ECLI:NL:RBOBR:2026:203

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
01/294779-24
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van seksueel binnendringen en veroordeling voor diefstal in hotelkamer

Op 15 januari 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van seksueel binnendringen van een bewusteloze en diefstal van goederen van het slachtoffer. De rechtbank sprak de verdachte vrij van het seksueel binnendringen, omdat er onvoldoende bewijs was om deze beschuldiging te ondersteunen. De rechtbank oordeelde dat de verklaring van het slachtoffer niet voldoende werd ondersteund door andere bewijsmiddelen, en dat de verklaring van de verdachte niet kon worden uitgesloten. De rechtbank concludeerde dat er onvoldoende wettig bewijs was voor het drogeren en seksueel binnendringen van het slachtoffer.

Ten aanzien van de diefstal, die plaatsvond in de periode van 18 tot 19 december 2022, oordeelde de rechtbank dat de verdachte wel schuldig was aan het stelen van een telefoon, een ketting, een ring en andere persoonlijke bezittingen van het slachtoffer. De verdachte had deze goederen meegenomen terwijl het slachtoffer lag te slapen in de hotelkamer. De rechtbank legde een gevangenisstraf van twee weken op voor de diefstal, rekening houdend met de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding, omdat de verdachte werd vrijgesproken van het feit waarop de vordering betrekking had.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.294779.24
Datum uitspraak: 15 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1988] ,
wonende te [adres] ,
thans uit andere hoofde gedetineerd te: P.I. Almelo.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 december 2025 en 8 januari 2026 (sluiting).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 17 november 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Ten aanzien van feit1:
hij, in of omstreeks de periode van 18 december 2022 tot en met 19 december 2022 te Eindhoven,
met [slachtoffer] ,
van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde,
dan wel aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening en/of verstandelijke handicap leed dat deze niet of onvolkomen in staat was zijn/haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden,
een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede
bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ,
te weten het brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] ;
Ten aanzien van feit 2:
hij, in of omstreeks de periode van 18 december 2022 tot en met 19 december 2022 te Eindhoven,
een ketting en/of een telefoon (Samsung SM-A137, kleur zwart) en/of een of meer ID kaart(en) en/of een kentekenbewijs en/of EURO 20 en/of (een) ring(en), in elk geval enig goed en/of geldbedrag,
dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen,
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het bewijs.

Verdachte wordt kortgezegd het drogeren en vervolgens seksueel binnendringen van [slachtoffer] verweten (feit 1). Daarnaast wordt verdachte verweten dat hij haar sieraden en telefoon, inclusief pasjes, heeft gestolen (feit 2).
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht verdachte integraal vrij te spreken van het ten laste gelegde binnendringen van een bewusteloze (feit 1), vanwege onvoldoende wettig bewijs. Ten aanzien van de bewezenverklaring van de diefstal (feit 2) heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van feit 1.
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte en [slachtoffer] van 18 tot 19 december 2022 samen in een hotel in Eindhoven hebben verbleven en dat zij seks hebben gehad. Over de omstandigheden waaronder deze seks heeft plaatsgevonden verschillen de lezingen van aangeefster en verdachte. Aangeefster [slachtoffer] heeft verklaard dat zij geen seks met verdachte wilde, maar dat hij haar heeft gedrogeerd en vervolgens alsnog seks met haar heeft gehad. Verdachte heeft daarentegen verklaard dat de seks met toestemming plaats had gevonden.
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of het dossier voldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor het drogeren en seksueel binnendringen van [slachtoffer] door verdachte. Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat niet is vereist dat het zedendelict als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is als de verklaring van het slachtoffer op onderdelen voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. Deze bewijsmiddelen moeten afkomstig zijn van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd.
De rechtbank heeft onderzocht of het procesdossier bewijs bevat dat de verklaring van aangeefster [slachtoffer] ondersteunt. Het dossier bevat onder meer de berichten tussen verdachte en [slachtoffer] van de dagen voor hun eerst ontmoeting op 18 december 2022. In deze berichten heeft [slachtoffer] het onder andere over ‘handjes boven de dekens’. Ook stuurt ze naar verdachte dat ze hoopt dat hij niets van haar verwacht en dat ze niets hoeft te doen wat ze niet wil. In de gesprekken wordt echter ook gesproken over seksuele voorkeuren vanuit beide kanten en [slachtoffer] vraagt aan verdachte of hij condooms wil meenemen. De rechtbank ziet in de berichten daarom geen steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer] .
Verder is [slachtoffer] onderzocht door een forensisch arts. Deze arts heeft bloedinkjes uit de slijmvliezen van de vaginawand en irritatie van de binnenzijde van de kleine schaamlippen en van de vaginawand vastgesteld. Deze constatering zegt echter niets over de vraag of [slachtoffer] gedrogeerd was op het moment van de seks, zoals ten laste is gelegd. Evenmin wijzen deze bloedinkjes en irritaties (zonder meer) op het zonder toestemming binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] . Zij kunnen ook zijn ontstaan door seks met wederzijdse instemming of op andere wijze.
Ten aanzien van het drogeren heeft [slachtoffer] weliswaar verklaard dat zij de volgende dag een droge mond en hoofpijn had en dat ze verward was, maar het dossier bevat geen verdere onderbouwing voor het drogeren in de vorm van bijvoorbeeld een bloedonderzoek.
De rechtbank concludeert dat het dossier onvoldoende steunbewijs bevat voor de verklaring van [slachtoffer] . De rechtbank kan de verklaring van verdachte over de gang van zaken in het hotel niet uitsluiten en zij kan dus niet met de wettelijk vereiste mate van zekerheid vaststellen dat verdachte [slachtoffer] heeft gedrogeerd en haar vervolgens seksueel is binnengedrongen. Onder die omstandigheden dient de rechtbank tot vrijspraak over te gaan.
Ten aanzien van feit 2.
De bewijsmiddelen.
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is gevoegd als bewijsbijlage bij dit vonnis en moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte de telefoon, een ketting en een ring van [slachtoffer] heeft meegenomen terwijl zij nog lag te slapen in het hotel. In het telefoonhoesje van [slachtoffer] zaten ook de ID-kaarten van haar dochter en haarzelf, het kentekenbewijs van haar brommer en 20,00 euro. Verdachte heeft de diefstal bekend met uitzondering van de ring. Volgens hem was de ring in kwestie van zijn ex-partner.
Ten aanzien van de ring overweegt de rechtbank dat de politie [slachtoffer] een foto heeft getoond van de goederen die op 19 december 2022 bij verdachte waren aangetroffen. [slachtoffer] heeft hierop één van de vier ringen op de foto aangewezen als haar eigendom. De rechtbank heeft daarom geen reden om te twijfelen aan de verklaring van aangeefster dat verdachte ook een ring van haar gestolen heeft. De rechtbank acht dit deel van de tenlastelegging daarom eveneens wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
Ten aanzien van feit 2:
in de periode van 18 december 2022 tot en met 19 december 2022 te Eindhoven, een ketting en een telefoon (Samsung SM-A137, kleur zwart) en ID kaarten en een kentekenbewijs en EURO 20 en een ring, die aan [slachtoffer] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

De oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft, bij bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw van verdachte heeft erop gewezen dat de redelijke termijn in deze zaak met een jaar overschreden is en dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. De raadsvrouw heeft daarom, bij een bewezenverklaring van enkel feit 2, verzocht om verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van een straf.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van het feit.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van de goederen van [slachtoffer] , terwijl zij lag te slapen in de hotelkamer die verdachte voor hen had geboekt. Verdachte heeft verklaard dat dit van tevoren al zijn intentie was. Een dergelijk feit veroorzaakt niet alleen overlast en schade, maar ook gevoelens van onveiligheid en onrust bij het slachtoffer. Slachtoffer [slachtoffer] mocht er namelijk op vertrouwen dat zij en haar goederen op dat moment en op die plek veilig waren. Een en ander vond plaats tijdens een eerste ‘date’; een moment waarop het vertrouwen in elkaar moet groeien, wat nu juist door verdachte ernstig is geschaad. Uit verdachtes handelen spreekt bovendien minachting voor andermans eigendom. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
De persoon van verdachte.
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie aangaande verdachte van 11 november 2025. Hieruit blijkt dat verdachte in de vijf jaar voorafgaand aan het bewezenverklaarde veelvuldig onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank houdt hier in strafverzwarende zin rekening mee. De rechtbank heeft ook kennis genomen van het reclasseringsrapport over verdachte van 12 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet wilde meewerken aan de rapportage, waardoor de reclassering zich heeft onthouden van een advies over eventuele interventies. Verder is verdachte in 2023 verschillende keren veroordeeld, onder meer voor vermogensdelicten. De rechtbank zal met deze veroordelingen rekening houden in de zin van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.
De redelijke termijn.
Elke verdachte heeft recht op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijk termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Het uitgangspunt is dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg twee jaren bedraagt. De redelijke termijn is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak aangevangen op 19 december 2022, zijnde de dag waarop de gestolen goederen bij verdachte werden aangetroffen en de politie hem over de diefstal wilde horen. Verdachte heeft op dat moment aangegeven dat hij later een verklaring zou afleggen en dat hij een aanhouding buiten heterdaad voor lief zou nemen. Tussen 19 december 2022 en de datum van het eindvonnis (15 januari 2026) ligt een periode van meer dan drie jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn met ruim een jaar is overschreden. De rechtbank weegt deze overschrijding van de redelijke termijn mee bij de strafoplegging.
De op te leggen straf.
Gelet op straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, bij veelvuldig recidive, is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf. Alles afwegende legt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van twee weken. De rechtbank legt hiermee een veel lichtere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat verdachte wordt vrijgesproken van het onder feit 1 ten laste gelegde.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft.
Dit brengt mee dat de rechtbank de benadeelde partij zal veroordelen in de kosten die verdachte in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op nihil.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

  • spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 ten laste gelegde;
  • verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
  • verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

diefstal

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf:
Ten aanzien van feit 2:
een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken
Ten aanzien van feit 1:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering en veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte ter verdediging tegen deze vordering gemaakt en begroot deze kosten op nihil.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.J.C. van der Vegte, voorzitter,
mr. T. Kraniotis en mr. A.J. den Besten, leden,
in tegenwoordigheid van mr. N. Slingerland, griffier,
en is uitgesproken op 15 januari 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.