De rechtbank Oost-Brabant heeft op 31 maart 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het voorhanden hebben van grote hoeveelheden verdovende middelen en het bezit van een vuurwapen en pepperspray. De rechtbank sprak verdachte vrij van het bezit van het vuurwapen en de pepperspray omdat een alternatief scenario niet kon worden uitgesloten, waarbij verdachte mogelijk het wapen en de pepperspray ongewild in handen had gekregen tijdens een worsteling.
Voor de feiten met betrekking tot het bezit van circa 8090 gram cocaïne, 6300 MDMA-tabletten en grote hoeveelheden hennep achtte de rechtbank verdachte medepleger. Uit DNA-onderzoek en andere bewijsmiddelen bleek dat verdachte wetenschap had van en beschikkingsmacht over de verdovende middelen die in de woning van een medeverdachte waren aangetroffen.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van 24 maanden op, lager dan de eis van 42 maanden, mede vanwege de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De voorlopige hechtenis werd geschorst en verdachte mocht de straf in vrijheid afwachten. Teruggave van geldbedragen die in beslag waren genomen werd gelast.