Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2218

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
25/2725
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.3 Wet kinderopvang
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugwerkende kracht kinderopvangtoeslag tot maximaal drie maanden

Eiseres heeft kinderopvangtoeslag aangevraagd met terugwerkende kracht voor het gehele jaar 2024, terwijl de wet een maximale terugwerkende periode van drie maanden hanteert. De Dienst Toeslagen verleende een voorschot voor december 2024, waarna eiseres bezwaar maakte om toeslag voor het hele jaar toe te kennen.

De rechtbank oordeelt dat de wettelijke bepaling in artikel 1.3, tweede lid, van de Wet kinderopvang duidelijk stelt dat toeslag niet eerder dan drie maanden voor de aanvraag kan worden toegekend. Er is geen ruimte voor afwijking van deze termijn, ook niet op basis van redelijkheid of coulance.

Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de situatie van eiseres en erkent dat zij te goeder trouw handelde, kan zij niet afwijken van de wetgever's keuze. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het besluit van de Dienst Toeslagen blijft in stand.

Partijen is gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de kinderopvangtoeslag wordt slechts toegekend met terugwerkende kracht tot maximaal drie maanden vóór de aanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2725
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

en

de Dienst Toeslagen

(gemachtigden: [naam] en [naam]).

Zitting

De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld door haar stiefvader, en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Motivering

1. Eiseres heeft op 31 maart 2025 kinderopvangtoeslag aangevraagd.
1.1.
Met het besluit van 9 mei 2025 heeft de Dienst Toeslagen aan eiseres voor het jaar 2024 een voorschot kinderopvangtoeslag verleend van € 346. Dit voorschot heeft betrekking op de maand december 2024.
1.2.
Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Zij heeft verzocht om de kinderopvangtoeslag voor heel 2024 toe te kennen.
1.3.
Met het besluit van 19 september 2025 (bestreden besluit) is de Dienst Toeslagen bij het besluit van 9 mei 2025 gebleven. De Dienst Toeslagen heeft hierbij gemotiveerd dat de kinderopvangtoeslag volgens de wet met terugwerkende kracht kan worden toegekend, maar tot maximaal drie maanden. De kinderopvangtoeslag kan daarom niet eerder ingaan dan op 1 december 2024.
1.4.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Op wat zij heeft aangevoerd, gaat de rechtbank hierna in.
2. Eiseres wijst erop dat zij voor het gehele jaar 2024 gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang en hiervoor aantoonbaar kosten heeft gemaakt. Ter onderbouwing hiervan heeft zij de jaaropgave van de kinderdagopvang overgelegd. Zij wijst erop dat zij niet op de hoogte was van het feit dat de kinderopvangtoeslag slechts met drie maanden terugwerkende kracht kan worden aangevraagd. Zij verkeerde in de veronderstelling dat zij met het doen van haar belastingaangifte voor het jaar 2024 ook de kinderopvangtoeslag voor dat jaar aanvroeg. Zij handelde naar beste weten en kunnen. Daarnaast stelt zij dat het vasthouden aan de wettelijke termijn voor het aanvragen van kinderopvangtoeslag voor haar en haar gezin tot onevenredig zware gevolgen leidt. De kinderopvangtoeslag is voor haar namelijk een noodzakelijke steun in de maandelijkse lasten. Zij verzoekt om een heroverweging op basis van coulance en redelijkheid.
3. De Dienst Toeslagen heeft in het verweerschrift toegelicht waarom hij bij zijn standpunt is gebleven.
4. In artikel 1.3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet kinderopvang staat dat een ouder geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag over de periode tot de eerste dag van de kalendermaand die drie kalendermaanden ligt voor de datum van de aanvraag.
5. De rechtbank stelt vast dat de tekst van deze bepaling geen ruimte biedt om van deze bepaling af te wijken. Verder zijn er geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de wetgever bedoeld heeft de mogelijkheid open te laten om onder omstandigheden van de termijn van drie kalendermaanden af te wijken. De wetgever heeft bewust gekozen voor deze termijn. [1]
6. De rechtbank heeft begrip voor het standpunt van eiseres en twijfelt er niet aan dat zij naar beste weten en kunnen heeft gehandeld. De rechtbank is zich er ook van bewust dat eiseres nu een groot bedrag aan kinderopvangtoeslag misloopt. Gelet op wat onder 5 is overwogen, is het in dit geval echter niet aan de rechtbank om voorbij te gaan aan de keuze van de wetgever. Als de rechtbank dat wel zou doen, zou zij op de stoel van de wetgever gaan zitten.
7. Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit in stand kan blijven en dat eiseres geen gelijk krijgt.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
De rechter deelt mede dat van deze uitspraak een proces-verbaal (anders gezegd: een verslag) wordt opgemaakt dat binnen twee weken aan partijen zal worden toegestuurd.
De rechter wijst erop dat partijen het recht hebben om tegen deze uitspraak hoger beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hoger beroep moet zijn ingesteld binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Woestenburg, rechter, in aanwezigheid van
mr. Y. Mutsaers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Voetnoten

1.Zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772. Deze is te vinden op www.rechtspraak.nl.