Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2216

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
26/614
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 2.4 Wet BRP
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inschrijving als ingezetene op vakantieparkadres

Verzoekers hebben verzocht om voorlopige voorziening tegen de inschrijving als ingezetenen in de basisregistratie personen (BRP) op het adres van een vakantiepark waar zij een vakantiewoning huren. De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen sprake is van een ambtshalve inschrijving, aangezien verzoekers zelf het verzoek tot inschrijving hebben ingediend.

De voorzieningenrechter stelt vast dat er geen spoedeisend belang is voor het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoekers kunnen zich immers inschrijven in een andere gemeente indien zij menen daar ingezetenen te zijn, of een verzoek indienen voor inschrijving met een briefadres of tijdelijk verblijfsadres. De stelling dat het aanvragen van een briefadres geen optie is, is niet onderbouwd.

Verder leidt de vrees van verzoekers dat de parkeigenaar de huurovereenkomst wil beëindigen niet tot spoedeisend belang, omdat dit een civielrechtelijke kwestie betreft. Er is geen sprake van feitelijke opzegging of ontbinding van de huurovereenkomst. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek af en wordt het griffierecht niet teruggegeven.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening om de inschrijving als ingezetenen op het vakantieparkadres te schorsen is afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/614

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 april 2026 in de zaak tussen

[verzoekers], uit [woonplaats], verzoekers,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heeze-Leende,het college,
(gemachtigde: [naam]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de beslissing van het college om hen als ingezetenen van de gemeente Heeze-Leende in te schrijven in de basisregistratie personen (BRP).
1.1.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Verzoekers hebben op 7 oktober 2025 een verhuisaangifte ingediend bij het college waarbij zij het adres [adres] in [woonplaats] hebben opgegeven. Dit is het adres van caravanpark [naam]. Met een e-mail van 7 oktober 2025 en een brief van 13 oktober 2025 heeft het college de verhuisaangifte bevestigd. Het college heeft verzoekers vervolgens als ingezetenen ingeschreven in de BRP op het in hun aangifte genoemde adres. [1]
3. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Ook hebben zij onderhavig verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Verzoekers willen met dit verzoek bereiken dat hun inschrijving als ingezetenen van de gemeente Heeze-Leende wordt geschorst totdat het college op hun bezwaar heeft beslist.
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is.
4.1.
Daarover overweegt de voorzieningenrechter dat er in de eerste plaats geen sprake is van een ambtshalve inschrijving door het college zoals verzoekers stellen. Verzoekers hebben zelf verzocht als ingezetenen te worden ingeschreven bij de gemeente Heeze-Leende en daarop heeft het college een toekennend besluit genomen. Dit wordt niet anders doordat verzoekers vinden dat zij hiertoe zijn gedwongen door de gemeente Sint-Michielsgestel (waar zij kennelijk voorheen als ingezetenen stonden ingeschreven). Het staat verzoekers verder vrij om zich in een andere gemeente in te schrijven als zij (bij nader inzien) vinden dat zij ingezetenen van die gemeente zijn. Het college van burgemeester en wethouders van die gemeente zal op een dergelijk verzoek moeten beslissen. Ook staat het verzoekers vrij om bij het college een verzoek in te dienen om met een briefadres of tijdelijk verblijfsadres te worden ingeschreven (in plaats van een inschrijving als ingezetenen). Het college moet dan beslissen op dat verzoek en tot de verzochte inschrijving overgaan als verzoekers aan de daarvoor geldende wettelijke voorwaarden voldoen. Dat het aanvragen van een briefadres geen optie is zoals verzoekers stellen is op geen enkele wijze onderbouwd.
4.2.
Wat verzoekers hebben aangevoerd over de officiële waarschuwing die zij van de parkeigenaar van caravanpark Recrenova hebben gekregen, leidt eveneens niet tot een spoedeisend belang. Zij vrezen dat de parkeigenaar de huurovereenkomst wil ontbinden, omdat verzoekers zich op het caravanpark als ingezetenen hebben ingeschreven. De voorzieningenrechter stelt voorop dat dit geschil over een contractueel verbod een zaak is tussen de partijen bij die overeenkomst, namelijk verzoekers en de parkeigenaar. Als zij daar onderling niet uitkomen is een civiele procedure de aangewezen weg. Overigens volgt uit de stukken die door verzoekers zijn overgelegd dat de parkeigenaar een waarschuwing heeft gegeven en verzoekers erop wijst dat inschrijving als ingezetenen op het adres van het vakantiepark contractueel verboden is. Hoewel de parkeigenaar de consequentie van beëindiging van de huurovereenkomst in het vooruitzicht stelt, is van feitelijke opzegging of ontbinding van de huurovereenkomst (nog) geen sprake.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Verzoekers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I. van der Wijngaart, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, van de Wet BRP.