 24 uur per week.
3.17.
Op verzoek van [verzoeksters] zijn voorafgaande aan de deelschilprocedure een viertal getuigen gehoord, te weten: [verzoeksters] zelf, de voormalige opleider prof. [C] , en twee voormalige collega’s [D] en [E] . In tegenverhoor zijn gehoord de voormalige opleiders [A] en [B] .

4.Het verzoek en het verweer

4.1.
[verzoeksters] verzoekt de rechtbank te beslissen in deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv), in die zin dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht verklaart dat [verzoeksters] in de situatie zonder onzorgvuldig medisch handelen de opleiding tot chirurg met succes zou hebben afgerond, dan wel subsidiair [verzoeksters] door het medisch onzorgvuldig handelen een kans heeft verloren om de opleiding tot chirurg met succes af te ronden en deze kans te schatten in de vorm van een percentage;
de door [verzoeksters] van 31 oktober 2017 tot en met 14 februari 2025 gemaakte buitengerechtelijke kosten vaststelt op € 47.189,78 inclusief btw en verschotten, en bepaalt dat MediRisk op grond van artikel 7:954 lid 1 BW Pro gehouden is dit bedrag rechtstreeks aan [verzoeksters] te voldoen met aftrek van de door MediRisk ten aanzien van deze buitengerechtelijke kosten gedane betalingen;
de door [verzoeksters] gemaakte kosten voor de behandeling van het door haar ingediende verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor vaststelt op € 33.094,14 inclusief btw, griffierechten (€ 314,-) en taxe van de door haar opgeroepen getuigen (€ 1.530,68), en bepaalt dat MediRisk op grond van artikel 7:954 lid 1 BW Pro gehouden is dit bedrag rechtstreeks aan [verzoeksters] te voldoen met aftrek van de door MediRisk ten aanzien van deze kosten gedane betalingen;
e kosten als bedoeld in artikel 1019aa, lid 1 RV begroot op € 11.255,45 inclusief btw en griffierecht (€ 311,-), zoals in randnummer 99 van het verzoekschrift gespecificeerd, en bepaalt dat MediRisk op grond van artikel 7:954 lid 1 BW Pro gehouden is dit bedrag rechtstreeks aan [verzoeksters] te voldoen.
4.2.
Aan het verzoek heeft [verzoeksters] het volgende ten grondslag gelegd. Zij stelt dat zij zonder de ongewenste zwangerschap het GBT op 1 mei 2016 had kunnen starten en ongecompliceerd zou hebben kunnen volbrengen en vervolgens de opleiding tot chirurg met succes zou hebben afgerond. Weliswaar waren de eindbeoordelingen in het VieCuri in 2012 en in het MMC in 2015 negatief, maar bij die beoordelingen is onvoldoende rekening gehouden met haar (eerste twee) zwangerschappen. Uit de beoordelingsportfolio blijkt dat de tussentijdse beoordelingen overwegend positief waren, maar dat de beoordelingen tijdens en na de zwangerschappen kritischer waren. Er werd geen of onvoldoende rekening gehouden met het moeizame verloop van de zwangerschappen, de invloed van de ontzwangeringsfase en in het algemeen met de verminderde belastbaarheid tijdens en na de zwangerschap. Zonder de ongewenste (derde) zwangerschap zou zij in optimale omstandigheden zijn begonnen met het GBT en dit met succes hebben doorlopen.
Waar er kritiek was op haar functioneren is zij onvoldoende in de gelegenheid gesteld haar functioneren te verbeteren. Haar werd in het VieCuri en het MMC geen intensieve begeleiding geboden. Zij stelt dat met het voorgenomen GBT-traject in het MUMC+ haar functioneren aanzienlijk zou hebben kunnen verbeteren waartoe zij zeer gemotiveerd was. [verzoeksters] wijst tot slot op de positieve beoordelingen over de periode van augustus tot en met september 2015 (toen zij klinisch actief was in MUMC+ in het kader van re-integratie en vooruitlopend op de start van het GBT). Er waren verbeterpunten maar daaruit blijkt niet dat zij niet geschikt zou zijn om de opleiding tot chirurg te kunnen afronden. Zij wijst erop dat zij in die periode onder grote druk stond om goed te presteren. Aan het door haar te leveren bewijs mogen geen strenge eisen worden gesteld, nu het de aansprakelijke partij is die aan haar de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in de hypothetische situatie zou zijn geschied, aldus [verzoeksters] . Hoe dan ook heeft [verzoeksters] door het medisch onzorgvuldig handelen een kans verloren om de opleiding tot chirurg met succes af te ronden.
4.3.
MMC en MediRisk verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek en voeren daartoe onder meer het volgende aan. Zij betwisten het causaal verband tussen de derde zwangerschap en het niet afronden van de opleiding tot chirurg. Zij stellen dat andere factoren, zoals de eerdere beoordelingen van het functioneren en eerdere trajecten bepalend zijn geweest voor het staken van de opleiding. Zij wijzen op de getuigenverklaringen van de drie opleiders van [verzoeksters] die ieder hebben verklaard dat zij ongeschikt werd geacht om de opleiding tot chirurg voort te zetten en dat zij geen vertrouwen hadden in een succesvolle afronding van haar opleiding. Daarbij speelde ook een rol dat [verzoeksters] , toen de beëindiging van de opleiding in het MUMC+ werd besproken (voor het eerst in september 2016) al anderhalf jaar niet meer klinisch actief was.

5.De beoordeling

5.1.
[verzoeksters] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen.
5.2.
De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).
5.3.
In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over het causaal verband tussen het medisch onzorgvuldig handelen en het niet afronden van de opleiding tot chirurg. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek inhoudelijk zal bespreken. Het is evident dat de voorgelegde vraag een deel van het geschil tussen partijen betreft.
5.4.
De rechtbank komt tot het oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om tot het oordeel te kunnen komen dat [verzoeksters] zonder het onzorgvuldig medisch handelen, dus zonder de ongewenste derde zwangerschap, de opleiding tot chirurg (zonder meer) met succes zou hebben doorlopen. Het is niet uitgesloten dat de opleiding alsnog met succes zou zijn afgerond, maar er zijn meerdere factoren die aan het succesvol afronden in de weg hadden kunnen staan, ook in het geval er van een derde zwangerschap geen sprake zou zijn geweest. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van het navolgende.
5.5.
De twee eerdere beoordelingstrajecten in het VieCurie en in het MMC waren verre van vlekkeloos verlopen. Er waren op cruciale momenten meerdere punten van kritiek, zowel bij tussentijdse beoordelingen als bij eindbeoordelingen. Er wordt gewezen op gebrekkige communicatie, het niet uit elkaar houden van hoofd- en bijzaken, het niet openstaan voor kritiek, gebrek aan leerbaarheid, onvoldoende tempo en gebrek aan zelfvertrouwen, en ook in techniek liep zij geregeld achter (zoals onder meer blijkt uit het als prod. 5 overgelegde portfolio en de uitspraak van de Geschillencommissie van 1 september 2015, zoals gevoegd bij prod. 2).
5.6.
Over de opleidingsperiode in het VieCurie verklaart opleider [A] onder meer:
“(…) Het centrale punt was bij haar vooral leerbaarheid. Zij kon moeilijk omgaan met kritiek. Ze deed daar ook niet veel mee. Zij was wel eager om zaken te doen en dan bedoel ik met name chirurgisch handelen ook als ze er nog niet klaar voor was. Ze wilde wel, maar was daar nog niet klaar voor. (…) Het is voor een arts in opleiding de bedoeling dat deze in het portfolio feedback verzamelt. [verzoeksters] deed dat beperkt. Te weinig en had problemen met de feedback die ze kreeg. (…)
U vraagt mij om aan te geven wat ik precies bedoel met de onvoldoende groei die [verzoeksters] had doorgemaakt. Er was een vertrouwensbreuk ontstaan. Vakgroep leden hadden geen vertrouwen in het werk van [verzoeksters] . Er waren patiënt gebonden problemen en chirurgen lieten haar geen chirurgische handelingen verrichten die zij normaalgesproken qua anciënniteit had moeten kunnen verrichten. Haar leercurve liep achter. (…) De assistentengroep stond volmodig achter het besluit zoals dat in juni 2012 is genomen. (…)”
5.7.
Over de opleidingsperiode in het MMC verklaart [B] onder meer:
“(…) Ten aanzien van die competenties ging het met betrekking tot haar in 2013 grosso modo over communicatie, patiënt vriendelijkheid, besluitvaardigheid, werken in teamverband, operatieve vaardigheden en zelfinzicht. (…) In 2014 na terugkeer van haar zwangerschapsverlof waarbij geen verbeteringen in de competenties werd geconstateerd was de inzet van collega [F] en mij om [verzoeksters] ervan te overtuigen dat zij geen goede route volgde en dat zij dit zelf ook zou gaan inzien. (…) Ik heb toen(december 2014, rb)
bij alle leden van de maatschap rondvraag gedaan en hen gevraagd of zij [verzoeksters] geschikt of ongeschikt achtte voor de opleiding chirurgie. Unaniem is toen binnen de maatschap besloten dat zij ongeschikt was. (…)”
5.8.
Mogelijk heeft het verloop van haar twee zwangerschappen [verzoeksters] in de opleiding parten gespeeld. Zoals [B] als getuige verklaart:
“Ik zeg u dat de onderbreking door een zwangerschapverlof daar geen goed aan doet. Het ging met horten en stoten want je moet na terugkeer alles weer oppakken.”[verzoeksters] heeft evenwel te weinig aangevoerd om te kunnen concluderen dat zij op de zwangerschappen ten onrechte is “afgerekend’ zoals zij lijkt te willen stellen. Ook ontbreken (medische) gegevens van [verzoeksters] op grond waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat het mindere functioneren uitsluitend in en na de perioden van zwangerschap en als gevolg daarvan aan de orde was en dat zonder zwangerschap de hierboven aangehaalde kritiek niet aan de orde was.
5.9.
De rechtbank stelt vast dat er in beide opleidingstrajecten wel degelijk sprake is geweest van intensieve begeleiding. Bij het VieCuri met name na de burn-out waarbij ook een coach is ingeschakeld. In het MMC met name in de eerste zes maanden. Aan [verzoeksters] kan worden toegegeven dat het geen officieel GBT betrof, maar ook [verzoeksters] betwist niet dat opleider Prakken haar toen intensief heeft begeleid. Dat leidde ertoe dat zij vervolgens haar opleiding kon voortzetten, maar uiteindelijk ontstond er toch weer kritiek op haar functioneren.
5.10.
De Geschillencommissie heeft op 1 september 2015 geoordeeld dat gelet op door de opleider gesignaleerde tekortkomingen in het functioneren van [verzoeksters] het op de weg van de opleider had gelegen haar intensiever te begeleiden, zodat zij haar functioneren kon verbeteren. Omdat daarvan niet of onvoldoende was gebleken heeft de commissie geoordeeld dat [verzoeksters] onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om haar functioneren te verbeteren en dat zij die gelegenheid alsnog moest krijgen in de vorm van een zes maanden durend geïntensiveerd begeleidingstraject (GBT), waarna opnieuw een geschiktheidoordeel zou plaatsvinden.
5.11.
Uit het Plan van aanpak dat voor het GBT in november 2015 is opgesteld door opleider [C] en [verzoeksters] (onderdeel van prod. 2) blijkt dat als aandachtspunten voor dat traject nagenoeg alle competenties aan de orde waren (medisch handelen, communicatie, samenwerking, kennis en wetenschap, organisatie en professionaliteit). Met name werden als aandachtspunt genoemd de handvaardigheid (die eerder als onder de maat werd beoordeeld), het onderscheid van hoofd- en bijzaken, zien van het totale beeld van de patiënt en het maken van beleid (wat eerder punten van kritiek waren), communicatie met collega’s, tevens interdisciplinair, voldoende kennis van de pathologie van de patiënt, zich uitend in blijk geven van voldoende onderscheid van hoofd- en bijzaken, het stellen van prioriteiten, goede afstemming van werk-privébalans om als persoon goed te kunnen blijven functioneren en uitstralen van zelfverzekerdheid en van actieve betrokkenheid, niet te afwachtend zijn en stressbestendigheid.
5.12.
Gelet hierop constateert de rechtbank dat [verzoeksters] een zwaar traject stond te wachten waarbij haar functioneren onder een vergrootglas zou liggen. Het is niet uitgesloten dat zij erin geslaagd zou zijn de punten van kritiek te overwinnen, maar niet kan gezegd worden dat enkel de ongewenste zwangerschap aan het welslagen in de weg heeft gestaan. Ook zonder die zwangerschap had [verzoeksters] nog heel wat te overwinnen alvorens zij na het intensieve beoordelingstraject in de gelegenheid zou zijn gesteld de opleiding voort te zetten. Daarbij komt dat [verzoeksters] bij de start van het GBT op 1 mei 2016 (zoals door haar voorzien in verband met privéperikelen) gedurende een periode van een jaar en vier maanden nauwelijks werkzaamheden als chirurg had uitgevoerd (afgezien van de parttime verrichtingen in augustus en september 2015 in het MMUC+ als anios).
Daarbij kan niet onvermeld blijven dat de privésituatie van [verzoeksters] kwetsbaar was (reeds twee kleine kinderen, ziekteperiode partner) en zij haar prioriteit niet telkens bij de opleiding leek te leggen (verhuizing en verbouwing in de periode dat zij met het GBT had moeten beginnen).
5.13.
Al met al concludeert de rechtbank dat niet vastgesteld kan worden dat [verzoeksters] zonder het onzorgvuldig medisch handelen, dus zonder de ongewenste derde zwangerschap de opleiding tot chirurg met succes zou hebben doorlopen
5.14.
De rechtbank komt wel tot het oordeel dat door het medisch onzorgvuldig handelen voor [verzoeksters] een kans verloren is gegaan om de opleiding tot chirurg met succes af te ronden. De ongewenste zwangerschap als gevolg van het onzorgvuldig medisch handelen kwam op een uiterst ongelukkig tijdstip. [verzoeksters] heeft daardoor niet meer kunnen laten zien dat zij in staat was geweest de kritiek te overwinnen en zich de competenties alsnog meer eigen te maken. Bij het besluit van opleider [C] om de opleiding te beëindigen en het GBT niet na de zwangerschap alsnog te starten, speelde de zwangerschap wel degelijk een rol. Een van de redenen was immers dat [verzoeksters] na de zwangerschap en het zwangerschapsverlof gedurende een periode van circa twee jaar niet in opleiding zou zijn geweest. Hiervoor is aan de orde gekomen dat er behoorlijk wat fundamentele kritiekpunten waren, maar uiteraard is er ook het een en ander goed gegaan, zoals ook blijkt uit het opleidingsportfolio. Uiteindelijk zat [verzoeksters] al in het vijfde jaar van de opleiding. En de Geschillencommissie heeft beslist dat [verzoeksters] nog een gelegenheid moest krijgen haar functioneren te verbeteren. Het is niet onrealistisch ervan uit te gaan dat er ook een gerede kans was dat [verzoeksters] uiteindelijk wel was geslaagd in het afronden van de opleiding. De rechtbank schat de kans dat [verzoeksters] zonder het medisch onzorgvuldig handelen de opleiding tot chirurg met succes zou hebben afgerond, alle omstandigheden in ogenschouw nemend, ex aequo et bono op 30 %.
5.15.
De stelling van verweerders dat het ontbreken van bezwaar door [verzoeksters] tegen het definitieve besluit tot beëindiging van de opleiding bij MUMC+ de vordering tot schadevergoeding wegens verlies aan verdienvermogen (waar het uiteindelijk om gaat) in de weg staat, wordt afgewezen. [verzoeksters] heeft zich om begrijpelijke redenen bij dat besluit neergelegd. Het causaal verband tussen het medisch onzorgvuldig handelen en de daardoor ontstane schade is daarmee niet doorbroken.
Buitengerechtelijke kosten
5.16.
Met betrekking tot de vordering van [verzoeksters] om de van 31 oktober 2017 tot en met 14 februari 2025 gemaakte buitengerechtelijke kosten vast te stellen op € 47.189,78 inclusief btw en verschotten, met aftrek van de door MediRisk reeds gedane betalingen, oordeelt de rechtbank als volgt.
5.17.
Door MediRisk is betaald € 29.000,-- zodat resteert een bedrag van € 18.189,78.
Op grond van artikel 6:96 lid 2 onder Pro a BW dient de aansprakelijke partij ook als schade te vergoeden de kosten van rechtsbijstand ter vaststelling van aansprakelijkheid en schade. Deze kosten dienen wel aan de dubbele redelijkheidstoets te voldoen, dat wil zeggen dat het redelijk moet zijn dat rechtsbijstand is ingeschakeld en dat de gemaakte kosten naar omvang redelijk zijn.
5.18.
Door MediRisk wordt het laatste betwist stellende dat het een overzichtelijk dossier van beperkte complexiteit betreft. De rechtbank constateert dat het drie jaar heeft geduurd voordat de aansprakelijkheid werd erkend, en dat MediRisk tot op heden het causaal verband betwist tussen het medisch onzorgvuldig handelen en het niet afronden van de opleiding tot chirurg door [verzoeksters] . De rechtbank is van oordeel dat niet gesproken kan worden van een overzichtelijk dossier, noch wat betreft de vaststelling van de aansprakelijkheid noch wat betreft de vaststelling van het causaal verband. De bestudering en beoordeling van de gang van zaken rond de chirurgenopleiding en de consequenties daarvan voor de beoordeling van de juridische vraagstukken in dit dossier is een arbeidsintensieve taak. De veronderstelling van MediRisk dat alle werkzaamheden over alle jaren beperkt hadden kunnen blijven tot een aantal van in totaal 50 uur miskent de werkelijkheid. De rechtbank stelt vast dat MediRisk de gespecificeerde werkzaamheden zoals die blijken uit de urenlijsten die bij de facturen zijn gevoegd niet betwist, noch bezwaar maakt tegen de gevorderde kosten van de rekenkundige expertise van Laumen (€ 4.925,51 inclusief btw). MediRisk kan worden toegegeven dat van een gespecialiseerde letseladvocaat verwacht mag worden efficiënt te werk te gaan, maar bij gebrek aan betwisting van de werkzaamheden zelf ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding het urenaantal, hoewel met 130 uur over de periode van 31 oktober 2017 tot en met 14 februari 2025 fors, te matigen.
5.19.
De rechtbank stelt vast dat het merendeel van de uren (te weten ruim 98 uur tot 18 oktober 2021) is afgerekend tegen een uurtarief van € 250,-- exclusief btw, het uurtarief waarmee MediRisk blijkens het verweerschrift kan instemmen.
De uren over de periode vanaf 3 november 2021 tot en met 25 april 2022 (ruim 19 uur) zijn berekend naar een tarief van € 270,-- exclusief btw per uur, welk tarief voor een gespecialiseerd letseladvocaat in de jurisprudentie wordt aanvaard.
De uren over de periode 19 december 2023 tot en met 14 februari 2025 (12 uur ) zijn berekend naar een tarief van (voor zover de rechtbank kan nagaan) € 295,-- exclusief btw. Hoewel aan de hoge kant zal de rechtbank in dit geval dat specialistentarief aanvaarden.
De rechtbank stelt daarom de van 31 oktober 2017 tot en met 14 februari 2025 gemaakte buitengerechtelijke kosten vast op € 47.189,78 inclusief btw en verschotten, en veroordeelt MediRisk op grond van artikel 7:954 lid 1 BW Pro onder aftrek van de door haar reeds gedane betalingen van € 29.000,--, tot betaling aan [verzoeksters] van een bedrag van € 18.189,78.
Kosten getuigenverhoren
5.20.
Buiten de hiervoor beoordeelde buitengerechtelijke kosten vordert [verzoeksters] ook een bedrag aan kosten vast te stellen voor de behandeling van het door haar ingediende verzoek voorlopig getuigenverhoor over de periode van 29 april 2022 tot en met 21 november 2023 en wel tot een bedrag van € 33.094,14 inclusief btw, griffierechten en getuigentaxe, en MediRisk tot betaling te veroordelen met aftrek van de reeds gedane betaling.
5.21.
MediRisk stelt zich op het standpunt dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen, nu de getuigenverhoren geen wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan de door [verzoeksters] te bewijzen stellingen.
5.22.
De rechtbank oordeelt dat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Gelet op het standpunt van MMC en MediRisk ten aanzien van het (ontbreken van) causaal verband stond het [verzoeksters] vrij kosten te maken voor een getuigenverhoor om haar bewijspositie helder te krijgen, wat de uitkomst daarvan ook is. Zij heeft ook kosten moeten maken in verband met het horen van de getuigen in het door MediRisk geëntameerde tegenverhoor.
5.23.
De kosten dienen wel aan de hiervoor onder r.o. 5.17 al genoemde dubbele redelijkheidstoets te voldoen. Met MediRisk is de rechtbank van oordeel dat de omvang van de kosten de redelijkheidstoets niet doorstaat. Uit de overgelegde urenspecificaties leidt de rechtbank af dat het gaat om in totaal ca 97 uur. Dat is een hoog aantal voor een enkel verzoekschrift en drie verhoordagen. De rechtbank constateert dat in de urenspecificaties talloze mails en telefoongesprekken zijn opgenomen, waarvan nut en noodzaak niet nader zijn onderbouwd. MediRisk verzoekt het urenaantal te stellen op 44 in totaal, uitgaande van 3 dagen van 8 uur voor de verhoren, 10 uur voor het verzoekschrift en 10 uur voor het voorbereiden van de verhoren. De rechtbank zal dat volgen, zij het dat zij voor de voorbereiding en het nabespreken van de verhoren meer uren zal toekennen, alsmede uren voor correspondentie en andere contactmomenten rondom de getuigenverhoren. Daarmee komt de rechtbank op een aantal van 55 uur. Voor de eerste factuur van 28 juni 2022 is een uurtarief gerekend van € 250,-- exclusief btw. Dat is alleszins aanvaardbaar. Voor de overige uren is gerekend met een uurtarief van € 270,-- exclusief btw welk tarief gelet op de specialisatie van mr. Sobczak wordt aanvaard.
5.24.
De toe te wijzen kosten komen daarmee op een bedrag van in totaal € 19.144,05 (€ 6.322,25 + € 849,42 + € 4.116,42 + € 6.011,28 + € 314,-- (griffierecht) + € 1.530,68 (getuigentaxe) waarbij de rechtbank de twee laatste facturen met nummers 1199 en 1350 om praktische redenen (samen ca 42 uur) buiten beschouwing laat). Er is niet gebleken van enige betaling door MediRisk op deze facturen, om welke reden de rechtbank MediRisk zal veroordelen tot betaling van dit totaalbedrag aan [verzoeksters] .
Kosten deelgeschil
5.25.
De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.
5.26.
Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Ook hierbij moet de rechtbank de al vaker genoemde dubbele redelijkheidstoets hanteren.
5.27.
[verzoeksters] maakte aanvankelijk aanspraak op € 11.255,45 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht, maar heeft dat ter zitting verhoogd naar € 12.235,55 omdat drie uur meer zijn besteed aan de pleitnota, waardoor het urenaantal komt op 36,5 uur. [verzoeksters] verzoekt de rechtbank ook met meer tijd voor de zitting te rekenen, nu deze langer heeft geduurd dan de voorziene twee uur. De rechtbank stelt vast dat de zitting drie uur heeft geduurd, waarmee het aan het verzoek ten grondslag gelegde urenaantal op 37,5 uur komt.
5.28.
MediRisk voert aan dat het aantal bestede uren onredelijk is en dat het uurtarief van € 270.-- exclusief btw bovenmatig is. Het aantal uren vindt zij onredelijk omdat het verzoekschrift nagenoeg gelijk is aan de brief aan MediRisk van 24 februari 2022 op grond waarvan niet 23 uur maar 8 uur toegekend moet worden. Met de andere opgevoerde uren is MediRisk het eens, althans voert zij daartegen geen verweer, ook niet tegen die uren die in de pleitnota nog aan de orde zijn gekomen.
5.29.
Zoals hiervoor al is geoordeeld, wordt het uurtarief van € 270,-- inclusief btw door de rechtbank aanvaard gelet op de specialisatie van mr. Sobczak. De rechtbank zal het urenaantal matigen. Met MediRisk is de rechtbank van oordeel dat het verzoekschrift gelijkenis vertoont met de eerder verzonden brief, zij het niet in de mate die MediRisk veronderstelt. Het is wel aanleiding om het urenaantal voor het verzoekschrift bij te stellen naar 15 uur in plaats van 23 uur. De overige uren worden geaccepteerd, waardoor het totaal aantal te vergoeden uren uitkomt op 29,5. Daarmee komen de kosten van het deelgeschil op een totaal van € 9.637,65 inclusief btw, te verhogen met griffierecht € 311,--, totaal
€ 9.948,65. De rechtbank begroot de kosten van het deelgeschil op dit bedrag en zal MediRisk veroordelen tot betaling van dit bedrag van € 9.948,65 aan [verzoeksters] .
5.30.
De rechtbank zal deze uitspraak niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals [verzoeksters] vraagt, omdat niet rechtstreeks tegen een beschikking in een deelgeschilprocedure kan worden opgekomen. Dit volgt uit artikel 1019bb Rv.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
verklaart voor recht dat [verzoeksters] door het medisch onzorgvuldig handelen van MMC een kans van 30 % heeft verloren om de opleiding tot chirurg met succes af te ronden;
6.2.
veroordeelt MediRisk tot betaling aan [verzoeksters] van een bedrag van € 18.189,78 aan buitengerechtelijke kosten als bedoeld in r.o. 5.19;
6.3.
veroordeelt MediRisk tot betaling aan [verzoeksters] van een bedrag van € 19.144,05 aan kosten verband houdend met de getuigenverhoren als bedoeld in r.o. 5.24;
6.4.
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 9.637,65 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoeksters] betaalde griffierecht van € 311,-- en veroordeelt Medirisk tot betaling daarvan aan [verzoeksters] ,
6.5.
wijst hetgeen meer of anders is verzocht af.
Deze beschikking is gegeven door mr. O.R.M. van Dam en in het openbaar uitgesproken door mr. E.J.C. Adang op 26 maart 2026.