De rechtbank Oost-Brabant behandelde een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van het seksueel binnendringen van een bewusteloze vrouw en diefstal van haar eigendommen uit een hotelkamer. De rechtbank sprak verdachte vrij van het eerste feit wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De verklaring van het slachtoffer werd niet voldoende ondersteund door andere bewijsmiddelen zoals chatberichten en forensisch onderzoek.
Ten aanzien van het tweede feit, diefstal van een ketting, telefoon, ID-kaarten, kentekenbewijs, geld en een ring, werd verdachte wel schuldig bevonden. De rechtbank achtte de bewijslast overtuigend, mede door de bekentenis van verdachte en identificatie van de gestolen goederen door het slachtoffer.
De rechtbank hield rekening met het feit dat verdachte eerder meerdere keren was veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat de redelijke termijn voor berechting met meer dan een jaar was overschreden. Gezien de ernst van het feit en recidive legde de rechtbank een gevangenisstraf van twee weken op, aanzienlijk lager dan de door het Openbaar Ministerie geëiste 24 maanden. De vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer werd niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte werd vrijgesproken van het zedendelict.