De burgemeester heeft op 27 februari 2026 de exploitatievergunning van verzoekster per direct ingetrokken op basis van een Bibob-onderzoek dat ernstige risico’s op crimineel gebruik van de vergunning signaleerde. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om haar restaurant te mogen blijven exploiteren tijdens de bezwaarprocedure.
De voorzieningenrechter weegt het belang van de burgemeester om misbruik van de vergunning te voorkomen af tegen het belang van verzoekster om niet in een onomkeerbare financiële situatie te geraken, waaronder faillissement. Verzoekster heeft aannemelijk gemaakt dat zij zonder exploitatie van haar restaurant niet aan haar financiële verplichtingen kan voldoen en dat ontslagen van personeel dreigen.
De rechter constateert dat het Bibob-advies ruim vier maanden voor de intrekking bekend was en dat verzoekster in die periode haar onderneming kon voortzetten. Er is geen sprake van een acuut gevaar dat onmiddellijke sluiting vereist. De ernst van de verwijten aan verzoekster weegt niet zwaarder dan het belang om faillissement te voorkomen.
Daarom wordt het besluit van de burgemeester geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar, waardoor de exploitatievergunning tijdelijk herleeft. De burgemeester wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.