Op 15 januari 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van seksueel binnendringen van een bewusteloze en diefstal van goederen van het slachtoffer. De rechtbank sprak de verdachte vrij van het seksueel binnendringen, omdat er onvoldoende bewijs was om deze beschuldiging te ondersteunen. De rechtbank oordeelde dat de verklaring van het slachtoffer niet voldoende werd ondersteund door andere bewijsmiddelen, en dat de verklaring van de verdachte niet kon worden uitgesloten. De rechtbank concludeerde dat er onvoldoende wettig bewijs was voor het drogeren en seksueel binnendringen van het slachtoffer.
Ten aanzien van de diefstal, die plaatsvond in de periode van 18 tot 19 december 2022, oordeelde de rechtbank dat de verdachte wel schuldig was aan het stelen van een telefoon, een ketting, een ring en andere persoonlijke bezittingen van het slachtoffer. De verdachte had deze goederen meegenomen terwijl het slachtoffer lag te slapen in de hotelkamer. De rechtbank legde een gevangenisstraf van twee weken op voor de diefstal, rekening houdend met de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding, omdat de verdachte werd vrijgesproken van het feit waarop de vordering betrekking had.