Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaak tussen
het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland, (het college)
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Dow Benelux B.V. uit Terneuzen ( Dow )
Samenvatting
Procesverloop
Overwegingen
- Is sprake van technische kenmerken als bedoeld in artikel 5.5, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (verder: Abm) die de bevoegdheid verschaffen af te wijken van het Abm en heeft het college deze technische kenmerken voldoende onderzocht en gemotiveerd?
- Heeft het college de kosteneffectiviteit van alternatieve NOx-reducerende maatregelen mogen betrekken bij zijn afweging om toepassing te geven aan de afwijkingsbevoegdheid en heeft het college dit voldoende onderzocht en gemotiveerd?
- Heeft het college hierbij 2018 als peiljaar voor de rookgasdebieten mogen gebruiken ter verificatie van de werkelijke emissiegegevens van Dow ?
- Heeft het college kunnen sommeren met toepassing van artikel 2.22, vijfde lid, van de Wabo?
- Een gedetailleerde beschrijving van brandervervanging;
- Een gedetailleerde uitwerking van de kosteneffectiviteit, waaruit in ieder geval blijkt welke maatregelen wel en welke maatregelen niet kosteneffectief zijn;
- Een gedetailleerde beschrijving van belemmerende factoren;
- Een gedetailleerde beschrijving van het implementatieplan en tijdspad van de te implementeren maatregelen.
- (…)
- Van dit onderzoek stelt vergunninghouder een rapportage op. Deze rapportage wordt uiterlijk 12 maanden na het in werking treden van dit voorschrift ter goedkeuring voorgelegd aan het bevoegd gezag. (…)”
Eiser vindt bovendien dat het college de leeftijd van de installaties ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten. Nieuwe branders presteren volgens eiser veel beter dan oude branders. Dat blijkt ook uit het feit dat de installatietypen 1 en 7 (de Lummusfornuizen en het GK6-fornuis), die over nieuwe branders beschikken, een veel lagere NOx-emissie hebben.
- ontwerp van het kraakfornuis: (brandertype en factoren die de vlamlengte beïnvloeden);
- waterstofgehalte in de voeding en overmaat zuurstof.
- De werkelijke emissies van installaties 6 (KTI Jumbo Upgrade fornuizen) voldoen niet aan de grenswaarde van 150 NOx mg/Nm3 die maximaal is toegelaten op basis van artikel 5.5, eerste lid, van het Abm, maar het college hanteert hier de maximale grenswaarde van 150 NOx mg/Nm3 als input voor de sommatie. Ook de werkelijke emissies van installatie 7 (GK6) voldoet niet aan de maximaal toegelaten waarde van 80 NOx mg/Nm3, maar het college gebruikt de maximaal toegelaten waarde en niet de werkelijke emissie als input voor de sommatie. De rechtbank stelt vast dat het college in het bestreden besluit geen hogere grenswaarden heeft betrokken dan maximaal in artikel 5.5, eerste lid, van het Abm is toegelaten. Daarmee wordt voldaan aan de in artikel 2.22, vijfde lid, van de Wabo gestelde toepassingsvoorwaarde voor het gebruik van de bevoegdheid.
- Een vervangend vergunningsvoorschrift op basis van artikel 2.22, vijfde lid, van de Wabo moet voldoen aan alle in artikel 2.14 van de Wabo gestelde eisen. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 12 van de tussenuitspraak geoordeeld dat de best beschikbare technieken in acht worden genomen. Er wordt dus voldaan aan de randvoorwaarde dat het gebruik van de bevoegdheid van artikel 2.22, vijfde lid, van de Wabo niet in strijd is met artikel 2.14, eerste lid, onder c, onder 1⁰, van de Wabo. Dit laat onverlet dat de leeftijd van de branders ook een omstandigheid is die zal moeten worden betrokken bij het besluit om af te wijken van de basisgrenswaarde van 100 NOx mg/Nm3 in artikel 5.5, eerste lid, van het Abm.
- Het college kan slechts gebruik maken van de bevoegdheid in artikel 2.22, vijfde lid, van de Wabo als sprake is van een gelijkwaardige bescherming van het milieu bij toepassing en naleving van artikel 5.5 van het Abm. De gesommeerde norm is gedeeltelijk gebaseerd op de grenswaarde die maximaal in artikel 5.5, eerste lid, van het Abm is toegelaten en waarbij dus is afgeweken van de basisgrenswaarde. Als niet kan worden afgeweken van de basisgrenswaarde, dan leidt toepassing van artikel 5.5 van het Abm tot een strenger beschermingsniveau.
- In rechtsoverweging 13.10 oordeelt de rechtbank dat de enkele omstandigheid dat een techniek wordt toegepast die wordt genoemd in de toepasselijke BBT en dat de emissies binnen de bandbreedte van de BBT-GEN blijven (ofwel dat wordt voldaan aan BBT), niet het afwijken van de basisgrenswaarde kan rechtvaardigen. Met andere woorden, voldoen aan BBT betekent niet dat alleen al daarom de bevoegdheid bestaat en betekent evenmin dat hiervan gebruik moet worden gemaakt. Ook de omstandigheid dat de maximale grenswaarde van 150 mg/Nm3 binnen de bandbreedte van de toepasselijke BBT-GEN ligt, ontslaat het college niet van de verplichting om de afwijking van de basisgrenswaarde in het Abm te onderbouwen en te motiveren op basis van een belangenafweging. De rechtbank ziet geen aanleiding hierop terug te komen.
- Het gebruik van de bevoegdheid in artikel 5.5, eerste lid, van het Abm moet worden onderbouwd en moet zijn gebaseerd op een afweging van de betrokken belangen. In het kader van de belangenafweging zal het college duidelijk in kaart moeten brengen welke belangen een rol spelen. Dat het college beoordelingsruimte heeft bij het verlenen van een omgevingsvergunning, maakt dat niet anders. De rechtbank is van oordeel dat niet ieder technisch kenmerk de bevoegdheid schept om af te wijken van de basisgrenswaarde. In het bestreden besluit is nauwelijks aangegeven wat de technische kenmerken zijn van de grote stookinstallatietypes (types 2 tot en met 7) waar wordt afgeweken. De technische kenmerken moeten per installatietype worden onderzocht. Hierbij had ook moeten worden gekeken naar de leeftijd van de installaties en de ouderdom van de hierin toegepaste technieken, ook al zijn het BBT-technieken. Dit heeft het college gedaan in het herstelbesluit. Hierboven heeft de rechtbank al geoordeeld dat dit gebrek is hersteld.
- In rechtsoverweging 13.14 oordeelt de rechtbank dat het college per installatietype had moeten bekijken of het mogelijk is om aan de grenswaarden te voldoen, wat daarvoor zou moeten gebeuren als dat niet zonder meer lukt, of dat de technische kenmerken noodzaken tot afwijken
- Het college heeft de mogelijkheid om niet alle installatietypes bij de sommatie te betrekken of te weigeren om te sommeren. De keuze om dit niet te doen was in het bestreden besluit niet onderbouwd. Eiser heeft de nadere onderbouwing hiervan in het herstelbesluit niet bestreden en ter zitting verklaard de onderbouwing te accepteren. Hierboven heeft de rechtbank al geoordeeld dat dit gebrek daarmee is hersteld.
- De rechtbank is op enkele specifieke technisch kenmerken ingegaan vanaf rechtsoverweging 13.20. De rechtbank blijft bij deze overwegingen.
“Kosteneffectiviteit en de toekomstplannen van Dow spelen in de belangenafweging geen rol. De wetgever heeft nadrukkelijk aangegeven dat maatwerk niet bedoeld is voor het opnieuw maken van een BBT-afweging waarin ook kosteneffectiviteit wordt betrokken. Het college heeft bevestigd dat kosteneffectiviteit geen rol heeft gespeeld in de afweging. In het Abm komen meer bevoegdheden voor om af te wijken van de grenswaarde, bijvoorbeeld in artikel 2.4, achtste lid, van het Abm. Hierbij is in artikel 2.4, negende lid, van het Abm expliciet bepaald dat onder meer rekening wordt gehouden met een afwijkend emissiepatroon, de kosten en baten en een integrale afweging van de mogelijkheden voor emissiebeperking. Kosten en baten (kosteneffectiviteit) is echter niet genoemd in artikel 5.5, eerste lid, van het Abm en de rechtbank leest hierin een extra bevestiging dat kosteneffectiviteit geen rol speelt. Hetgeen eiser over kosteneffectiviteit heeft aangevoerd, behoeft daarom geen verdere bespreking. Ook de toekomstige transitie bij Dow naar waterstof heeft voor het college géén rol gespeeld en hetgeen eiser hierover heeft aangevoerd, behoeft daarom ook geen verdere bespreking.”
De wetgever heeft aangegeven dat maatwerk alleen is gereserveerd voor de uitzonderingen. Het gaat dan om installaties die technisch afwijken, bijvoorbeeld door een ander ontwerp, andere technieken of afwijkende brandstoffen. Maatwerk is niet bedoeld voor het opnieuw maken van de BBT-afweging. Die is al gemaakt bij het vaststellen van de BBT-conclusies. De BBT is ook betrokken bij het stellen van de maximale afwijkingsgrenswaarden in het Abm. Afwijken is toegestaan zolang BBT worden toegepast. Dit bevestigt de rechtbank in haar oordeel dat kosteneffectiviteit is betrokken bij de totstandkoming van de basisgrenswaarden en bij de maximale afwijkingsgrenswaarden in het Abm en bevestigt de rechtbank ook in haar oordeel dat alleen bij het bestaan van technische kenmerken er aanleiding kan zijn om af te wijken. Dit volgt ook uit een passage in de verdere toelichting op artikel 5.5 van het Abm, waar een specifieke opmerking wordt gemaakt over oudere bestaande installaties: “
Voor oudere gasturbines zijn, afhankelijk van onder meer de toegepaste technieken, soms alleen iets soepeler emissiegrenswaarden voor stikstofoxiden haalbaar. Dat is terug te zien in de maatwerkruimte via de vergunning voor de emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden. Ook voor bestaande installaties die procesgassen als brandstof gebruiken is soms alleen een wat hogere emissie haalbaar. Omdat procesbrandstoffen en de installaties waarin ze worden verbrand divers zijn, kan dit het beste van geval tot geval worden beoordeeld. Daarom is ook voor deze installaties een maatwerkruimte opgenomen.”
maatwerkruimte. Indien louter op basis van een kosteneffectiviteitsberekening zou kunnen worden afgeweken tot de maximale grenswaarde, worden deze factoren en aspecten buitenspel gezet. Kort samengevat, is de rechtbank van oordeel dat het college kosteneffectiviteit als leidraad heeft kunnen gebruiken om te beoordelen of een alternatieve methode economisch haalbaar is. Het college heeft het resultaat van die beoordeling vervolgens als een van de relevante factoren kunnen betrekken bij de belangenafweging in het kader van de afwijkingsbevoegdheid. De enkele omstandigheid dat een alternatieve emissiereductiemethode niet kosteneffectief is, rechtvaardigt niet automatisch het gebruik van de bevoegdheid tot het afwijken van de basisgrenswaarde. Afwijken blijft een uitzondering en is niet de regel.
De rechtbank benadrukt verder dat meerdere omstandigheden aanleiding geven om het vervangen van de branders bij installatietype 6 kritisch te beschouwen:
- Het gebruik van de bevoegdheid in artikel 2.22, vijfde lid van de Wabo is mede ingegeven doordat de werkelijke emissie van de fornuizen van installatietype 6 hoger is dan de maximale grenswaarde van artikel 5.5 eerste lid van het Abm.
- De door Dow uitgevoerde theoretische benadering impliceert dat de fornuizen van installatietype 6 nagenoeg de basisgrenswaarde van artikel 5.5, eerste lid, van het Abm zouden moeten halen. Ze halen dat niet vanwege de door het college en Dow ter zitting gestelde en niet bestreden bijzondere kenmerken.
- De rechtbank neemt verder in aanmerking dat ook de StAB in haar verslag de vraag heeft gesteld of een (behoorlijke) verbetering van de NOx-emissie bij de KTI Jumbo Upgrade fornuizen niet mogelijk is door vervanging van de Low NOx-branders, mede gelet op de leeftijd hiervan (uit 1990).
- Desgevraagd heeft het college aangegeven dat met een emissiereductie van 55% bij vervanging van de branders van installatietype 6 de emissie van de fornuizen van dit type zal voldoen aan de basisgrenswaarde van artikel 5.5 van het Abm. Het vervangen van de branders bij installatietype 6 is dus in potentie een methode waarmee aan de basisgrenswaarde kan worden voldaan.
Het enige resterende belang dat pleit voor het gebruik van de afwijkingsbevoegdheid, is de kosteneffectiviteit van het vervangen van de branders. Uit de berekening van het college met toepassing van de nieuwe berekeningsmethodiek van de Omgevingsregeling is gebleken dat de kosteneffectiviteit van vervanging van de branders van installatietype 6 in beginsel binnen de bandbreedte van 5 tot 20 euro per kilo stikstofemissie valt. Ook daarin kan dus geen doorslaggevende reden worden gevonden om af te wijken van de basisgrenswaarde. Bij toepassing van de Abm methodiek is overigens sprake van slechts een geringe overschrijding van de bandbreedte. Bovendien kan aan (het gebrek aan) kosteneffectiviteit, zoals de rechtbank onder 9.9 heeft overwogen, geen doorslaggevende betekenis worden gehecht. De rechtbank kan zich voorstellen dat de brandervervanging tijdrovend en ingrijpend is zoals Dow (en niet het college) stelt, maar ook dit rechtvaardigt geen gebruik van de afwijkingsbevoegdheid, laat staan een gebruik dat niet is beperkt in tijd.
Conclusie en gevolgen
- verklaart het beroep tegen beide besluiten gegrond;
- vernietigt voorschriften 12.5.1 en 12.5.2 van het bestreden besluit;
- draagt het college op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak binnen zes maanden na dagtekening van deze uitspraak;
- geeft het college de aanwijzing om eiser direct na ontvangst van het onderzoek als bedoeld in artikel 12.5.5 van het herstelbesluit een exemplaar toe te zenden;
- staat Dow bij wege van voorlopige voorziening toe dat zij de in het bestreden besluit vergunde milieubelastende activiteit voortzet als ware Dow in het bezit is van een daartoe strekkende omgevingsvergunning waarbij de toegelaten gemiddelde uurconcentratie voor de emissie van NOx van de in tabel 16 van het bestreden besluit genoemde installaties maximaal 111 mg/Nm3 bedraagt;
- bepaalt dat deze voorlopige voorziening van rechtswege wordt gewijzigd bij in gebruik name van de vervangende stookinstallatie BF-602a, waarna de toegelaten gemiddelde uurconcentratie voor de emissie van NOx van de in tabel 16 van het bestreden besluit genoemde installaties maximaal 110 mg/Nm3 bedraagt;
- bepaalt dat de voorlopige voorziening vervalt zes maanden na dagtekening van deze uitspraak dan wel zoveel eerder als het college een nieuw besluit neemt;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 365 aan eiser moet vergoeden.