ECLI:NL:RBOBR:2026:2007

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
01/332431/22
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 lid 3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens gebrek aan steunbewijs in zaak seksuele handelingen tegen wil slachtoffer

De rechtbank Oost-Brabant behandelde op 31 maart 2026 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het tegen de wil van het slachtoffer plegen van seksuele handelingen in de periode van augustus tot december 2021. Het slachtoffer, lijdend aan autisme en een verstandelijke beperking, had verklaard dat verdachte haar had misbruikt.

Hoewel de rechtbank de verklaring van het slachtoffer authentiek en op hoofdlijnen consistent achtte, ontbrak het aan voldoende steunbewijs. Getuigenverklaringen waren uitsluitend gebaseerd op wat het slachtoffer had verteld en boden geen zelfstandige waarnemingen. Emotionele uitingen van het slachtoffer konden ook andere oorzaken hebben dan het gedrag van verdachte.

Verdachte voerde dat het initiatief voor seksueel getinte gesprekken via beeldbellen van het slachtoffer uitging, wat de rechtbank niet overtuigend vond, maar dit leidde niet tot bewijs van fysiek seksueel misbruik. De rechtbank oordeelde dat de tenlastelegging niet bewezen kon worden en sprak verdachte vrij. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding en veroordeeld in de proceskosten, vastgesteld op nihil.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende steunbewijs naast de verklaring van het slachtoffer.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team Strafrecht
Parketnummer: 01.332431.22
Datum uitspraak: 31 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1964] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van
18 maart 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 12 februari 2026. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2021 tot en met
31 december 2021 te Oost West en Middelbeers en/of Driebergen-Rijsenburg, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer] , van wie hij wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening en/of verstandelijke handicap leed dat deze niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten
-
het brengen/duwen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] en/of
- het (meermalen) brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer] en/of het (vervolgens) zich laten pijpen door die [slachtoffer] en/of
-
het betasten van de vagina, althans het lichaam, van die [slachtoffer] en/of brengen van een of meer van zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [slachtoffer] .
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie erop gewezen dat er een kennelijke verschrijving in de tenlastelegging is opgenomen. In plaats van Driebergen-Rijsenburg is opgenomen Driebergen-Rijsbergen. De rechtbank constateert daarnaast dat het slachtoffer [slachtoffer] heet, en niet [slachtoffer] . De rechtbank heeft deze verschrijvingen verbeterd in de tenlastelegging. De verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De beoordeling van het tenlastegelegde feit.

Het standpunt van de officier van justitie.
Op de in het schriftelijke requisitoir genoemde gronden heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging.
Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de verdediging vrijspraak van verdachte bepleit.
Het oordeel van de rechtbank.

Het juridische kader
De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het feit dat in de regel slechts de betrokken personen aanwezig zijn geweest bij de veronderstelde seksuele handelingen te weten het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader. Wanneer dan een veronderstelde dader ontkent dat de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, zoals in dit geval, dan leidt dat er in veel gevallen toe dat alleen de verklaring van het veronderstelde slachtoffer als wettig bewijs beschikbaar is.
Op grond van het bepaalde in artikel 342, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering is de enkele verklaring van een getuige (het veronderstelde slachtoffer) onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Het is voor een bewezenverklaring noodzakelijk dat er ook ander bewijs is, waaruit kan worden opgemaakt dat het tenlastegelegde feit is gepleegd. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat het niet nodig is dat in dit type zaken de seksuele of ontuchtige handelingen als zodanig bevestiging vinden in het andere bewijs. Het is voldoende dat de verklaring van het veronderstelde slachtoffer op onderdelen voldoende steun vindt in de andere bewijsmiddelen. Die andere bewijsmiddelen moeten wel afkomstig zijn van een andere bron dan het veronderstelde slachtoffer.
Van steunbewijs kan sprake zijn als een getuigenverklaring een zelfstandige, eigen waarneming inhoudt ten aanzien van de handelingen waar de verdachte van wordt beschuldigd of ten aanzien van de emotionele of fysieke toestand van het veronderstelde slachtoffer op het moment dat het strafbare feit plaatsvindt, of (vlak) daarna. Dit zogenaamde wettelijke bewijsminimum mag niet worden verward met een oordeel over de betrouwbaarheid van de verklaring van het veronderstelde slachtoffer. Dat staat hier los van. Het oordeel over de betrouwbaarheid zegt alleen iets over het waarheidsgehalte van die verklaring zelf, terwijl er daarnaast dus ook steunbewijs moet zijn om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

De betrouwbaarheid van de verklaringen van het slachtoffer [slachtoffer] .
Uit de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting van 18 maart 2026 is de rechtbank gebleken dat het slachtoffer, [slachtoffer] , lijdt aan autisme en aan een verstandelijke beperking. De mentor en bewindvoerder van het slachtoffer is de heer [bewindvoerder] . Op 18 januari 2022 heeft [bewindvoerder] aangifte gedaan nadat hij van anderen had gehoord dat het slachtoffer door verdachte zou zijn verkracht.
Op 11 maart 2022 is het slachtoffer gehoord. Van dat verhoor is het “verbatimverslag studioverhoor” opgemaakt. Voorafgaande aan dat verhoor heeft op 10 maart 2026 een voorbereidend gesprek op dit studioverhoor plaatsgevonden. Het slachtoffer heeft – kort en zakelijk weergegeven – verklaard door verdachte te zijn verkracht.
De rechtbank moet beoordelen of de verklaringen van het slachtoffer als voldoende betrouwbaar kunnen worden aangemerkt om als uitgangspunt te dienen bij de beoordeling van deze zaak. Bij de beoordeling daarvan wordt gekeken of de verklaringen van het slachtoffer onder meer concreet, gedetailleerd, authentiek en consistent zijn.
Kijkend naar de inhoud van het proces-verbaal opgemaakt van het informatief gesprek zeden en de daarna afgelegde verklaring van het slachtoffer, is de rechtbank van oordeel dat het slachtoffer authentiek en op hoofdlijnen consistent heeft verklaard. De rechtbank heeft onder ogen gezien dat de verklaringen van het slachtoffer niet uitblinken in helderheid over de volgorde en de momenten van de verweten gedragingen, maar dat doet geen afbreuk aan wat het slachtoffer over de inhoud van de gedragingen heeft verklaard. De rechtbank komt tot de conclusie dat de verklaringen van het slachtoffer betrouwbaar zijn en tot uitgangspunt kunnen dienen bij de beoordeling van deze zaak.

Het steunbewijs.
De volgende vraag die de rechtbank dient te beoordelen is of er ook sprake is van voldoende steunbewijs voor de verklaringen van het slachtoffer. Als er geen voldoende steunbewijs voorhanden is kan geen bewezenverklaring worden uitgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
De getuigen [bewindvoerder] en [getuige] , respectievelijk de mentor/bewindvoerder en de moeder van het slachtoffer, zijn niet aanwezig geweest toen de tenlastegelegde handelingen tussen het slachtoffer en verdachte zouden hebben plaatsgevonden. De wetenschap die zij daarover hebben is van één bron afkomstig, namelijk van het slachtoffer zelf. Wat de getuigen verklaren over wat tussen het slachtoffer en verdachte zou zijn voorgevallen, kan de verklaring van aangeefster op dat onderdeel dan ook niet ondersteunen.
De rechtbank neemt op basis van de getuigenverklaringen aan dat aangeefster in een emotionele toestand verkeerde op het moment dat zij met de getuigen [bewindvoerder] en [getuige] heeft gesproken over wat er tussen haar en verdachte zou zijn voorgevallen. De rechtbank is echter van oordeel dat die emoties onvoldoende steunbewijs bieden voor de conclusie dat verdachte het slachtoffer tot seksueel contact heeft gedwongen omdat niet kan worden uitgesloten dat er ook andere oorzaken voor het emotionele gedrag van het slachtoffer kunnen zijn.
Verdachte heeft via beeldbellen seksueel getinte gesprekken met het slachtoffer gevoerd waarin zij foto’s en filmpjes met een seksuele lading naar elkaar hebben gezonden waarop zij deels naakt waren. Verdachte heeft hierover (bij de politie en ter zitting) verklaringen afgelegd die erop neerkomen dat het initiatief voor deze gesprekken bij het slachtoffer lag. De verklaringen van verdachte overtuigen de rechtbank niet. Echter volgt uit het plaatsvinden van die gesprekken nog niet dat het slachtoffer ook fysiek seksueel is misbruikt. Dat verdachte geïnteresseerd was in seksueel contact met het slachtoffer is hiervoor onvoldoende.

De conclusie.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat er onvoldoende bewijs is om de verklaring van het slachtoffer te kunnen ondersteunen, dat zij tegen haar wil (seksuele) handelingen met verdachte heeft moeten plegen. In de gegeven omstandigheden is de rechtbank niet in staat om buiten gerede twijfel vast te stellen of verdachte de ten laste gelegde handelingen heeft begaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat de beschuldiging zoals die aan verdachte ten laste is gelegd, niet bewezen kan worden. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].
Nu verdachte van het hem ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken, dient de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk te worden verklaard.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. De benadeelde partij wordt niet ontvankelijk verklaard in de vordering waardoor niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vordering terecht is ingediend. De benadeelde partij zal daarom worden veroordeeld in de kosten die verdachte heeft gemaakt om tegen de vordering in te gaan. De rechtbank oordeelt dat niet is gesteld of gebleken dat verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en stelt de kosten daarom vast op nihil.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
Spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :
Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.F.N. van Schaijk, voorzitter,
mr. J.G. Vos en mr. S.V. Vullings, leden,
in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,
en is uitgesproken op 31 maart 2026.