ECLI:NL:RBOBR:2026:2008

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
01/153352/52
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 9 Wetboek van StrafrechtArt. 14a Wetboek van StrafrechtArt. 14b Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkeersongeval onder invloed met lichamelijk letsel en negeren rood licht

Op 1 augustus 2024 reed verdachte onder invloed van alcohol (1,55 mg/ml) over de busbaan en negeerde een rood verkeerslicht op de kruising Veldmaarschalk Montgomerylaan met Europalaan te Eindhoven. Hierdoor veroorzaakte hij een aanrijding met een andere auto, bestuurd door het slachtoffer, die ernstig lichamelijk letsel opliep, waaronder een hersenschudding en gekneusde ribben. Het slachtoffer was ruim twee maanden arbeidsongeschikt.

De rechtbank oordeelde dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend handelde, wetende dat hij te veel had gedronken om te rijden. Verdachte had zijn rijgedrag niet onder controle en bracht daarmee de verkeersveiligheid ernstig in gevaar. Na het ongeval verliet verdachte aanvankelijk de plaats, maar keerde later vrijwillig terug en werkte mee aan het onderzoek.

De rechtbank stelde vast dat verdachte geen ontheffing had om op de busbaan te rijden en dat hij het rode licht negeerde. De dubbele causaliteit tussen het rijgedrag, het ongeval en het letsel van het slachtoffer was overtuigend bewezen. Verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur, een gedeeltelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor drie jaar waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een vervangende hechtenis van 120 dagen bij niet-naleving van de taakstraf.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 240 uur taakstraf en gedeeltelijke rijontzegging van drie jaar waarvan één jaar voorwaardelijk.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team Strafrecht
Parketnummer: 01.153352.25
Datum uitspraak: 31 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [verdachte] op [2001] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van
18 maart 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 12 februari 2026. Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij:
1.
op of omstreeks 1 augustus 2024, te Eindhoven, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Veldmaarschalk Montgomerylaan, gekomen op of ter hoogte van de kruising van die weg met de weg Europalaan zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
  • te rijden na het gebruik van alcohol,
  • te rijden op de busbaan, terwijl hij, verdachte, geen ontheffing heeft om te rijden op die busbaan,
  • via de busbaan de kruising op te rijden,
  • (daarbij) een in zijn, verdachtes, rijrichting rood licht uitstralend verkeerslicht te negeren,
  • (daarbij) zijn aandacht niet, althans niet voortdurend op het verkeer op die kruising heeft gehouden en/of
  • tegen een op die kruising rijdende personenauto te botsen/rijden,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten gekneusde ribben, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 eerste Pro, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
op of omstreeks 1 augustus 2024, te Eindhoven, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Veldmaarschalk Montgomerylaan, gekomen op of ter hoogte van de kruising van die weg met de weg Europalaan,
  • heeft gereden na het gebruik van alcohol,
  • heeft gereden op de busbaan, terwijl hij, verdachte, geen ontheffing heeft om te rijden op die busbaan,
  • via de busbaan de kruising op is gereden,
  • (daarbij) een in zijn, verdachtes, rijrichting rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd
  • (daarbij) zijn aandacht niet, althans niet voortdurend op het verkeer op die kruising heeft gehouden en/of

tegen een op die kruising rijdende personenauto is gebotst/gereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.
op of omstreeks 1 augustus 2024 te Eindhoven, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,55 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De beoordeling van de tenlastegelegde feiten.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Zij kwalificeert het gedrag van verdachte als zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Het letsel dat het slachtoffer [slachtoffer] door de aanrijding heeft opgelopen, kwalificeert zij als letsel waardoor tijdelijke ziekte en verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Het onder 2 tenlastegelegde feit is in de ogen van de officier van justitie eveneens wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging.
Op de in de pleitnota genoemde gronden en de daarop ter terechtzitting van 18 maart 2026 gegeven toelichting, heeft de verdediging vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde feit bepleit..
Over het bewijs van de onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde feiten heeft de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.
Het oordeel van de rechtbank.
De bewijsmiddelen
Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Nadere overwegingen van de rechtbank

De feiten
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op 1 augustus 2024 als bestuurder van een personenauto bij een aanrijding betrokken is geweest. Verdachte verkeerde op het moment van de aanrijding onder invloed van alcohol. Voorafgaande aan de aanrijding reed verdachte over de busbaan en is hij de kruising van de Veldmaarschalk Montgomerylaan met de Europalaan in Eindhoven opgereden. Daarbij heeft verdachte een voor hem geldend rood (bus)verkeerslicht genegeerd. Vervolgens is hij op die kruising in aanrijding gekomen met de door het slachtoffer [slachtoffer] bestuurde personenauto. Door de aanrijding heeft [slachtoffer] lichamelijk letsel opgelopen.
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen staat vast dat verdachte over de busbaan heeft gereden. Onder het tweede gedachtestreepje is zowel bij feit 1 primair als bij feit 1 subsidiair aan verdachte ten laste gelegde dat hij over die busbaan is gereden, terwijl hij daartoe geen ontheffing had. De rechtbank is van oordeel dat het een feit van algemene bekendheid is dat aan particuliere bestuurders in personenauto’s geen ontheffing wordt verleend over de busbaan te rijden tenzij blijkt van feiten of omstandigheden waaruit volgt dat die ontheffing wel is verleend. Van dergelijke feiten of omstandigheden is ten aanzien van verdachte niet gebleken.

Het beoordelingskader
Vooreerst merkt de rechtbank op dat niet de vraag aan de rechtbank voorligt of verdachte opzet heeft gehad op het veroorzaken van de tenlastegelegde aanrijding. Dat is ook niet het verwijt dat hem wordt gemaakt. De vraag die de rechtbank in deze zaak moet beantwoorden is of verdachte zich zodanig heeft gedragen dat door zijn schuld een ander lichamelijk letsel werd toegebracht zoals bedoeld in artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.
Op grond van vaste jurisprudentie gaat het bij de vaststelling of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 om het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst van deze gedragingen en de overige omstandigheden van het geval. Vastgesteld dient te worden of verdachte verwijtbaar heeft gehandeld. Het komt er daarbij op aan of verdachte tekort is geschoten in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. Daarbij is van belang dat niet al uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat strafrechtelijk sprake is van schuld in voornoemde zin.

Verwijtbaar handelen van verdachte
Bij de beoordeling of sprake is van verwijtbaar handelen is voor de rechtbank in de eerste plaats de door verdachte genuttigde hoeveelheid alcohol van belang. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij kort voor de aanrijding bier en alcoholische mixdranken had gedronken en dat hij wist dat hij te veel had gedronken om nog een auto te mogen besturen. Verdachte heeft een voorlopige ademtest gedaan, waar een uitslag G/F volgt (positief). Om 06:25 uur is, met gevraagde toestemming van verdachte, bloed afgenomen door een verpleegkundige. Het gehalte ethanol in zijn bloed bedroeg precies 1,55 milligram ethanol per milliliter bloed, Dat is drie keer de voor verdachte toegestane hoeveelheid. Hieruit volgt dat verdachte fors onder invloed van alcoholhoudende drank was toen de aanrijding plaatsvond.
De rechtbank weegt in haar oordeel ook het rijgedrag van verdachte vlak voor en ten tijde van de aanrijding mee. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij over de busbaan heeft gereden, dat hij niet heeft gezien dat het voor hem geldende verkeerslicht rood licht uitstraalde en dat hij de door het slachtoffer bestuurde personenauto voorafgaande aan de aanrijding niet heeft waargenomen. In de kern komt deze verklaring erop neer dat verdachte zich er niet van bewust was dat hij over de busbaan en door rood reed. De rechtbank weegt deze gedragingen niettemin als afzonderlijke gedragingen mee bij het vaststellen van de mate van schuld, nu verdachte zelf verantwoordelijk is voor de toestand van verminderd bewustzijn, waarin hij zichzelf had gebracht.
Het staat niet ter discussie – en de rechtbank is van oordeel – dat het verkeersongeval is veroorzaakt door het hiervoor genoemde rijgedrag van verdachte. In de weg- en weersomstandigheden zijn geen aanwijzingen te vinden die een verklaring opleveren voor een alternatieve oorzaak.
Alles overwegende komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte, terwijl hij onder invloed verkeerde van een ontoelaatbare hoeveelheid alcohol en terwijl het zicht voor hem niet werd belemmerd, niet in elk geval niet voldoende heeft gelet de kruising die hij naderde en op andere verkeersdeelnemers die dezelfde kruising naderden. Het is aan deze combinatie van gedragingen van verdachte te wijten dat hij het slachtoffer [slachtoffer] heeft aangereden.

Mate van schuld
De rechtbank kwalificeert de mate van schuld van verdachte als zeer onvoorzichtig en onoplettend. De rechtbank komt hiertoe door de aard, de ernst en het samenstel van de gedragingen van verdachte. Verdachte verkeerde dusdanig onder invloed van alcohol dat hij niet meer in staat was een auto te besturen. Dat wist verdachte, maar toch stapte hij achter het stuur. Zijn waarnemingsvermogen was zodanig ernstig aangetast dat hij niet meer in staat was op de voor hem bestemde weg te blijven rijden en op de busbaan belandt. Ook was hij niet meer in staat om zijn omgeving en medeweggebruikers op te merken en daarop te anticiperen. Van dergelijk rijgedrag als autobestuurder gaat levensgevaar uit voor andere verkeersdeelnemers. Dergelijk gedrag kan naar het oordeel van de rechtbank daarom niet anders dan als zeer onvoorzichtig en onoplettend worden gekwalificeerd.

Het letsel
Uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt dat het slachtoffer [slachtoffer] als gevolg van de aanrijding een hersenschudding en gekneusde ribben heeft opgelopen. [slachtoffer] heeft na het ongeval 4 a 5 weken niet kunnen werken en pas op 19 november 2024 zijn werkzaamheden volledig hervat. De rechtbank kwalificeert dit letsel als zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van zijn normale bezigheden is ontstaan.

Dubbele causaliteit
Artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 vereist een dubbele causaliteit. Er dient een causaal verband te zijn tussen de verweten gedraging en het verkeersongeval. Daarbij is de vraag of het verkeersongeval in redelijkheid toe te rekenen is aan de verdachte. Die vraag heeft de rechtbank hiervoor bevestigend beantwoord. Daarnaast dient er causaliteit te zijn tussen het verkeersongeval en het letsel van het slachtoffer.
[slachtoffer] was ten tijde van het ongeval onderweg naar zijn werk, en was toen in staat om te werken. Zoals hierboven onder het kopje “Het letsel” al is aangegeven is het letsel van [slachtoffer] ontstaan door de aanrijding en heeft [slachtoffer] pas ruim twee maanden nadat het verkeersongeval had plaatsgevonden, zijn werkzaamheden kunnen vervatten. Daarmee is voldaan aan de vereiste dubbele causaliteit in de zin van artikel 6 van Pro Wegenverkeerswet 1994.
De conclusie.
Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling overleg en samenhang bezien met wat hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen, een en ander zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader zal worden omschreven.

De bewezenverklaring.

De rechtbank komt tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
1.
op 1 augustus 2024, te Eindhoven, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Veldmaarschalk Montgomerylaan, gekomen op of ter hoogte van de kruising van die weg met de weg Europalaan zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend,
  • te rijden na het gebruik van alcohol,
  • te rijden op de busbaan, terwijl hij, verdachte, geen ontheffing heeft om te rijden op die busbaan,
  • via de busbaan de kruising op te rijden,
  • daarbij een in zijn, verdachtes, rijrichting rood licht uitstralend verkeerslicht te negeren,
  • daarbij zijn aandacht niet, althans niet voortdurend op het verkeer op die kruising heeft gehouden en
  • tegen een op die kruising rijdende personenauto te rijden,

waardoor een ander genaamd [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 tweede Pro lid van de Wegenverkeerswet 1994.

2.
op 1 augustus 2024 te Eindhoven, als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,55 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De rechtbank is van oordeel dat de onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde feiten in eendaadse samenloop zijn begaan.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten zal worden veroordeeld tot:
  • taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis,
  • een gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en
  • een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier jaren.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
Op de in pleitnota genoemde gronden en de daarop ter terechtzitting gegeven aanvulling heeft de verdediging bepleit verdachte niet tot een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid te veroordelen, maar om te volstaan met een taakstraf van 140 uren en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van negen maanden.
Het oordeel van de rechtbank.

algemeen
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

de ernst van de bewezenverklaarde feiten
Al rijdend over de busbaan heeft verdachte als bestuurder van een personenauto een aanrijding veroorzaakt. Door deze aanrijding heeft een medeweggebruiker, het slachtoffer [slachtoffer] , lichamelijk letsel opgelopen met als gevolg dat het slachtoffer gedurende ongeveer twee maanden zijn werkzaamheden niet of beperkt heeft kunnen uitvoeren. Voor het slachtoffer was de aanrijding een zeer ingrijpende gebeurtenis omdat hij groen licht had, de kruising met de voor het verkeer openstaande weg al over was en plots vanaf de busbaan in de flank werd gereden waardoor zijn personenauto op de zijkant terecht kwam. Het slachtoffer zat bekneld in zijn auto en moest uit die benarde positie worden bevrijd. Door zijn gedrag heeft verdachte een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en zijn lichamelijke integriteit aangetast.

strafverzwarende omstandigheden
Verdachte heeft onder invloed van tien tot twaalf glazen alcoholhoudende drank een personenauto bestuurd. Verdachte wist dat hij na de consumptie van een dergelijke hoeveelheid alcohol geen auto mocht rijden. Het is een feit van algemene bekendheid dat het besturen van een motorvoertuig na het nuttigen van zoveel alcoholhoudende drank als hiervoor bewezen is verklaard, tot ernstige gevolgen kan leiden. Die wetenschap heeft verdachte er niet van weerhouden in zijn auto te stappen en te gaan rijden. Deze houding neemt de rechtbank verdachte kwalijk. Verdachte wist dat hij niet in staat was te rijden, toch deed hij dat wel. Verdachte had andere keuzes moeten maken. Zo had verdachte er voor kunnen kiezen om niet te gaan rijden nadat hij gedronken had. Of hij had er voor kunnen kiezen om opgehaald te worden. Dit heeft hij niet gedaan met alle gevolgen van dien.
Verdachte heeft gehandeld in strijd met de belangen van de verkeersveiligheid. Hij heeft niet de verantwoordelijkheid getoond die in een dergelijk geval van een verkeersdeelnemer mag worden verwacht. Daardoor heeft verdachte de verkeersveiligheid in gevaar gebracht en heeft hij gehandeld in strijd met de belangen van de andere verkeersdeelnemers. Dat het forse alcoholgebruik debet is geweest aan het maken van de verkeerde keuze, ontslaat verdachte niet van zijn verantwoordelijkheid en schuld in deze. In die situatie heeft hij zichzelf gebracht.
Na het ongeval heeft verdachte aanvankelijk de plaats van het ongeval verlaten, daarbij het slachtoffer in hulpeloze toestand achterlatend. Ook dit rekent de rechtbank verdachte aan.

de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
Verdachte is in het verleden niet eerder voor soortgelijke delicten veroordeeld. Wel heeft hij een tweetal strafbeschikkingen betaald voor snelheidsovertredingen. Kennelijk nam verdachte het niet zo nauw met de naleving van de verkeersregels en de veiligheid van zijn medeweggebruikers. Nadat verdachte aanvankelijk de plaats van het ongeval had verlaten, is hij vrij snel daarna vrijwillig teruggekeerd en heeft hij zich bij de politie kenbaar gemaakt als betrokkene bij de aanrijding. Daarna heeft verdachte zijn medewerking aan het onderzoek verleend en heeft hij het initiatief genomen hulp te zoeken om herhaling van het bewezenverklaarde gedrag te voorkomen.

samenloop
Naar het oordeel van de rechtbank is tussen de bewezenverklaarde feiten sprake van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het onder invloed van alcohol veroorzaken van een verkeersongeval (feit 1) en het rijden onder invloed van alcohol (feit 2) leveren een dusdanig samenhangend, op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat verdachte daarvan in wezen één verwijt kan worden gemaakt. De strekking van de desbetreffende strafbepalingen – bescherming van de verkeersveiligheid – komt in grote mate overeen. Om onevenredige aansprakelijkheid te voorkomen zal de rechtbank hier in de strafoplegging rekening mee houden.

de strafmodaliteit
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
De rechtbank acht oplegging van de maximale taakstraf passend en geboden. Voor het geval de verdachte de taakstraf niet naar behoren vervult, zal de rechtbank bevelen dat aan hem vervangende hechtenis zal worden opgelegd voor de hierna te vermelden duur. De rechtbank is echter ook van oordeel dat uit het oogpunt van juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met enkel het opleggen van deze taakstraf. Daarom zal de rechtbank ook een gedeeltelijk onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid aan verdachte opleggen.
Ter terechtzitting van 18 maart 2026 heeft de verdediging aangevoerd dat het bezit van zijn rijbewijs voor verdachte noodzakelijk is voor zijn woon- werkverkeer. Dit gecombineerd met het feit dat niet is gebleken dat verdachte zich na de hiervoor bewezenverklaarde aanrijding aan verkeersdelicten schuldig heeft gemaakt, maakt in de ogen van de verdediging dat oplegging van een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid overbodig is.
De rechtbank is van oordeel dat oplegging van een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid niet passend is bij de ernst van de hiervoor bewezenverklaarde handelingen. Om verkeersdeelnemers te beveiligen tegen het onverantwoorde gedrag van verdachte kan niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gedeeltelijk onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. Het persoonlijke belang dat verdachte heeft bij het behoud van zijn rijbewijs dient naar het oordeel van de rechtbank te wijken voor het belang van de verkeersveiligheid dat met een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van de verdachte wordt gediend.
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

de conclusie
Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is verdachte te veroordelen tot:
  • een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis en
  • een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Bij de tenuitvoerlegging van deze ontzegging zal de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest op het onvoorwaardelijk gedeelte van deze straf in mindering worden gebracht.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 55 van het Wetboek van Strafrecht en
6, 8, 175, 176 en 179 Wegenverkeerswet 1994.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
Verklaart de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit.

overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht
ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feit.

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994(1,55 milligram).

Feit 1 en 2 zijn in eendaadse samenloop gepleegd.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straffen
ten aanzien van de onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde feiten.
 een
taakstrafvoor de duur
van 240 uren[tweehonderd veertig uren] te vervangen door 120 dagen hechtenis indien veroordeelde deze taakstraf niet of niet naar behoren verricht.
 een
ontzeggingvan de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur
van drie jaren.
Bepaalt dat een gedeelte van deze ontzegging groot
één jaar niet ten uitvoerzal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat veroordeelde zich voor het einde van een
proeftijd van twee jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde vóór het tijdstip waarop de bijkomende straf ingaat, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van het onvoorwaardelijk gedeelte van die straf geheel in mindering wordt gebracht.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.G. Vos, voorzitter,
mr. C.F.N. van Schaijk en mr. S.V. Vullings, leden,
in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,
en is uitgesproken op 31 maart 2026.