ECLI:NL:RBOBR:2026:2014

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
01/318863-22
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 57 SrArt. 2 OpiumwetArt. 3 OpiumwetArt. 10 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot 18 maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van voorhanden hebben van grote hoeveelheden verdovende middelen in woning

Op 6 december 2022 werd in de woning van de verdachte te Helmond een grote hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen, waaronder cocaïne, MDMA en hennep. De verdachte werd beschuldigd van medeplegen van het voorhanden hebben van deze middelen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte wetenschap had van en beschikkingsmacht over de drugs, mede door haar actieve betrokkenheid en het ter beschikking stellen van haar woning.

De verdediging voerde aan dat de verdachte geen wetenschap had van de drugs en dat de middelen mogelijk zonder haar medeweten waren opgeslagen. Dit werd door de rechtbank verworpen op basis van onder meer WhatsApp-berichten, verklaringen en gedragingen van de verdachte. De rechtbank sprak de verdachte echter vrij van het onderdeel heroïne, omdat dit niet wettig en overtuigend was bewezen.

De rechtbank achtte de verdachte medepleger en veroordeelde haar tot 18 maanden gevangenisstraf, waarbij rekening werd gehouden met de ernst van de feiten, haar persoonlijke omstandigheden en de overschrijding van de redelijke termijn. De straf is onvoorwaardelijk en hoger dan de eis van de officier van justitie vanwege de ernst van het delict.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van het aanwezig hebben van grote hoeveelheden verdovende middelen in haar woning.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01-318863-22
Datum uitspraak: 31 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1980] ,
wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding 3 maart 2026.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1:
zij op of omstreeks 6 december 2022 te Helmond, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 8.090 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 1.500 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, en/of ongeveer 6.300 tabletten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of heroïne en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 6 december 2022 te Helmond, met elkaar, althans één van hen, opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan [adres 2] ) ongeveer 8.090 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 1.500 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, en/of ongeveer 6.300 tabletten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of heroïne en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 1 november 2022 tot en met 6 december 2022, althans op of omstreeks 6 december 2022 te Helmond, in elk geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die [medeverdachte] en/of aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de opslag van die hoeveelheden materialen bevattende cocaïne en/of heroïne en/of MDMA ter beschikking te stellen;
feit 2:
zij op of omstreeks 6 december 2022 te Helmond, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 21.090 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of ongeveer 14.090 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 6 december 2022 te Helmond, met elkaar, althans één van hen, opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan [adres 2] ) ongeveer 21.090 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of ongeveer 14.090 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 1 november 2022 tot en met 6 december 2022, althans op of omstreeks 6 december 2022 te Helmond, in elk geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die [medeverdachte] en/of aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de opslag van die hoeveelheden hasjiesj en/of hennep ter beschikking te stellen.

De formele voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag

Inleiding
Op 6 december 2022, omstreeks 03.28 uur, is er een melding binnengekomen bij de politie van de bewoonster van [adres 2] te Helmond (hierna: de verdachte). De verdachte vertelt dat ze op haar balkon staat met haar twee dochters en dat er op dat moment door personen wordt gevochten in haar woning. Ook vertelt ze dat er personen spullen bewaren in haar woning.
Op het moment dat de politie ter plaatse is, blijkt dat twee personen vanuit de voorzijde van de woning zijn weggerend. Een ander persoon, [medeverdachte] , (hierna: [medeverdachte] ) verliet via de achterzijde de woning. In de woning wordt een grote hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen.
De verdachte wordt verweten dat zij zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een hoeveelheid hennep, cocaïne, heroïne en MDMA, dan wel dat zij medeplichtig is geweest hieraan.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij meent echter dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het medeplegen. Voor wat betreft het onder 1 ten laste gelegde feit heeft de officier van justitie partiële vrijspraak bepleit van het onderdeel van de tenlastelegging dat betrekking heeft op heroïne.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Op specifieke standpunten gaat de rechtbank hierna in, voor zover dat nodig is.
Het oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
Vaststaat dat alle in de tenlastelegging onder feit 1 en 2 genoemde verdovende middelen (met uitzondering van heroïne) op 6 december 2022 in de woning van de verdachte zijn aangetroffen, namelijk in een kist op de slaapkamer van één van haar dochters (1e verdieping), in tassen in het washok (2e verdieping) en in tassen op de zolder. Op een aantal van deze tassen is een DNA-mengprofiel aangetroffen, dat matcht met het DNA van [medeverdachte] .
Tijds- en plaatsbepaling
De verdediging heeft betoogd dat er onduidelijkheid bestaat over wanneer de verdovende middelen in de woning zijn gebracht, hoelang deze zich daar bevonden, en of deze zijn verplaatst in de tijd dat de verdachte op het balkon stond.
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging. Voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde is niet vereist dat met precisie kan worden vastgesteld op welk moment de verdovende middelen in de woning zijn gebracht, hoelang deze zich daar hebben bevonden en of zij tussentijds zijn verplaatst. Doorslaggevend is of kan worden vastgesteld dat de verdovende middelen zich op de tenlastegelegde datum in de woning bevonden en dat de verdachte daarvan wetenschap had en daarover beschikkingsmacht kon uitoefenen.
Wetenschap en beschikkingsmacht
De vraag die de rechtbank dan ook moet beantwoorden, is of de verdachte wetenschap had van en beschikkingsmacht had over de aangetroffen verdovende middelen.
De rechtbank stelt voorop dat de verdachte als bewoner van haar woning geacht wordt bekend te zijn met alles wat zich in die woning bevindt en zij daarover in beginsel ook de beschikkingsmacht heeft. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als de verdachte een aannemelijke verklaring heeft voor het tegendeel. De verdachte heeft in dit verband gesteld dat zij geen wetenschap had van de verdovende middelen in haar woning. Zij heeft verklaard dat [medeverdachte] haar zolder heeft gehuurd voor het opslaan van klusspullen. Hiervoor betaalde hij een bedrag van € 50,- of hij betaalde sushi voor haar.
De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat de verdachte tegen haar Whatsappcontact [naam] , in de periode van 2 juli 2022 tot en met 14 november 2022, meermalen heeft aangegeven dat zij iets wil bijverdienen en dit bij voorkeur zwart doet. In deze gesprekken geeft ze aan dat haar zolder gebruikt kan worden en dat ze veel plaats heeft. Nadat [naam] haar op 1 augustus 2022 in contact brengt met (de voor haar onbekende) [medeverdachte] , dringt de verdachte telkens bij hem aan om te gaan beginnen. Kort nadat ze zijn begonnen, geeft ze [medeverdachte] de sleutel van haar woning, en zag ze hem tassen naar zolder brengen. Hij kwam dagelijks langs, ook gedurende de nachtelijke uren en zonder haar medeweten. Dat de verdachte voor het verrichten van deze diensten slechts een zeer geringe vergoeding zou ontvangen, past niet bij hetgeen uit het dossier naar voren komt omtrent haar financiële situatie en de inkomsten die zij destijds genoot. De verdachte had een goed inkomen. Tegen die achtergrond acht de rechtbank het ongeloofwaardig dat de verdachte zich voor een minimale vergoeding zou hebben ingelaten met de opslag van klusspullen van een relatieve onbekende, waarvoor [medeverdachte] de sleutel van de woning - waar zij ook met haar kinderen verbleef - had, op elk moment van de dag langskwam, en waarover veelvuldig contact was. De verklaring van verdachte strookt bovendien niet met de verklaring van [medeverdachte] dat zij elk € 500,- per week genoten voor de opslag van softdrugs in de woning van de verdachte. De rechtbank ziet verder bevestiging voor het feit dat verdachte actief betrokken was bij de opslag van drugs in haar woning in haar handelen op 1 november 2022. Op die dag heeft zij – zo volgt uit de bewijsmiddelen - de neef van [medeverdachte] op instigatie van [medeverdachte] drie uur en driekwartier rondgereden (reisafstand van 350 kilometer) om een tas af te geven, waarbij de verdachte [medeverdachte] moest videobellen als zij met ‘haar’ was en voordat ‘het’ werd afgegeven. Afgifte van een pakket op deze manier past naar het oordeel van de rechtbank bij het doen van een drugstransactie. Dat verdachte ook deze activiteit tegen een kleine vergoeding zou hebben verricht zonder daar enige vraag bij te stellen acht de rechtbank eveneens ongeloofwaardig.
Dit alles bij elkaar maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte wetenschap had dat [medeverdachte] zich bezighield met verdovende middelen, dat zij geld wilde verdienen en om deze reden de gelegenheid bood deze verdovende middelen - gedurende een langere tijd - in haar woning op te slaan. Doordat de verdovende middelen met haar wetenschap in haar woning werden opgeslagen, had zij ook de beschikkingsmacht over de verdovende middelen. Dat de aangetroffen verdovende middelen mogelijk zijn binnengebracht op een moment dat de verdachte sliep, doet hier gelet op het voorgaande niet aan af.
Medeplegen
De rechtbank is eveneens van oordeel dat ten aanzien van beide feiten sprake was van medeplegen tussen de verdachte en [medeverdachte] . Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat de verdachte op zoek is gegaan naar extra verdiensten, heeft geïnitieerd om haar woning ter beschikking te stellen en heeft aangedrongen om te ‘beginnen’. Vervolgens heeft [medeverdachte] in haar woning verdovende middelen gestald, waartoe [medeverdachte] toegang werd verschaft doordat de verdachte een sleutel ter beschikking had gesteld. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij en de verdachte beiden de helft van de met de opslag gemoeide opbrengst kregen. Daar komt bij dat zij hierover veelvuldig contact hebben gehad. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte zodanig nauw en bewust met hem heeft samengewerkt dat zij als medepleger van het opzettelijk aanwezig hebben van de verdovende middelen dient te worden aangemerkt.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 en 2 ten laste gelegde.
Partiële vrijspraak
De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan voor zover dat betrekking heeft op heroïne. De rechtbank heeft geconstateerd dat uit het NFI-rapport van 17 maart 2023 volgt dat de aangetroffen stof die indicatief getest werd als heroïne, cafeïne en paracetamol bleek te zijn. De rechtbank zal de verdachte dan ook partieel vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

De bewezenverklaring

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte
Feit 1, primair:
op 6 december 2022 te Helmond, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad 8.090 gram van een materiaal bevattende cocaïne en 6.300 tabletten van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
Feit 2, primair:
op 6 december 2022 te Helmond, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad 21.090 gram, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en 14.090 gram zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf

De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van 376 dagen met aftrek van de duur van het voorarrest, waarvan 360 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd een taakstraf van 240 uren, te vervangen door 120 dagen vervangende hechtenis.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met een ander opzettelijk aanwezig hebben van een grote hoeveelheid cocaïne, MDMA en hennep. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schadelijk zijn voor de volksgezondheid en dat gebruik ervan bezwarend is voor de samenleving, onder andere vanwege de criminaliteit die het gebruik van dergelijke verdovende middelen veelal met zich brengt. De verdachte heeft dit, met het in haar woning opslaan van verdovende middelen, mede in stand gehouden. Het baart de rechtbank daarnaast zorgen dat de verdachte haar woning ter beschikking heeft gesteld voor de opslag van verdovende middelen, terwijl haar dochters tevens in die woning verbleven en er voortdurend iemand in en uit kon lopen in verband met die opslag. De rechtbank neemt het de verdachte ernstig kwalijk dat zij hier geen oog voor heeft gehad, maar uitsluitend heeft gehandeld uit financieel gewin.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 6 februari 2026, waaruit volgt dat zij niet eerder is veroordeeld.
Bij de strafmaatbepaling heeft de rechtbank verder acht geslagen op een de verdachte betreffend adviesrapport van Reclassering Nederland van 28 januari 2026. De reclassering schat het risico op recidive in als laag. Zij zien geen aanknopingspunten voor het opstellen van een plan van aanpak voor begeleiding, gedragsinterventie of behandeling. Het ten laste gelegde lijkt een incidenteel karakter te hebben. De reclassering ziet verder geen aanwijzingen voor een negatief sociaal netwerk bij de verdachte of een pro-criminele houding. De reclassering adviseert dan ook bij een veroordeling van de verdachte haar op te leggen een straf zonder bijzondere voorwaarden. Voor wat betreft de straf wijst de reclassering erop dat een gevangenisstraf grote gevolgen zal hebben voor haar leven, haar werk, haar kinderen en haar psychisch welzijn.
Redelijke termijn
Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank tevens gelet op het feit dat de verdachte het recht heeft om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt geldt dat binnen twee jaar na aanvang van de op zijn redelijkheid te toetsen termijn door de rechtbank moet zijn beslist, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen op 6 december 2022, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld. Zij kon daaraan in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen haar strafvervolging zou worden ingesteld. De termijn eindigt met het wijzen van dit vonnis op 31 maart 2026. Hieruit volgt dat de termijn waarbinnen de verdachte had moeten worden berecht met ruim 1 jaar en 3 maanden is overschreden. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdachte, acht de rechtbank het op zijn plaats dat de overschrijding van de redelijke termijn leidt tot matiging van de straf.
Strafoplegging
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten dienen als algemeen vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Voor het opzettelijk aanwezig hebben van 9.000-10.000 gram harddrugs gaan de oriëntatiepunten uit van een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden. Voor het opzettelijk aanwezig hebben van 25.000-250.000 gram softdrugs gaan de oriëntatiepunten uit van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.
De rechtbank houdt in strafverminderende zin nadrukkelijk rekening met zowel de rol van de verdachte als de ouderdom van de zaken. Ten aanzien van de rol van de verdachte overweegt de rechtbank dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat zij geen leidende rol heeft vervuld bij de gepleegde feiten. [medeverdachte] beschikte over de benodigde contacten en voerde de regie over de uitvoering. Dit maakt dat het aandeel van de verdachte als minder zwaarwegend dient te worden aangemerkt in vergelijking met haar medeverdachte. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat de feiten geruime tijd geleden hebben plaatsgevonden. Sindsdien is een aanzienlijke periode verstreken waarin de verdachte, voor zover bekend, niet opnieuw met politie of justitie in aanraking is gekomen. De lange tijd die is verstreken sinds het plegen van de feiten, zonder dat sprake is geweest van recidive, duidt erop dat de verdachte haar leven kennelijk een andere wending heeft gegeven. Om deze reden zal de rechtbank ook geen voorwaardelijke straf opleggen.
Alles afwegende zal de rechtbank desalniettemin een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt. Gelet ook op de eerdergenoemde oriëntatiepunten kan, ondanks dat verdachte haar leven inmiddels een andere wending heeft gegeven, en ondanks de grote gevolgen voor haar leven, niet worden volstaan met een andere straf dan een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht alles overziend een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden passend.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

Toepasselijke wetsartikelen

De beslissing is gegrond op de artikelen:
  • 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht;
  • 2, 3, 10, 11 van de Opiumwet.

De uitspraak

De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.
verklaart dat het bewezen verklaarde de misdrijven opleveren:
Feit 1, primair:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod
Feit 2, primair:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod
verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straf:
t.a.v. feit 1 primair, feit 2 primair:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
18 maandenmet aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A. Bernsen, voorzitter,
mr. F. Kooijman en mr. E.M.J. Raeijmaekers, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R. Ringeling, griffier,
en is uitgesproken op 31 maart 2026.