Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2213

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
11940383 CV EXPL 25-8158
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 111 lid 2 onder d RvArt. 4 lid 3 Verordening EG 261/2004Art. 7 Verordening EG 261/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding schade na onterechte instapweigering door Ryanair deels toegewezen

Passagier vordert schadevergoeding van Ryanair wegens onterechte instapweigering op vlucht van Eindhoven naar Catania op 17 oktober 2024, veroorzaakt door een landelijke IT-storing bij Ryanair. Passagier en medepassagier werden ondanks tijdige aanwezigheid geweigerd, waarna Ryanair een alternatieve vlucht op 20 oktober aanbood, die voor passagier niet acceptabel was vanwege een familiebijeenkomst.

De gevorderde schade omvat ticketkosten, parkeerkosten, huurauto en verblijfskosten. De kantonrechter wijst de helft van de ticketkosten toe, omdat de vordering mede betrekking heeft op de medepassagier zonder bewijs van machtiging of cessie. Parkeerkosten, huurauto en verblijfskosten worden afgewezen omdat deze door een ander zijn betaald.

Passagier vordert ook een financiële compensatie van €800 op grond van Verordening EG 261/2004, waarvan €400 wordt toegewezen wegens ontbreken van machtiging voor medepassagier. Buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Ryanair wordt veroordeeld tot betaling van toegewezen bedragen, wettelijke rente en proceskosten. Het vonnis is verstek gewezen.

Uitkomst: Ryanair wordt veroordeeld tot gedeeltelijke schadevergoeding en compensatie wegens onterechte instapweigering, met afwijzing van overige kosten en incassokosten.

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer: 11940383 \ CV EXPL 25-8158
Vonnis van 9 april 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonend in [woonplaats] , [land] ,
eisende partij,
hierna te noemen: Passagier,
gemachtigde: mr. F.J.M. Koster,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
RYANAIR DAC,
gevestigd te Swords, Co. Dublin, Ierland,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Ryanair,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:
- de dagvaarding van 6 augustus 2025 met 6 bijlagen;
- de akte overlegging van betekeningsstukken van Passagier.
1.2.
De dagvaarding is opgesteld in de Nederlandse taal en voorzien van een vertaling in de Engelse taal. Uit de door de gemachtigde van Passagier overgelegde betekeningsstukken blijkt dat Ryanair bij die dagvaarding is opgeroepen om op donderdag 30 oktober 2025 om 9.00 uur in persoon of vertegenwoordigd door een gemachtigde te verschijnen bij de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, locatie Eindhoven, om mondeling of schriftelijk te antwoorden. De dagvaarding is op de juiste manier betekend. Ook de overige voorgeschreven formaliteiten zijn in acht genomen.
1.3.
Ryanair is niet verschenen. Daarom is tegen haar verstek verleend.
1.4.
Daarna is een datum voor vonnis bepaald.

2.De vordering

2.1.
Passagier vordert - samengevat - Ryanair, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan Passagier een schadevergoeding te betalen van in totaal € 1.020,34, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 17 oktober 2024. Daarnaast vordert Passagier een bedrag van € 273,05 aan buitengerechtelijke incassokosten en veroordeling van Ryanair in de kosten van de procedure (inclusief nakosten), alles te vermeerderen met de wettelijke rente.
2.2.
Passagier legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. Zij heeft met Ryanair een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond van die overeenkomst moest Ryanair Passagier en haar medepassagier op 17 oktober 2024 met vlucht FR4062 vervoeren van Eindhoven Airport naar Catania, Italië. Passagier stelt dat Ryanair niet heeft voldaan aan haar verplichtingen op grond van de vervoersovereenkomst door de beide reizigers ten onrechte te weigeren om in te stappen op deze vlucht. De weigering heeft volgens Passagier te maken met een landelijke IT-storing bij Ryanair op 17 oktober 2024. Door die IT-storing is het incheckproces ernstig vertraagd. En hoewel het luchthavenpersoneel aan Passagier heeft toegezegd dat vlucht FR4062 op vertraagde passagiers zou wachten, werd na meer dan twee uur wachten aan Passagier medegedeeld dat de incheckbalie inmiddels was gesloten en dat zij en haar medepassagier niet meer konden worden toegelaten tot vlucht FR4062. Volgens Passagier hebben zij en haar medepassagier zich tijdig gemeld voor de vlucht en voldeden zij aan alle voorwaarden voor vervoer. Ryanair heeft een alternatieve vlucht aangeboden voor 20 oktober 2024. Voor Passagier en haar medepassagier was dit geen adequate oplossing, omdat zij juist van 17 tot en met 20 oktober 2024 voor een familiebijeenkomst in Italië hadden willen zijn en de terugvlucht vanuit Italië stond gepland voor 20 oktober 2024.
2.3.
Passagier stelt dat zij door het mislopen van de geboekte vlucht voor een bedrag van in totaal € 1.020,34 schade heeft geleden. Die schade omvat de volgende kosten:
- 1) een bedrag van € 646,54 (geboekte vliegtickets);
- 2) een bedrag van € 93,80 (reservering huurauto op plaats van bestemming);
- 3) een bedrag van € 80,00 (parkeerkosten Eindhoven Airport) en
- 4) een bedrag van € 200,00 (verblijfkosten; het niet kunnen benutten van vooruitbetaalde accommodatie).
2.4.
Uit het lichaam van de dagvaarding begrijpt de kantonrechter dat Passagier aanspraak maakt op een financiële compensatie van 2x € 400,00 (= € 800,00) voor het geval het gevorderde bedrag aan schadevergoeding niet (volledig) wordt toegewezen. Passagier stelt in dit kader dat zij vanwege de onterechte instapweigering op grond van artikel 7 van Pro Verordening EG 261/2004 (hierna: de Verordening) recht heeft op een financiële compensatie van 2x € 400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 oktober 2024.
2.5.
Van Ryanair is geen verweer bekend. Zij is namelijk niet in de procedure verschenen en heeft geen verweer gevoerd.

3.De beoordeling

3.1.
De Nederlandse rechter is bevoegd om kennis te nemen van de vordering, voor zover die is gebaseerd op de Verordening. Meer specifiek is, gelet op het Rehder-arrest [1] , de kantonrechter te Eindhoven bevoegd, omdat de overeengekomen plaats van vertrek van vlucht FR4062 Eindhoven is.
3.2.
Passagier baseert de gevorderde schadevergoeding onder meer op de Verordening.
Uit artikel 4 lid 3 van Pro de Verordening volgt dat passagiers die tegen hun wil de toegang tot een vlucht wordt geweigerd, recht hebben op bijstand zoals bedoeld in de artikelen 8 en 9 van de Verordening. Ryanair heeft geen verweer gevoerd. De vordering van Passagier is daarom toewijsbaar, voor zover deze vordering de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De kantonrechter overweegt daarover het volgende.
Vergoeding van de ticketkosten
3.3.
De vordering van Passagier omvat een bedrag ter hoogte van de prijs die is betaald voor de tickets van Passagier en haar medepassagier. Voor deze ticketkosten geldt dat de helft van het gevorderde bedrag, te weten € 323,27, toewijsbaar is. Het resterende deel komt de kantonrechter ongegrond voor. Daarbij is van belang dat artikel 8 lid 1 van Pro de Verordening de luchtvaartmaatschappij verplicht om Passagier een drievoudige keuze aan te bieden. Het gaat, kort gezegd, om een keuze tussen ‘terugbetaling van de ticketprijs’, ‘een andere vlucht naar de eindbestemming bij eerste gelegenheid’ en ‘een andere vlucht op een later tijdstip naar keuze van de passagier’. Verder heeft Passagier onweersproken gesteld dat zij geen gebruik heeft gemaakt van de andere vlucht die Ryanair aan haar heeft aangeboden. Het gevorderde bedrag aan ticketkosten omvat echter niet alleen de prijs van de tickets van Passagier, maar ook van die van haar medepassagier. Uit niets blijkt dat de medepassagier Passagier heeft gemachtigd om namens hem een vordering in te stellen. Ook is gesteld noch gebleken dat de medepassagier zijn vordering aan Passagier heeft overgedragen. Daarom is het gedeelte van de vordering dat betrekking heeft op de ticketkosten van de medepassagier niet toewijsbaar.
3.4.
De gevorderde wettelijke rente wordt vanaf de dag van dagvaarding toegewezen, omdat voor toewijzing vanaf een eerdere datum geen deugdelijke grond is aangevoerd.
Geen vergoeding van de parkeerkosten en de kosten van accommodatie en huurauto
3.5.
De vordering van Passagier omvat verder een vergoeding van parkeerkosten op Eindhoven Airport en van kosten van de accommodatie en de huurauto die Passagier niet heeft kunnen gebruiken. Dit gedeelte van de vordering komt de kantonrechter ongegrond voor en is daarom niet toewijsbaar. Uit de stukken die Passagier ter onderbouwing van deze vordering heeft overgelegd blijkt namelijk dat niet zij, maar een ander de gestelde kosten voor parkeren, de accommodatie en de huurauto heeft gemaakt. In zoverre heeft Passagier dus geen schade geleden.
Financiële compensatie van € 400,00
3.6.
Volgens Passagier is voor haar en haar medepassagier sprake van een onterechte instapweigering zoals bedoeld in artikel 2 onderdeel Pro j van de Verordening. Voorwaardelijk, voor het geval het gevorderde bedrag aan schadevergoeding niet (volledig) wordt toegewezen, maakt Passagier in het lichaam van de dagvaarding aanspraak op een financiële compensatie van € 800,00, te weten: € 400,00 voor haar en € 400,00 voor haar medepassagier. De kantonrechter constateert dat deze subsidiaire vordering niet is opgenomen in het petitum.
3.7.
Ryanair heeft geen verweer gevoerd.
3.8.
In artikel 111 lid 2 onder Pro d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is bepaald dat het exploot van dagvaarding de eis en de gronden daarvan moet vermelden. De eis hoeft niet op een bepaalde plaats of in een bepaalde vorm in de dagvaarding te worden opgenomen, maar wel is in beginsel vereist dat een afzonderlijk en als zodanig herkenbare eis in de dagvaarding voorkomt op een voldoende in het oog springende wijze. Als uit het lichaam van de dagvaarding zonder meer duidelijk is tegen welke vordering de gedaagde zich heeft te verweren, dan zal het zich kunnen voordoen dat aan het vereiste van artikel 11 lid 2 onder Pro d Rv is voldaan, ook als de eis niet uitdrukkelijk is geformuleerd aan het slot van de dagvaarding. [2]
3.9.
De kantonrechter is van oordeel dat Passagier in deze procedure een voorwaardelijke vordering tot financiële compensatie heeft ingesteld die voldoet aan de eisen van artikel 111 lid 2 onder Pro d Rv. Daarbij weegt mee dat onder het subkopje “Subsidiaire vordering” in de paragrafen 31 en 32 van de dagvaarding in duidelijke bewoordingen is opgenomen dat Passagier aanspraak maakt op een forfaitaire compensatie van € 800,00 wegens instapweigering voor twee personen en op welke grond Ryanair die compensatie in dit geval zou zijn verschuldigd. Daarmee moet het voor Ryanair zonder meer duidelijk zijn geweest dat Passagier beoogde een voorwaardelijke vordering tot het betalen van een bedrag aan financiële compensatie in te stellen.
3.10.
De vordering tot betaling van een financiële compensatie vanwege een instapweigering komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en is dus toewijsbaar, behalve voor het gedeelte dat hoort bij de medepassagier. Uit de artikelen 4 lid 3 en 7 van de Verordening volgt namelijk dat de passagier die tegen zijn wil de toegang tot een vlucht is geweigerd, aanspraak kan maken op onder meer een financiële compensatie. Uit de stukken maakt de kantonrechter op dat Passagier niet alleen voor zichzelf, maar ook voor haar medepassagier een financiële compensatie van € 400,00 (per persoon) vordert. Nergens uit blijkt dat de medepassagier Passagier heeft gemachtigd om dit bedrag namens hem te vorderen van Ryanair of dat deze vordering aan Passagier is overgedragen. Het gevolg is dat de vordering van Passagier tot het betalen van een financiële compensatie toewijsbaar is tot een bedrag van € 400,00.
3.11.
Tegen de gevorderde wettelijke rente is ook geen verweer gevoerd, zodat deze zal worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
3.12.
Passagier vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, omdat Passagier onvoldoende heeft onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Uit de overgelegde stukken blijkt namelijk niet dat en op welke datum Passagier een aanmaning als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW Pro aan Ryanair heeft verzonden en ook niet dat en op welke datum Ryanair deze aanmaning op zijn laatst heeft ontvangen.
3.13.
Omdat de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen, is ook de gevorderde wettelijke rente daarover niet toewijsbaar.
Proceskosten
3.14.
Ryanair DAC is de meest in het ongelijk gestelde partij en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Passagier worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
226,00
- salaris gemachtigde
217,00
(1 punt × € 217,00)
- nakosten
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
673,85

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt Ryanair om aan Passagier te betalen een bedrag van € 323,27 aan ticketkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag, met ingang van 6 augustus 2025, tot de dag van volledige betaling;
4.2.
veroordeelt Ryanair om aan Passagier te betalen een bedrag van € 400,00 aan compensatie, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag, met ingang van 17 oktober 2024, tot de dag van volledige betaling;
4.3.
veroordeelt Ryanair in de kosten van de procedure, aan de kant van Passagier tot vandaag vastgesteld op € 673,85, te betalen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de 15e dag na betekening van het vonnis en te vermeerderen met de explootkosten van betekening;
4.4.
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. van den Berk en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.

Voetnoten

1.Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 juli 2009, C-204/08, ECLI:EU:C:2009:439.
2.HR 15 november 1991,