Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres
[naam](vergunninghoudster)
Samenvatting
1.2. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Dit beroep is geregistreerd als
binnende Biesbosch en een aanvraag voor de activiteiten
buitendit Natura 2000-gebied. De aanvraag is behandeld volgens de uniforme openbare voorbereidingsprocedure in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiseres heeft een zienswijze ingebracht tegen de ontwerpbesluiten.
2.6. De rechtbank heeft de beroepen op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van eiseres, het college en vergunninghoudster deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
3.1. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Volgens vaste rechtspraak is sprake van een besluit in de zin van artikel 6:19 Awb Pro als het nieuwe besluit binnen de grondslag en de reikwijdte blijft van het oorspronkelijke besluit dan wel op grond van dezelfde aanvraag is genomen. [1] 3.2. In dit geval is sprake van een nieuwe aanvraag. De oude natuurvergunning is verleend op grond van een aanvraag die vergunninghoudster op 9 maart 2020 heeft ingediend. De nieuwe natuurvergunningen zijn verleend op grond van de aanvraag die vergunninghoudster op 22 juli 2024 heeft ingediend. Als sprake is van een nieuwe aanvraag vertoont het nieuwe besluit in beginsel onvoldoende samenhang met het eerdere besluit om artikel 6:19 van Pro de Awb toe te passen. Dat is anders als de nieuwe aanvraag niet noodzakelijk was. Die omstandigheid doet zich hier echter niet voor. De nieuwe natuurvergunningen hebben betrekking op meer jachtvelden. Daarnaast is de frequentie van de activiteiten uitgebreid ten opzichte van de oude natuurvergunning. Dat zou niet mogelijk zijn geweest zonder een nieuwe aanvraag. Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb is dan ook niet van toepassing. Het beroep van eiseres tegen de natuurvergunning uit 2023 is niet mede gericht tegen de nieuwe natuurvergunningen.
Ontvankelijkheid van het beroep tegen de oude natuurvergunning (24/204)4. De oude natuurvergunning is vervangen door de nieuwe natuurvergunningen. Sinds de inwerkingtreding van de nieuwe natuurvergunningen heeft de natuurvergunning uit 2023 dan ook geen werking meer. Daaruit vloeit voort dat eiseres in beginsel geen procesbelang meer heeft bij de uitkomst van de procedure tegen de oude natuurvergunning.
4.1. Eiseres heeft tijdens de zitting aangegeven nog steeds procesbelang te hebben omdat de natuurvergunning uit 2023 is verleend voor onbepaalde tijd. Met het besluit tot verlening van de nieuwe natuurvergunningen is de oude natuurvergunning ingetrokken. Als de nieuwe natuurvergunningen worden vernietigd, herleeft de oude natuurvergunning weer.
4.2. In deze uitspraak komt de rechtbank tot de conclusie dat de verlening van de nieuwe natuurvergunningen in rechte stand houdt. De oude natuurvergunning herleeft dus niet. Eiseres kan dan ook geen procesbelang ontlenen aan de mogelijkheid dat de oude natuurvergunning herleeft. Het beroep tegen de oude natuurvergunning is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.
Ontvankelijkheid van het beroep tegen de nieuwe natuurvergunningen (26/1037)
Bijlage 1 bij elk van de natuurvergunningen bevat de grens van beide vergunde projecten en de jachtvelden waarbinnen de faunabeheeractiviteiten plaatsvinden. Het college heeft alle aanbevolen mitigerende maatregelen in de natuurvergunningen opgenomen. Die maatregelen zijn opgenomen in de bijlagen 2 en 3 bij deze vergunningen en in de voorschriften. In voorschrift 1 van beide vergunningen is bepaald dat alle beoogde handelingen dienen te voldoen aan de overzichten zoals aangegeven in bijlagen 2 en 3. In de daaropvolgende voorschriften in beide vergunningen zijn verderstrekkende mitigerende maatregelen geborgd. Volgens het college zijn met inachtneming van de mitigerende maatregelen geen significant negatieve effecten te verwachten die de natuurlijke kenmerken van het beschermde gebied kunnen aantasten. Andere faunabeheeractiviteiten, bijvoorbeeld voor het plaatsen van vangkooien en kastvallen zijn niet vermeld in bijlage 2 en daarvoor zijn geen mitigerende maatregelen geborgd in voorschrift 1. Dit betekent niet dat de natuurvergunningen voor die activiteiten, voor zover deze zijn aangevraagd, zijn geweigerd.
Deze activiteiten zijn ingedeeld in categorie 1. Uit de passende beoordeling blijkt dat activiteiten in deze categorie de lichtste mate van verstoring teweegbrengen voor de beschermde soorten. [6] Dat niet voor 100% valt uit te sluiten dat een beschermde vogel wordt gevangen in een vangkooi of kastval, maakt dit niet anders, nu het om incidentele gevallen gaat en de beschermde vogel bij controle dient te worden vrijgelaten.
In de paragrafen 4 en 5 zijn de effecten van faunabeheer voor de instandhoudingsdoelstellingen van de beschermde soorten beschreven. Hierbij is aangegeven in welk seizoen deze activiteiten plaatsvinden. Verder is aangegeven dat de schadebestrijding van ganzen en landelijk vrijgestelde soorten (o.m. zwarte kraai, kauw en vos) zal plaatsvinden in landbouwgebieden, dat hierdoor incidentele verstoring in de Biesbosch kan optreden, maar dat gezien de lage frequentie van deze activiteiten geen wezenlijke verstoring is te verwachten. [7] In het licht van het voorgaande heeft de deskundige geen nadere omschrijving gegeven van de locatie en de frequentie van de vergunde activiteiten in categorie 1. De rechtbank ziet in het betoog van eiseres geen aanleiding voor de conclusie dat de beschrijving van de vergunde activiteiten in categorie 1 niet voldoende is om de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de beschermde soorten te kunnen beoordelen. Het college heeft de passende beoordeling in zoverre ten grondslag kunnen leggen aan de nieuwe natuurvergunningen.
12.3. Eiseres stelt niet dat het systeem waar de passende beoordeling van uitgaat onjuist is of dat het onjuist is toegepast. Eiseres heeft ook op dit punt geen concrete aanknopingspunten aangevoerd voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de toegepaste methode, de begrijpelijkheid van de daarin gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop. Bovendien heeft eiseres de in de passende beoordeling weergegeven verspreidingsgebieden van de beschermde soorten niet in twijfel getrokken.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep tegen het besluit van 27 november 2023 (de oude natuurvergunning) niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen de besluiten van 17 juli 2025 (de nieuwe natuurvergunningen) ongegrond.
Informatie over hoger beroep
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een Natura 2000-activiteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als uit de passende beoordeling, bedoeld in artikel 16.53c, eerste lid, van de wet, de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.