Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2169

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
24/2168
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen onbevoegdverklaring rechtbank inzake bezwaar dwangsombesluit WOZ

Opposant heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 25 februari 2025, waarin de rechtbank zich onbevoegd verklaarde om kennis te nemen van het beroep tegen een besluit op een ingebrekestelling. De rechtbank oordeelde dat het beroep eerst als bezwaar bij de heffingsambtenaar moest worden ingediend.

De rechtbank heeft het verzet beoordeeld en geoordeeld dat het verzet ongegrond is. Opposant stelde dat hij geen dwangsombesluit had ontvangen en dat de heffingsambtenaar te laat op zijn bezwaar had beslist zonder een besluit te nemen over de verbeurde dwangsom. De rechtbank stelde vast dat het besluit op de ingebrekestelling op 11 maart 2024 aan opposant was verzonden en dat het beroep tegen dit primaire besluit eerst als bezwaar moest worden behandeld.

De rechtbank concludeerde dat zij terecht onbevoegd was verklaard en dat het beroep terecht was doorgestuurd naar de heffingsambtenaar. Het verzet kon daarom niet slagen. Opposant kan na behandeling van het bezwaar eventueel in beroep gaan tegen een beslissing op dat bezwaar. De rechtbank verklaarde het verzet ongegrond en handhaafde haar eerdere uitspraak.

Uitkomst: Het verzet tegen de onbevoegdverklaring van de rechtbank wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/2168 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2026 op het verzet van

[opposant], uit [woonplaats] , opposant [1]
(gemachtigde: mr. J.W. Vugts),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 25 februari 2025 in het geding tussen
opposant
en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 25 februari 2025 waarin de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard van het beroep van opposant kennis te nemen.
1.1.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 25 februari 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat zij onbevoegd is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitspraak van 25 februari 2025
4. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft zich kennelijk onbevoegd geacht. In de uitspraak van 25 februari 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat zijn beroep was gericht tegen het besluit van 11 maart 2024 op de ingebrekestelling van opposant en niet tegen de uitspraak op zijn bezwaar van 23 januari 2024. Omdat tegen het besluit op de ingebrekestelling eerst bezwaar moest worden gemaakt, heeft de rechtbank het beroep van opposant ter behandeling als bezwaar doorgestuurd naar de heffingsambtenaar.

Mocht de rechtbank het beroep vereenvoudigd behandelen?

5. Opposant is het er niet mee eens dat de rechtbank zijn beroep als bezwaarschrift heeft doorgestuurd naar de heffingsambtenaar. Hij geeft hierbij aan dat hij beroep heeft ingesteld, omdat hij geen dwangsombesluit heeft ontvangen en omdat de heffingsambtenaar te laat een uitspraak op zijn bezwaar heeft gedaan zonder daarbij een besluit te nemen over de volgens opposant verbeurde dwangsom. Verder verwijst opposant naar wat hij in de beroepsprocedure heeft gesteld en verzocht als ingelast te beschouwen en benoemt een aantal zaken waaruit volgens hem een schijn van partijdigheid blijkt.
6. Allereerst merkt de rechtbank op dat zij alleen de gronden zal behandelen die opposant in verzet naar voren heeft gebracht. Een verwijzing naar wat opposant in zijn beroepschrift heeft gesteld, zonder daarbij aan te geven waarom hij vindt dat de uitspraak van de rechtbank op die punten onjuist is, is immers geen verzetsgrond waarop de rechtbank moet ingaan.
7. De rechtbank stelt vast dat opposant in zijn beroepschrift van 25 april 2024 en de daarop volgende correspondentie gronden heeft gericht tegen een beslissing op bezwaar van 23 januari 2024 dat naar de stelling van opposant pas op 10 april 2024 aan hem is bekendgemaakt. Opposant heeft zich enkel gericht op de vraag of de heffingsambtenaar heeft beslist op zijn ingebrekestelling en of de heffingsambtenaar aan hem een dwangsom moet betalen.
7.1.
Het staat vast dat opposant de uitspraak van de heffingsambtenaar op zijn bezwaar heeft ontvangen, ongeacht op welke datum die uitspraak daadwerkelijk is verzonden. De rechtbank begrijpt het verzet van opposant zo dat hij vindt dat de heffingsambtenaar in de uitspraak op zijn bezwaar van 23 januari 2024 een besluit had moeten nemen over de aan opposant verschuldigde dwangsom wegens niet tijdig beslissen.
7.2.
Het staat ook vast dat in het dossier van de heffingsambtenaar een e-mail is opgenomen waaruit blijkt dat op 11 maart 2024 om 11:09 uur aan (de gemachtigde van) opposant een besluit op zijn ingebrekestelling is verzonden. Opposant heeft de verzending van die e-mail betwist en heeft aangegeven dat hij deze niet heeft ontvangen. Daarbij heeft hij zich niet op het standpunt gesteld dat bijvoorbeeld zijn e-mailadres niet juist is of dat er iets anders aan die e-mail mankeert. Het is daarom naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat dit besluit aan opposant verzonden is.
7.3.
Het besluit van 11 maart 2024 is een primair besluit waartegen een rechtsmiddel kan worden aangewend. De gronden die opposant in zijn beroepschrift naar voren heeft gebracht, hebben betrekking op het dwangsombesluit. Er zijn geen gronden die betrekking hebben op de inhoud van de beslissing op bezwaar van 23 januari 2024. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard om van het beroep tegen dat dwangsombesluit kennis te nemen, omdat er eerst bezwaar gemaakt moet worden. Het beroepschrift is vervolgens aan de heffingsambtenaar doorgestuurd om te behandelen als bezwaar tegen het dwangsombesluit.
7.4.
De stellingen van opposant dat het beroep is gericht tegen het te laat ontvangen van een beslissing op bezwaar en niet ontvangen van een dwangsombesluit, kunnen niet leiden tot een gegrond verzet. Immers volgt uit hetgeen onder 7.3 is overwogen dat opposant het er niet mee eens is dat hij geen dwangsom heeft ontvangen. De rechtbank heeft dat vervolgens aangemerkt als bezwaar tegen het dwangsombesluit, waardoor de rechtbank niet bevoegd was te oordelen over het beroep, maar dit heeft aangemerkt als bezwaar. Onder die omstandigheden mocht uitspraak gedaan worden zonder zitting. De verzetsgrond slaagt dus niet.
8. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat opposant met deze verzetsprocedure enkel kan bereiken dat zijn beroep opnieuw in behandeling wordt genomen. Met het beroep wil opposant bereiken dat hem een dwangsom wordt toegekend. Mocht de heffingsambtenaar het bezwaar tegen het dwangsombesluit ongegrond vinden, kan opposant daartegen in beroep gaan.

Conclusie en gevolgen

9. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 25 februari 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kleijn Hesselink, rechter, in aanwezigheid van R.G.B.M. Spapens, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 7 april 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).