Eiseres heeft op 9 januari 2025 een aanvraag ingediend tot intrekking van een natuurvergunning voor een veehouderij. Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant heeft niet binnen de wettelijke termijn op deze aanvraag beslist. Na ingebrekestelling op 4 augustus 2025 bleef het besluit uit, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank stelt vast dat het beroep gegrond is omdat het college niet tijdig heeft beslist. De wettelijke beslistermijn is inmiddels verstreken en het college heeft onvoldoende onderbouwd waarom het besluit nog niet is genomen. De rechtbank bepaalt dat het college binnen negen weken alsnog een besluit moet nemen, waarbij rekening wordt gehouden met een termijn van zes weken voor terinzagelegging van het ontwerpbesluit en een week voor afronding.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat het college de termijn overschrijdt. Het college wordt ook veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres. De uitspraak is gedaan zonder zitting en in het openbaar op 8 april 2026.