De rechtbank Oost-Brabant behandelde op 31 maart 2026 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het tegen de wil van het slachtoffer plegen van seksuele handelingen in de periode van augustus tot december 2021. Het slachtoffer, lijdend aan autisme en een verstandelijke beperking, had verklaard dat verdachte haar had misbruikt.
Hoewel de rechtbank de verklaring van het slachtoffer authentiek en op hoofdlijnen consistent achtte, ontbrak het aan voldoende steunbewijs. Getuigenverklaringen waren uitsluitend gebaseerd op wat het slachtoffer had verteld en boden geen zelfstandige waarnemingen. Emotionele uitingen van het slachtoffer konden ook andere oorzaken hebben dan het gedrag van verdachte.
Verdachte voerde dat het initiatief voor seksueel getinte gesprekken via beeldbellen van het slachtoffer uitging, wat de rechtbank niet overtuigend vond, maar dit leidde niet tot bewijs van fysiek seksueel misbruik. De rechtbank oordeelde dat de tenlastelegging niet bewezen kon worden en sprak verdachte vrij. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding en veroordeeld in de proceskosten, vastgesteld op nihil.