ECLI:NL:RBOBR:2026:218

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
01.406808.24
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van voltooide brandstichting, veroordeling voor poging tot brandstichting, vernieling en poging tot zware mishandeling

In deze zaak heeft de Rechtbank Oost-Brabant op 16 januari 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van voltooide brandstichting, poging tot brandstichting, vernieling en poging tot zware mishandeling. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de voltooide brandstichting, omdat niet kon worden vastgesteld dat er daadwerkelijk brand was ontstaan. Wel werd de poging tot brandstichting bewezen verklaard, aangezien de verdachte op 20 december 2024 in Eindhoven open vuur in de richting van de voordeur van de woning van zijn ex-partner heeft gebracht, waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten was. De rechtbank oordeelde dat de verdachte met zijn handelen een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel aan de zus van zijn ex-partner heeft aanvaard door met een hamer in haar richting te slaan. Dit gebeurde op 1 december 2024, waarbij de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Daarnaast werd de verdachte schuldig bevonden aan vernieling van de voordeur en het raam van de woning van zijn ex-partner. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 20 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, en een vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een contactverbod voor 5 jaren.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: [01.406808.24]
Locatie ‘s-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.406808.24
Datum uitspraak: 16 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1993] ,
ingeschreven te [adres 1] ,
thans gedetineerd te: P.I. Vught, PPC.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 april 2025, 25 juni 2025, 22 september 2025, 18 december 2025 en 6 januari 2026 (sluiting).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 26 februari 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 20 december 2024 te Eindhoven opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een krant, waarover benzine, althans een brandbare stof, was uitgegoten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de voordeur van de woning van [slachtoffer 1] ( [adres 2] ) en/of de woning van [slachtoffer 1] ( [adres 2] ), althans van een ander of anderen dan van verdachte, te duchten was en/of open vuur in aanraking te brengen met een voordeur, waarover benzine, althans een brandbare stof, was uitgegoten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de woning van [slachtoffer 2] , althans van een ander of anderen van verdachte, te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 20 december 2024 te Eindhoven ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten- de voordeur (van een woning van [slachtoffer 1] , [adres 2] ) en/of- de woning (van [slachtoffer 1] , [adres 2] ) te duchten was,- open vuur in aanraking heeft gebracht met een krant, waarover benzine, althans een brandbare stof, was uitgegoten, en/of- open vuur in aanraking heeft gebracht met een voordeur, waarover benzine, althans een brandbare stof, was uitgegoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 1 december 2024 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan slachtoffer opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
met een hamer in zijn opgeheven hand heeft geslagen naar/ heeft uitgehaald in de richting van [slachtoffer 3] (zus van zijn ex-partner), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 december 2024 te Eindhoven [slachtoffer 3] (zus van zijn ex-partner) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een hamer te slaan/ uit te halen in de richting van [slachtoffer 3] (zus van zijn ex-partner);
3.
hij op of omstreeks 1 december 2024 te Eindhoven opzettelijk en wederrechtelijk een voordeur en/of een raam (van [adres 2] te Eindhoven), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] ., in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van het aan verdachte ten laste gelegde feit 1 primair en feit 3. Ten aanzien van het aan verdachte ten laste gelegde feit 2 primair heeft de officier van justitie gerekwireerd tot vrijspraak. Feit 2 subsidiair kan volgens de officier van justitie wel wettig en overtuigend worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft ten aanzien van de onder feit 1 primair ten laste gelegde brandstichting en subsidiair ten laste gelegde poging daartoe, integrale vrijspraak bepleit. Volgens de raadsman kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat verdachte de persoon is geweest die bij de woning aan de [adres 2] te Eindhoven heeft geprobeerd om brand te stichten. Met de officier van justitie meent de raadsman dat de onder feit 2 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling niet kan worden bewezen. Voor wat betreft de onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde bedreiging en de onder feit 3 ten laste gelegde vernieling heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank. [1]
De rechtbank baseert haar oordeel op de volgende bewijsmiddelen.
Ten aanzien van feit 1:
1.
een proces-verbaal opgemaakt op 21 december 2024 door verbalisant [verbalisant 1] inhoudende de aangifte van [slachtoffer 2] (proces-verbaal pag. 51-52), voor zover van belang, zakelijk weergegeven:
Op vrijdag 20 december 2024 om 23:00 uur was ik op het adres waar ik tijdelijk verblijf in verband met deze situatie. Op enig moment ging de ringdeurbel van mijn woning aan de [adres 2] in Eindhoven af op mijn telefoon waardoor ik op mijn telefoon keek. Ik zag een persoon aankomen lopen met een Lidl tas. Deze persoon is zeker 9 minuten bezig geweest aan de voordeur van mijn woning. Ik zag rook vanaf de voordeur komen. De persoon ging diverse keren weg en kwam weer terug. Hij kwam weer terug om het weer aan te steken. Ik herkende de persoon als mijn ex [verdachte] . Ik herkende hem aan alles, zijn gezicht, zijn postuur, zijn loopje.
2.
een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt op 21 december 2024 door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (proces-verbaal pag. 49), voor zover van belang, zakelijk weergegeven:
Op vrijdag 20 december 2024, omstreeks 23.18 uur, kwamen wij ter plaatse op [adres 2] in Eindhoven. Wij zagen dat er tegen de voordeur een opgevouwen krant lag. Wij zagen dat hier rookontwikkeling vanaf kwam en roken een sterke brandlucht. Door de verbranding was de krant zwart/grijzig gekleurd. Wij zagen dat er een vloeistof voor de voordeur lag en tevens zat er tegen de voordeur een vochtige plek. Op bovengenoemde datum omstreeks 23.30 uur kwam de brandweer ter plaatse. Wij hoorden van de brandweer dat de vloeistof benzine betrof.
3.
een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt op 22 december 2024 door verbalisant [verbalisant 4] , proces-verbaal pag. 57-62, voor zover van belang, zakelijk weergegeven:
Op zaterdag 21 december 2024 werd er door [slachtoffer 2] aangifte gedaan. Zij verklaarde dat zij een ringdeurbel heeft en een tweede camera, gepositioneerd bij het raam aan de voorzijde van de woning en gericht op de openbare weg. Deze beelden zijn voor onderzoek aan ons overgedragen en door mij bekeken en beschreven. Aangeefster is woonachtig aan de [adres 2] in Eindhoven en zij herkende de persoon op de beelden als haar ex-vriend [verdachte] .
Op de camerabeelden is te zien dat [verdachte] , gekleed in een lange jas met capuchon en spijkerbroek, op 20 december 2024 om 23.01 uur richting de voordeur van voorgenoemde woning loopt. [verdachte] heeft zijn linkerhand voor zijn gezicht, draagt de capuchon van zijn jas met daaronder een pet. In zijn rechterhand draagt hij een bigshopper. Als [verdachte] bij de voordeur staat, stopt het fragment.
Om 23.04 uur loopt [verdachte] terug naar de voordeur. Hij heeft de bigshopper op dit moment in zijn rechterhand en in zijn linkerhand heeft hij een voorwerp vast.
Om 23.05 uur voert [verdachte] handelingen uit bij de voordeur. Hierbij zit hij gehurkt. Hierna stopt het fragment.
Om 23.06 uur staat [verdachte] met een aansteeklont in zijn hand.
Om 23.06 uur is er rookontwikkeling te zien ter hoogte van de voordeur. [verdachte] staat op het trottoir te kijken.
Om 23.06 uur loopt [verdachte] weg van de voordeur en staat een tijd op het trottoir te kijken. Zijn gezicht is gericht op de voordeur. In de voortuin staat een boompje. Rondom dit boompje staan op de grond klinkers. Op deze klinkers komt een weerkaatsing van lichtflitsen. Vervolgens komt [verdachte] om 23.08 uur met zijn gezicht in beeld.
4.
een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt op 3 januari 2025 door verbalisant [verbalisant 5] , proces-verbaal pag. 63-64, voor zover van belang, zakelijk weergegeven:
Op maandag 23 december 2024 kreeg ik een e-mail van medewerker [persoon 1] van de brandweer met daarin de opgemaakte rapportage. Ik las in deze rapportage dat de brandweer inderdaad een inzet had gehad vanwege brand bij de woning [adres 2] te Eindhoven op 20 december 2024, maar dat brandweermedewerkers niet daadwerkelijk hoefden te blussen.
Hierop nam ik op dinsdag 24 december 2024 nogmaals contact op met medewerker [persoon 1] van de brandweer en ik verzocht hem of de brandweer antwoord gegeven kon worden op de vraag: “Is er door de brandweermedewerkers ter plaatse vastgesteld (geur) dat de aangetroffen vloeistof bij de voordeur benzine betrof? Zo, ja kan ik dit op schrift bevestigd krijgen?”
Op vrijdag 3 januari 2025 ontving ik van medewerker [persoon 2] , werkzaam bij de brandweer een e-mail in verband met boven gestelde vraag. Ik las in die mail het volgende:
“Naar aanleiding van deze vraag heb ik navraag gedaan bij onze bevelvoerder bij dit incident. Deze bevelvoerder verklaarde het volgende:

Bij aankomst nam de brandweer de aanwezigheid van vloeistof onder en nabij de deur
waar. De bevelvoerder heeft de handschoen door de vloeistof gehaald en aan de vloeistof op de handschoen geroken. De bevelvoerder en enkele brandweercollega’s herkenden de geur
als de geur van benzine of van een vloeistof met een vergelijkbare geur”.
Ten aanzien van feit 2 en feit 3:
5.
een proces-verbaal opgemaakt op 1 december 2024 door verbalisant [verbalisant 6] , inhoudende de aangifte van [slachtoffer 3] (proces-verbaal pag. 25-26), voor zover van belang, zakelijk weergegeven:
Op zondag 1 december 2024 was ik op bezoek bij mijn zus, [slachtoffer 2] , op de [adres 2] te Eindhoven. Omstreeks 19.00 uur hoorde ik dat de bel ging van de voordeur. Ik deed het gordijn open en keek naar buiten maar zag niemand staan.
Op het moment dat ik de deur opende, zag ik niemand staan. Na ongeveer 2 seconden zag ik ineens, vanuit de linkerzijde, een man tevoorschijn komen. Ik zag dat de man een zwarte wollen muts droeg en zijn zwarte jas deels over zijn kin had getrokken. Ik herkende de man direct als [verdachte] . Dit betreft de ex-partner van mijn zus waarbij ik op bezoek was.
Ik zag dat hij een draaiende beweging maakte vanaf de muur en dat hij een hamer in zijn linkerhand hield. Ik zag dat hij die hamer in de lucht hield en in de aanslag stond om te slaan. Ik zag dat hij hierbij een stap naar voren zette in de richting van mij. Ik gilde gelijk “Het is [verdachte] , het is [verdachte] , hij heeft een hamer”. Dit is onze roepnaam voor [verdachte] .
Ik schrok enorm en gooide de voordeur dicht. Direct nadat ik de voordeur dichtgooide, hoorde ik een harde klap op de voordeur. Ik zag dat hij hierna met de hamer op het kleine raampje naast de voordeur ging slaan. Ik ben naar de woonkamer gegaan en keek naar buiten door het raam. Ik zag dat [verdachte] hierna op de voorruit ging slaan. Ik zag dat hij een aantal keren met kracht op het raam sloeg met de hamer.
Ik heb de overtuiging dat als ik de deur niet had dichtgegooid, dat hij mij had geslagen met die hamer. Ik stond dusdanig dicht op hem dat hij mij had kunnen raken.
6.
een proces-verbaal opgemaakt op 1 december 2024 door verbalisant [verbalisant 7] , inhoudende de aangifte van [slachtoffer 2] , (proces-verbaal pag. 28-29) voor zover van belang, zakelijk weergegeven:
Ik ben woonachtig op de [adres 2] in Eindhoven, dit betreft een huurwoning van [slachtoffer 1] . Op zondag 1 december 2024, omstreeks 19.00 uur, was ik samen met mijn zus in de woonkamer aanwezig. We hoorden dat er aangebeld werd. Mijn zus liep naar de voordeur en opende deze. Ik hoorde opeens geschreeuw. Ik hoorde dat mijn zus zei: “ [verdachte] heeft een hamer!” Mijn ex-partner noemen wij [verdachte] , echter heet hij [verdachte] . Ik was enorm bang en in paniek. Ik hoorde dat de voordeur hard dicht werd gegooid. Vervolgens hoorde ik een harde knal op de voordeur. Later hoorde ik van mijn zus dat [verdachte] met een hamer om het hoekje stond en toen zij de voordeur opende, uithaalde met de hamer. Ik hoorde dat zij net op tijd de voordeur dicht kon gooien. Ik hoorde van haar dat het weinig scheelde of ze was op haar hoofd geraakt met de hamer.
Toen de politie ter plaatse was, keken wij naar de voorzijde van de woning. Wij zagen dat de voordeur, en het raam aan de voorzijde vernield waren. Wij zagen dat er veel glas zowel in de woning lag, als in de voortuin.
7.
een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt op 29 december 2024 door verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 6] , (proces-verbaal pag. 31) voor zover van belang, zakelijk weergegeven:
Op zondag 1 december 2024 om 19.03 uur kregen wij de melding van het Operationeel
Centrum om te gaan naar de [adres 2] in Eindhoven. Om 19.04 uur kwamen wij ter plaatse bij de woning gelegen aan de [adres 2] in Eindhoven. Wij zagen dat er twee vrouwen in paniek in de deuropening stonden. Wij hoorden dat de bewoonster zei dat haar ex-partner zojuist met een hamer haar voordeur en ramen had vernield. Wij hoorden dat zij zei dat de schade door [verdachte] was ontstaan. Wij zagen dat zij ons de schade aanwees. Wij zagen dat het raam aan de voorzijde van de woning, de voordeur en het raampje links naast de voordeur, vernield waren. Wij zagen dat er glas zowel in de voortuin als in de hal lag.
Bewijsoverwegingen.
Ten aanzien van feit 1.
Voor een bewezenverklaring van een voltooide brandstichting moet vast komen te staan dat de voordeur van de woning vlam heeft gevat en daadwerkelijk heeft gebrand. De verbalisanten die drie minuten na de melding van aangeefster ter plaatste zijn gekomen, hebben bij de voordeur van de woning weliswaar rookontwikkeling, een zwart/grijze gekleurde krant, een vloeistofspoor en een brandlucht waargenomen, maar zij hebben géén vlammen bij deze woning gezien. Ook blijkt uit het dossier niet dat er sprake was van schade aan de voordeur van de woning, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat er een brand is geweest. Er heeft evenmin nader (forensisch) onderzoek plaatsgevonden op de plaats delict waaruit volgt dat de (deur van de) woning in brand heeft gestaan. Ook anderszins zijn geen omstandigheden gebleken die wijzen op het plaatsvinden van een brand. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het hem onder feit 1 primair tenlastegelegde.
De rechtbank acht op basis van de waarnemingen van de verbalisanten en de constatering van de bevelvoerder van de brandweer dat de bij de woning aangetroffen vloeistof de geur had van benzine (of een soortgelijke vloeistof) wel bewezen dat is gepoogd om (de voordeur van) de woning van aangeefster in brand te steken.
Dat het verdachte is geweest die heeft gepoogd om brand te stichten blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de camerabeelden van de aan de woning bevestigde ringdeurbel zoals die door verbalisant [verbalisant 4] zijn beschreven en uit de verklaring van aangeefster dat zij haar ex-partner – te weten verdachte – op deze beelden aan zijn uiterlijke kenmerken en aan zijn loopje heeft herkend.
De rechtbank heeft de bewegende camerabeelden ter terechtzitting van 18 december 2025 bekeken. De rechtbank heeft vastgesteld dat de camerabeelden van goede kwaliteit zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is de dader ook zodanig duidelijk zichtbaar op deze camerabeelden dat hij op basis daarvan kan worden herkend door zijn ex-partner. Ter terechtzitting heeft de rechtbank bovendien waargenomen dat de persoon die op de camerabeelden is te zien zeer sterke gelijkenissen vertoont met verdachte. De rechtbank wijst hierbij onder andere op de gelaatsvorm en de gezichtsbeharing.
De onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot brandstichting acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank heeft onder het ten last gelegde begrip ‘de woning’ ook de daarin aanwezige inboedel begrepen.
Ten aanzien van feit 2 primair.
Anders dan de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte heeft gepoogd om aangeefster [slachtoffer 3] zwaar te mishandelen.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 1 december 2024 bij de woning van zijn ex-partner in Eindhoven heeft aangebeld en zich vervolgens verborgen heeft gehouden. Aangeefster (te weten de zus van zijn ex-partner) zag op het moment dat zij de deur opende immers niemand voor de deur staan. Verdachte is vervolgens plotseling vanuit de linkerzijde tevoorschijn gekomen, waarbij aangeefster zag dat hij een hamer in de lucht hield en “in de aanslag stond om te gaan slaan.” Aangeefster zag dat verdachte een stap voorwaarts in haar richting zette, waarop zij in een schrikreactie de voordeur heeft dichtgegooid. Direct daarna hoorde aangeefster een harde klap op de voordeur. Zij was ervan overtuigd dat zij geraakt zou zijn met de hamer, als zij de deur niet had dichtgegooid. Zo heeft zij later ook tegen haar zus gezegd. De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat verdachte met een hamer heeft uitgehaald in de richting van aangeefster.
De rechtbank overweegt dat door het uithalen met een hard en zwaar voorwerp (in dit geval een hamer) in de richting van een persoon, de aanmerkelijke kans bestaat dat die persoon ten gevolge van dat handelen zwaar lichamelijk letsel oploopt. De uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte, inhoudende het aanbellen, zich verstoppen, het plotseling tevoorschijn komen en vervolgens uithalen met een hamer in de richting van aangeefster, is naar het oordeel van de rechtbank zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het ontstaan van dergelijk letsel heeft aanvaard. Van enige contra-indicatie is de rechtbank niet gebleken.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte door zijn handelen op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangeefster. Dat dit gevolg niet is ingetreden, is te danken aan de snelle reflex van aangeefster om de voordeur dicht te gooien. De rechtbank acht de onder feit 2 primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
1.
op 20 december 2024 te Eindhoven ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten
- de voordeur (van een woning van [slachtoffer 1] , [adres 2] )

en

- de woning (van [slachtoffer 1] , [adres 2] )
te duchten was,
open vuur in aanraking heeft gebracht met een krant, waarover een brandbare stof was uitgegoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
op 1 december 2024 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een hamer in zijn opgeheven hand heeft geslagen in de richting van [slachtoffer 3] (zus van zijn ex-partner), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
op 1 december 2024 te Eindhoven opzettelijk en wederrechtelijk een voordeur en een raam van [adres 2] te Eindhoven, die aan [slachtoffer 1] . toebehoorden heeft vernield.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft primair verzocht om het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde alsnog multidisciplinair onderzoek te laten verrichten naar de geestvermogens van verdachte. De officier van justitie heeft gevorderd om verdachte klinisch te laten observeren in het Pieter Baan Centrum. Verdachte heeft blijkens het psychologisch rapport dat GZ-psycholoog E.J.M. Nan op 5 juni 2025 heeft opgemaakt aangegeven dat hij geen medewerking wenst te verlenen aan het opmaken van een
pro justitiarapportage. Ook het onderzoek door de reclassering (deels uitgezet bij een psycholoog van Novadic Kentron) heeft niet geleid tot voldoende informatie over de persoon van verdachte omdat hij onvoldoende heeft meegewerkt. De reclassering heeft daarom geadviseerd om verdachte nogmaals
pro justitiate laten onderzoeken.
Subsidiair heeft de officier van justitie verzocht om aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest op te leggen. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op te leggen in de vorm van een contactverbod voor de duur van drie jaren met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , met vervangende hechtenis van twee weken per keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft verzocht om de vordering van de officier van justitie tot observatie van verdachte in het Pieter Baan Centrum af te wijzen. Een klinische observatie staat volgens de raadsman niet in verhouding tot de ernst van de feiten. Daarnaast heeft de raadsman aangegeven dat een klinische observatie – ook gelet op de proceshouding van verdachte – geen toegevoegde waarde zal hebben en het strafproces onnodig zal vertragen.
De raadsman heeft verzocht om te volstaan met een straf waarvan de duur het reeds ondergane voorarrest niet overschrijdt. In dat kader heeft de raadsman ook verzocht om de voorlopige hechtenis van verdachte – gelet op het bepaalde in artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) – op te heffen en verdachte onmiddellijk in vrijheid te stellen.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten.
Verdachte heeft geprobeerd om de zus van zijn ex-partner zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een hamer in haar richting te slaan. Hij is naar de woning van zijn ex-partner gegaan, heeft daar aangebeld en zich vervolgens in de buurt van de deur verscholen. Nadat de zus van zijn ex-partner de deur had geopend, haalde hij uit met de hamer. Enkel doordat de zus de deur op tijd dichtgooide, heeft zij geen zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Vervolgens heeft hij diverse ruiten van de woning van zijn ex-partner vernield. Ten tijde van de vernielingen waren er meerdere personen aanwezig in de woning, waaronder kinderen. Dit is een zeer bedreigende situatie geweest voor zowel de ex-partner van verdachte, haar zus, alsmede de in de woning aanwezige andere personen. Hij heeft hiermee ook de woningstichting financiële schade berokkend.
De ex-partner van verdachte is naar aanleiding van (onder andere) dit incident met haar kinderen naar een ander adres vertrokken. In hun afwezigheid heeft verdachte geprobeerd brand te stichten bij haar woning. Het is onduidelijk in hoeverre verdachte ervan op de hoogte was dat zijn ex-partner op dat moment niet in de woning verbleef. Hoewel niet kan worden vastgesteld dat er daadwerkelijk brand is ontstaan, is wel duidelijk dat ook deze situatie zeer bedreigend was voor de ex-partner van verdachte. Zij heeft met haar telefoon
livekunnen meekijken hoe verdachte probeerde haar woning in brand te steken.
Verdachte heeft met zijn handelen laten zien dat hij geen respect heeft voor andermans eigendommen, maar bovenal heeft hij een zeer grove inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van beide aangeefsters. Dat de feiten een flinke impact hebben gehad op de ex-partner van verdachte blijkt ook uit de schriftelijke verklaring die zij als bijlage bij de vordering tot schadevergoeding heeft gevoegd. Daarin staat dat zowel zij als haar drie jonge kinderen angstklachten hebben overgehouden aan de gebeurtenissen rondom de woning aan de [adres 2] in Eindhoven en dat zij inmiddels via een urgentiestatus naar een andere woning zijn verhuisd.
Strafblad.
Uit het uittreksel justitiële documentatie van 25 april 2025 betreffende verdachte blijkt dat er geen sprake is van recidive.
(Onderzoek naar) de persoon van verdachte.
Verdachte heeft in eerste instantie niet willen meewerken aan een psychologisch onderzoek. Nadat hij zich daartoe alsnog bereid heeft verklaard, heeft de officier van justitie het voorstel gedaan om – gelet op de lange wachttijden bij het NIFP – verdiepingsdiagnostiek te laten uitvoeren door de reclassering. De rechtbank heeft dit voorstel gevolgd. Dit onderzoek heeft echter niet tot concrete bevindingen over de geestvermogens van verdachte en eventuele interventies geleid, aangezien verdiepingsdiagnostiek – mede vanwege de (proces)houding van verdachte – geen geschikt instrument is gebleken.
De reclassering heeft in haar rapport van 14 november 2025 (daarover) het navolgende overwogen (zakelijk weergegeven):
In het reclasseringsadvies d.d. 04-09-2025 werd reeds het volgende geconcludeerd: “Er heerst op vrijwel alle leefgebieden instabiliteit en wij zien voornamelijk de ontkennende houding van betrokkene, de vermoedelijke psychische problematiek en de verstandhouding met aangeefster (moeder van zijn kind) als risico verhogende factoren. (…) Wij zien op dit moment geen beschermende factoren. In 2020 is een reclasseringstoezicht voltooid wegens het volbrengen van de looptijd. Echter, verschillende doelen zijn hierin niet behaald of negatief afgehandeld, waaronder het meewerken aan diagnostiek, hetgeen betrokkene geweigerd heeft. In juni 2025 heeft betrokkene opnieuw geweigerd om mee te werken aan een pro justitia onderzoek. In P.I. Vught krijgt betrokkene geen behandeling daar hij hier niet gemotiveerd voor is. Ondanks dat betrokkene hedendaags aangeeft mee te willen werken aan diagnostiek en behandeling binnen een reclasseringstoezicht, betwijfelen wij ten zeerste de (intrinsieke) motivatie van betrokkene en of hij daadwerkelijk voornemens is mee te werken. Wij hebben onvoldoende zicht op verslaving- of psychische problematiek. Daarnaast is het onbekend of zijn netwerk gedragsverandering ondersteunt. Wij schatten dan ook het risico op zowel recidive, geweld en onttrekken aan de voorwaarden in als hoog.”
In het eindverslag [de rechtbank leest: van de uitgezette verdiepingsdiagnostiek] d.d. 06-11-2025 lezen we het volgende terug: “Door de ontkennende en vermijdende houding van cliënt is er niet genoeg informatie beschikbaar om tot een gedegen advies te komen.”
De reclassering adviseertprimairom betrokkene alsnog nader Pro Justitia te laten onderzoeken, in de hoop dat dergelijk uitgebreid onderzoek wel meer duidelijkheid kan geven over zijn psychische gesteldheid en aanbevelingen kan geven over in te zetten interventies.
Indien er wordt besloten om betrokkene niet nader Pro Justitia te laten onderzoeken, adviseren wijsubsidiairbij een veroordeling een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. Wij zien op dit moment geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. (…) Voor de bescherming van de slachtoffers achten wij in dat geval een contact- en gebiedsverbod noodzakelijk d.m.v. dadelijke uitvoerbaarheid, met politie-opvolging.
De rechtbank is tijdens de beraadslaging tot het oordeel gekomen dat zij het niet noodzakelijk acht dat een nader onderzoek naar de geestvermogens van verdachte zal worden ingesteld. Bij dit oordeel heeft de rechtbank acht geslagen op de verschillende uitvoerige reclasseringsrapportages over de persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte en het relatief beperkte strafblad van de verdachte. Daarnaast heeft de rechtbank de aard van de bewezenverklaarde feiten en het verloop van het strafgeding meegewogen. De rechtbank acht zich op grond daarvan voldoende voorgelicht om tot een afdoening van de zaak te komen die recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde, de persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte, het gestelde recidivegevaar en het belang van verdachte bij een voortvarende afdoening van zijn zaak. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie tot klinische observatie daarom afwijzen.
Het door de reclassering als hoog ingeschatte recidivegevaar kan naar het oordeel van de rechtbank voldoende worden beteugeld door de oplegging van bijzondere voorwaarden, gekoppeld aan een voorwaardelijk strafdeel met een aanzienlijke proeftijd, in combinatie met de oplegging van een gedragsmaatregel bestaande uit een locatie- en contactverbod.
De aan verdachte op te leggen straf.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden. De rechtbank zal van deze gevangenisstraf een gedeelte van zes maanden voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld om de kans op herhaling te verkleinen. De rechtbank stelt de proeftijd daarbij op drie jaar.
De rechtbank legt hiermee een lichtere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf. De rechtbank van oordeel dat de straf die zij zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
Oplegging van vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr.
Ook is de rechtbank op basis van het verhandelde ter terechtzitting en het voorliggende strafdossier van oordeel dat – ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten jegens aangeefster en/of haar familie – aan verdachte een maatregel die strekt tot de beperking van de vrijheid moet worden opgelegd. Deze vrijheidsbeperkende maatregel legt de rechtbank op overeenkomstig artikel 38v Sr en houdt in dat verdachte op geen enkele wijze, direct of indirect, ook niet via derden, contact zoekt, maakt of heeft met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Verder houdt de maatregel een gebiedsverbod in voor de gemeente Eindhoven.
De rechtbank legt deze vrijheidsbeperkende maatregel op voor de duur van vijf jaren. Daarnaast bepaalt de rechtbank dat voor elke keer dat verdachte zich niet aan deze maatregel houdt vervangende hechtenis voor de duur van twee weken zal worden toegepast. Daarbij geldt dat de vervangende hechtenis voor een maximale duur van zes maanden kan worden opgelegd en dat toepassing van de vervangende hechtenis verdachte niet ontheft van deze maatregel.
De rechtbank zal bevelen dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is omdat er mede gezien het door de reclassering genoemde hoge recidiverisico ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen jegens [slachtoffer 2] en/of haar familieleden.
Voorlopige hechtenis.
De rechtbank stelt vast dat verdachte schuldig wordt bevonden aan ernstige strafbare feiten, waarbij aan hem een gevangenisstraf van 20 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk wordt opgelegd. Dit betekent dat artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering niet aan de orde is. De rechtbank zal het verzoek van de raadsman tot opheffing van de voorlopige hechtenis daarom afwijzen.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft verzocht om de benadeelde partij in het materiële deel van de vordering ter hoogte van € 702,60 niet-ontvankelijk te verklaren. De officier van justitie meent dat de gevorderde immateriële schade geheel toewijsbaar is tot het gevorderde bedrag van € 3.500,-. De officier van justitie heeft verzocht om dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en om hiervoor tevens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft verzocht om de benadeelde partij in het materiële deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade meent de raadsman dat een bedrag van € 500,00 passend is.
Beoordeling.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de gevorderde materiële schade. Er kan niet worden vastgesteld dat de benadeelde partij materiële schade heeft geleden als gevolg van de vernielingen. Immers is de factuurdatum van deze schadepost gesteld op 1 september 2025, terwijl de bewezenverklaarde vernielingen op 1 december 2024 hebben plaatsgevonden. De factuur is niet nader gespecificeerd en het is niet duidelijk of de benadeelde partij deze kostenpost alsnog dient te vergoeden. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van dit deel van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van het materiële deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank is met betrekking tot de immateriële schadevergoeding van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. De aard en de ernst van de normschending (poging brandstichting bij, en vernielingen aan, de woning in de context van een verbroken relatie) brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Uit de onderbouwing van de vordering blijkt ook dat de benadeelde partij kampt met angstklachten en onder behandeling is van een psycholoog. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. Gelet op schadevergoedingen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, wijst de rechtbank toe een bedrag van 2.000,00 euro vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] .
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie meent dat de gevorderde immateriële schade toewijsbaar is tot het gevorderde bedrag van € 500,00 en dat de benadeelde partij ten aanzien van het meer gevorderde niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. De officier van justitie heeft verzocht om het bedrag van € 500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente en om hiervoor tevens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.
Beoordeling.
De rechtbank is met betrekking tot de immateriële schadevergoeding van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. De aard en de ernst van de normschending (een poging mishandeling met een hamer als wapen, zonder enige aanleiding en – gelet op het voorafgaande verstoppen – min of meer vooraf uitgedacht) brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Gelet op schadevergoedingen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, wijst de rechtbank toe een bedrag van 1.000,00 euro vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 45, 57, 157, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
ten aanzien van feit 1 subsidiair:
poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
ten aanzien van feit 2 primair:
poging tot zware mishandeling;
ten aanzien van feit 3:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straf en maatregelen.
ten aanzien van feit 1 subsidiair, feit 2 primair, feit 3:
een
gevangenisstraf voor de duur van 20 maandenmet aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan
6 maanden voorwaardelijken een
proeftijd van 3 jaren
voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
en stelt als bijzondere voorwaarden:
- veroordeelde meldt zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd
telefonischbij Reclassering Nederland (telnr. 088-8041504);
- veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering
buiten de gemeente Eindhoven, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- veroordeelde moet zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, welke aanwijzingen er tevens in kunnen bestaan dat veroordeelde meewerkt aan onderzoek naar zijn geestvermogens en – daarop volgend en indien geïndiceerd – aan een ambulante behandeling gericht op het voorkomen van recidive. De behandeling duurt zo lang als de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
ten aanzien van feit 1 subsidiair, feit 2 primair:
legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid:
- een contactverbodvoor de duur van 5 jaren;
het contactverbod houdt in dat de veroordeelde gedurende 5 jaren zich onthoudt van – direct of indirect – contact met:

* [slachtoffer 2] , geboren op [1996] ;

* [slachtoffer 3] , geboren op [2001] ;

- een gebiedsverbodvoor de duur van 5 jaren;
het gebiedsverbod houdt in dat de veroordeelde zich gedurende 5 jaren niet bevindt in de
gemeente Eindhoven;
beveelt dat voor iedere keer dat veroordeelde zich niet aan deze maatregel houdt vervangende hechtenis voor de duur van 2 weken zal worden toegepast, tot een maximum van 6 maanden;
bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;

beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

ten aanzien van feit 1 subsidiair, feit 3:
beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van € 2.000,00 bestaande uit immateriële schade;
de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] , van een bedrag van € 2.000,00;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen; de toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade; de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
ten aanzien van feit 2 primair:
beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] :
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3] , van een bedrag van
€ 1.000,00 bestaande uit immateriële schade;
de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] , van een bedrag van € 1.000,00;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 10 dagen; de toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade; de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
heft ophet tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde vrijheidsstraf.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. F. van Buchem, voorzitter,
mr. J.G. Vos en mr. R. Grimbergen, leden,
in tegenwoordigheid van mr. A.J.H.L. Coppens, griffier,
en is uitgesproken op 16 januari 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost Brabant, Districtsrecherche Eindhoven, Onderzoek OB2R024170.