Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2266

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
24/204 en 26/1037
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 lid 1 onder e OmgevingswetArt. 8.74b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgevingArt. 2.7 Wet natuurbeschermingArt. 6:7 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling en handhaving van omgevingsvergunningen voor Natura 2000-activiteiten in de Biesbosch

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft de verlening van omgevingsvergunningen voor jacht, beheer en schadebestrijding in het Natura 2000-gebied de Biesbosch. Eiseres betwistte de vergunningen, stellende dat de passende beoordeling onvoldoende was en dat significante negatieve effecten op beschermde soorten niet met zekerheid konden worden uitgesloten.

De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen de oude vergunning niet-ontvankelijk is wegens gebrek aan procesbelang, omdat deze vergunning is vervangen door nieuwe vergunningen. Het beroep tegen de nieuwe vergunningen werd inhoudelijk behandeld en als ongegrond verworpen. De rechtbank vond dat de passende beoordeling zorgvuldig was opgesteld, met voldoende onderbouwing van mitigerende maatregelen, verstoringsafstanden en uitwijkmogelijkheden voor beschermde soorten.

De rechtbank ging uitgebreid in op de door eiseres aangevoerde bezwaren, zoals onvoldoende in kaart gebrachte verstorende activiteiten, het effect van honden, geluidsoverlast, verstoringsafstanden en de bescherming van specifieke vogelsoorten. Geen van deze gronden leidde tot twijfel aan de zorgvuldigheid of volledigheid van de passende beoordeling. Ook het verzoek om de STAB in te schakelen werd afgewezen.

De uitspraak bevestigt dat de vergunningen voor faunabeheer in de Biesbosch rechtsgeldig zijn verleend en dat de beschermde natuurwaarden adequaat worden beschermd door de vergunningvoorschriften en mitigerende maatregelen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen de oude vergunning niet-ontvankelijk en het beroep tegen de nieuwe vergunningen ongegrond, waardoor de vergunningen in stand blijven.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 24/204 en SHE 26/1037

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. L. Mohammad),
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant,het college
(gemachtigden: mr. E.C.S.F. Frenken, [naam] en mr. L.M.C. Cloodt).
Als derde-partij heeft deelgenomen:
[naam](vergunninghoudster)
(gemachtigden: [naam] en [naam])

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verlening van twee omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van Natura 2000 activiteiten (jacht, beheer en schadebestrijding) in en rondom het Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’ (verder: de natuurvergunningen). Eiseres is het niet eens met de natuurvergunningen.
1.1.
De rechtbank beoordeelt de natuurvergunningen aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de verlening van de nieuwe natuurvergunningen in rechte stand houdt. De natuurvergunningen zijn gebaseerd op een passende beoordeling. Eiseres heeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van de passende beoordeling, de begrijpelijkheid van de daarin gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren gebracht.
1.2. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 27 november 2023 heeft het college vergunninghoudster een vergunning op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb) verleend voor het uitvoeren van de faunabeheeractiviteiten jacht, beheer en schadebestrijding (hierna ook: faunabeheer) in en rondom het Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’ (hierna ook: de Biesbosch). De natuurvergunning is verleend voor een periode van zes jaar vanaf de datum van inwerkingtreding.
2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Dit beroep is geregistreerd als
SHE 24/204. Daarnaast zijn beroepen ingesteld door vergunninghoudster en een jachthouder, geregistreerd als SHE 24/166 en SHE 24/181.
2.2.
Op 22 juli 2024 heeft vergunninghoudster een gewijzigde aanvraag ingediend voor de uitvoering van de faunabeheeractiviteiten. Op 1 mei 2025 heeft zij verzocht om deze aanvraag te splitsen in twee afzonderlijke onderdelen, te weten een aanvraag voor de activiteiten
binnende Biesbosch en een aanvraag voor de activiteiten
buitendit Natura 2000-gebied. De aanvraag is behandeld volgens de uniforme openbare voorbereidingsprocedure in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiseres heeft een zienswijze ingebracht tegen de ontwerpbesluiten.
2.3.
Met de bestreden besluiten van 17 juli 2025 (hierna ook: de nieuwe natuurvergunningen) heeft het college vergunninghoudster op grond van artikel 5.1, aanhef en onder e, van de Omgevingswet vergunningen verleend voor het uitvoeren van de faunabeheeractiviteiten in en rondom de Biesbosch. Het college heeft bepaald dat de nieuwe natuurvergunningen in de plaats treden van de natuurvergunning uit 2023.
2.4.
Eiseres heeft op 3 september 2025 beroep ingesteld tegen de nieuwe natuurvergunningen. Dit beroep is geregistreerd als SHE 26/1037.
Vergunninghoudster en de jachthouder hebben hun beroepen ingetrokken.
2.5.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.6. De rechtbank heeft de beroepen op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van eiseres, het college en vergunninghoudster deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Object van beoordeling
3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de natuurvergunning uit 2023 (hierna ook: de oude natuurvergunning). De rechtbank zal eerst bespreken of dit beroep van rechtswege mede gericht is tegen de nieuwe natuurvergunningen.
3.1. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Volgens vaste rechtspraak is sprake van een besluit in de zin van artikel 6:19 Awb Pro als het nieuwe besluit binnen de grondslag en de reikwijdte blijft van het oorspronkelijke besluit dan wel op grond van dezelfde aanvraag is genomen. [1] 3.2. In dit geval is sprake van een nieuwe aanvraag. De oude natuurvergunning is verleend op grond van een aanvraag die vergunninghoudster op 9 maart 2020 heeft ingediend. De nieuwe natuurvergunningen zijn verleend op grond van de aanvraag die vergunninghoudster op 22 juli 2024 heeft ingediend. Als sprake is van een nieuwe aanvraag vertoont het nieuwe besluit in beginsel onvoldoende samenhang met het eerdere besluit om artikel 6:19 van Pro de Awb toe te passen. Dat is anders als de nieuwe aanvraag niet noodzakelijk was. Die omstandigheid doet zich hier echter niet voor. De nieuwe natuurvergunningen hebben betrekking op meer jachtvelden. Daarnaast is de frequentie van de activiteiten uitgebreid ten opzichte van de oude natuurvergunning. Dat zou niet mogelijk zijn geweest zonder een nieuwe aanvraag. Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb is dan ook niet van toepassing. Het beroep van eiseres tegen de natuurvergunning uit 2023 is niet mede gericht tegen de nieuwe natuurvergunningen.
Ontvankelijkheid van het beroep tegen de oude natuurvergunning (24/204)4. De oude natuurvergunning is vervangen door de nieuwe natuurvergunningen. Sinds de inwerkingtreding van de nieuwe natuurvergunningen heeft de natuurvergunning uit 2023 dan ook geen werking meer. Daaruit vloeit voort dat eiseres in beginsel geen procesbelang meer heeft bij de uitkomst van de procedure tegen de oude natuurvergunning.
4.1. Eiseres heeft tijdens de zitting aangegeven nog steeds procesbelang te hebben omdat de natuurvergunning uit 2023 is verleend voor onbepaalde tijd. Met het besluit tot verlening van de nieuwe natuurvergunningen is de oude natuurvergunning ingetrokken. Als de nieuwe natuurvergunningen worden vernietigd, herleeft de oude natuurvergunning weer.
4.2. In deze uitspraak komt de rechtbank tot de conclusie dat de verlening van de nieuwe natuurvergunningen in rechte stand houdt. De oude natuurvergunning herleeft dus niet. Eiseres kan dan ook geen procesbelang ontlenen aan de mogelijkheid dat de oude natuurvergunning herleeft. Het beroep tegen de oude natuurvergunning is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.
Ontvankelijkheid van het beroep tegen de nieuwe natuurvergunningen (26/1037)
5. De nieuwe natuurvergunningen zijn op 22 juli 2025 op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. De beroepstermijn bedraagt zes weken (artikel 6:7 van Pro de Awb). Eiseres kon daarom tot en met twee september 2025 beroep instellen bij de rechtbank. Zij heeft echter pas op drie september 2025 beroep ingesteld. Er is dus sprake van een kleine overschrijding van de beroepstermijn. Dit kan eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet worden toegerekend. In de bestreden besluiten staat namelijk dat deze op grond van artikel 6:19 van Pro de Awb in de plaats treden van de natuurvergunning uit 2023. In de bestreden besluiten staat ook dat het beroep in deze zaak (SHE 24/181) zich tegen de nieuwe natuurvergunningen richt. Daarmee is eiseres op het verkeerde been gezet over de toepasselijkheid van artikel 6:19 van Pro de Awb. Zij kon daardoor menen dat het niet nodig was om binnen zes weken beroep in te stellen. De rechtbank is van oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiseres in verzuim is geweest en laat niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding achterwege. Artikel 6:11 van Pro de Awb maakt dat mogelijk.
De nieuwe natuurvergunningen
6. Aan de nieuwe natuurvergunningen ligt één passende beoordeling van 26 november 2024 ten grondslag, die is opgesteld door het ecologisch adviesbureau Van Bommel Faunawerk (de deskundige). In de passende beoordeling zijn de Natura 2000-activiteiten beschreven waarvoor vergunninghoudster natuurvergunningen heeft aangevraagd. Getoetst is of sprake is van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied Biesbosch als gevolg van jacht, beheer en schadebestrijding. De conclusie van de passende beoordeling is dat significant negatieve effecten van het uitvoeren van de beoogde faunabeheeractiviteiten op de instandhoudingsdoelen van de Biesbosch, indien de aanbevolen mitigerende maatregelen in acht worden genomen, met zekerheid kunnen worden uitgesloten.
6.1.
De nieuwe natuurvergunningen zijn verleend voor faunabeheer in en rondom de Biesbosch.
Bijlage 1 bij elk van de natuurvergunningen bevat de grens van beide vergunde projecten en de jachtvelden waarbinnen de faunabeheeractiviteiten plaatsvinden. Het college heeft alle aanbevolen mitigerende maatregelen in de natuurvergunningen opgenomen. Die maatregelen zijn opgenomen in de bijlagen 2 en 3 bij deze vergunningen en in de voorschriften. In voorschrift 1 van beide vergunningen is bepaald dat alle beoogde handelingen dienen te voldoen aan de overzichten zoals aangegeven in bijlagen 2 en 3. In de daaropvolgende voorschriften in beide vergunningen zijn verderstrekkende mitigerende maatregelen geborgd. Volgens het college zijn met inachtneming van de mitigerende maatregelen geen significant negatieve effecten te verwachten die de natuurlijke kenmerken van het beschermde gebied kunnen aantasten. Andere faunabeheeractiviteiten, bijvoorbeeld voor het plaatsen van vangkooien en kastvallen zijn niet vermeld in bijlage 2 en daarvoor zijn geen mitigerende maatregelen geborgd in voorschrift 1. Dit betekent niet dat de natuurvergunningen voor die activiteiten, voor zover deze zijn aangevraagd, zijn geweigerd.
Toetsingskader
7. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Omgevingswet is het verboden zonder omgevingsvergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren die, afzonderlijk of in combinatie met andere projecten, significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Voor een project dat mogelijk significante negatieve gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied moet eerst een passende beoordeling plaatsvinden (artikel 16.53c, eerste lid, Omgevingswet).
Op grond van artikel 8.74b, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
7.1.
Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 7 september 2004 overwogen dat in een passende beoordeling op basis van de beste wetenschappelijke kennis ter zake, alle aspecten van het project die op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten de instandhoudingsdoelstellingen van dit gebied in gevaar kunnen brengen, moeten worden geïnventariseerd. Dit betekent dat alle mogelijke effecten van de activiteit in een passende beoordeling moeten worden bezien om te kunnen beoordelen of is verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast door die activiteit. [2]
7.2.
De passende beoordeling is opgesteld door een deskundige. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van Pro de Awb voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van Pro de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat over het advies is aangevoerd. [3] Beschrijving verstorende activiteiten
8. Eiseres voert aan dat de verstorende activiteiten onvoldoende in kaart zijn gebracht in de passende beoordeling. Verstorende activiteiten, zoals fretteren, vangen van zwarte kraaien, kauwen en vossen door middel van vangkooien en/of kastvallen, schudden en rapen van eieren van ganzen/knobbelzwanen, vangen van ruiende ganzen met behulp van netten, faunabeheer met behulp van kunstlicht, rijbewegingen met voertuigen, uitzetten van materialen en betreding van leefgebieden zijn onvoldoende in beeld gebracht. In de passende beoordeling is niet ingegaan op de negatieve effecten die worden veroorzaakt door de plaatsing van kastvallen en vangkooien. Niet beschreven is of beschermde vogels of andere dieren in een kastval of vangkooi verzeild kunnen raken en wat de gevolgen hiervan zijn. Ook is niet beschreven hoeveel auto’s, boten en andere voertuigen in het gebied mogen rijden en varen. Onduidelijk is hoeveel schuilhutten, jachthutten, jachtschermen en netten geplaatst zullen worden in het gebied. Niet is ingegaan op het effect van kunstlicht en jachtvogels op beschermde soorten.
8.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat alle genoemde activiteiten zijn meegenomen in de passende beoordeling. De geografische indeling is duidelijk gemaakt door een verdeling van jachtvelden. Een verdere detaillering is niet mogelijk omdat op voorhand niet precies kan worden bepaald waar de te bejagen vogels zich bevinden en waar de activiteiten dus precies gaan plaatsvinden. De routes naar en vanaf de betreffende locaties zijn over openbaar toegankelijke wegen en paden die anderszins ook al in gebruik zijn. Jagen in de nacht met behulp van kunstlicht is niet aangevraagd en niet vergund.
8.2.
De rechtbank stelt vast dat in paragraaf 2.3.2 van de passende beoordeling [4] vijftien vormen van faunabeheer zijn beschreven. Deze omschrijving omvat alle door eiseres genoemde vormen van faunabeheer. De vijftien faunabeheervormen zijn op basis van de mate van verstoring ingedeeld in drie categorieën. Per categorie is de mate van verstoring beschreven. Vervolgens is in paragraaf 4.1 van de passende beoordeling per categorie aangegeven welke activiteiten in en rond de Biesbosch plaatsvinden en is een opsomming gegeven in tabel 4.1 [5] . Uit die tabel blijkt dat fretteren (nr. 1) , het jagen op vogels met de jachtvogel (nr. 2) of op konijnen (nr. 3) en het vangen van ruiende ganzen (nr 7) met behulp van netten niet plaatsvinden. Evenmin vindt nachtelijk faunabeheer/jagen met behulp van kunstlicht (nr. 11) plaats. De rechtbank stelt vast dat deze activiteiten niet zijn aangevraagd en dus ook niet worden vergund. Alleen daarom al hoefden deze activiteiten niet verder te worden beschreven.
8.3.
Vangen van zwarte kraaien en kauwen met vangkooien en/of kastvallen en schudden en rapen van eieren van ganzen/knobbelzwanen vinden wel plaats in en rondom de Biesbosch en vallen onder de natuurvergunningen. Vangen en doden van vossen met vangkooien is alleen vergund rondom de Biesbosch.
Deze activiteiten zijn ingedeeld in categorie 1. Uit de passende beoordeling blijkt dat activiteiten in deze categorie de lichtste mate van verstoring teweegbrengen voor de beschermde soorten. [6] Dat niet voor 100% valt uit te sluiten dat een beschermde vogel wordt gevangen in een vangkooi of kastval, maakt dit niet anders, nu het om incidentele gevallen gaat en de beschermde vogel bij controle dient te worden vrijgelaten.
In de paragrafen 4 en 5 zijn de effecten van faunabeheer voor de instandhoudingsdoelstellingen van de beschermde soorten beschreven. Hierbij is aangegeven in welk seizoen deze activiteiten plaatsvinden. Verder is aangegeven dat de schadebestrijding van ganzen en landelijk vrijgestelde soorten (o.m. zwarte kraai, kauw en vos) zal plaatsvinden in landbouwgebieden, dat hierdoor incidentele verstoring in de Biesbosch kan optreden, maar dat gezien de lage frequentie van deze activiteiten geen wezenlijke verstoring is te verwachten. [7] In het licht van het voorgaande heeft de deskundige geen nadere omschrijving gegeven van de locatie en de frequentie van de vergunde activiteiten in categorie 1. De rechtbank ziet in het betoog van eiseres geen aanleiding voor de conclusie dat de beschrijving van de vergunde activiteiten in categorie 1 niet voldoende is om de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de beschermde soorten te kunnen beoordelen. Het college heeft de passende beoordeling in zoverre ten grondslag kunnen leggen aan de nieuwe natuurvergunningen.
8.4.
Het gebruik van schuilhutten, jachthutten en jachtschermen, camouflagenetten en boten is aan de orde bij het jagen door middel van aanzit [8] . Dit zijn activiteiten in de categorieën 2 en 3. Andere activiteiten in deze categorieën zijn jagen door middel van aanlopen, jagen voor de voet en jagen door middel van drijven. De mate van verstoring door deze activiteiten is ernstiger dan bij activiteiten in categorie 1. In de paragrafen 4 en 5 van de passende beoordeling is beschreven welke effecten deze vormen van faunabeheer hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van de beschermde soorten. In hoofdstuk 4 is per jachtveld aangegeven welke activiteiten in de categorieën 2 en 3 daar plaatsvinden, de periode waarin die activiteiten worden uitgevoerd en de frequentie van die activiteiten. Het college heeft deze beschrijving naar het oordeel van de rechtbank voldoende mogen achten. Daarbij heeft het college in aanmerking mogen nemen dat een nadere detaillering niet mogelijk is omdat niet op voorhand kan worden bepaald waar de te bejagen vogels zich bevinden en waar de activiteiten dus precies op het jachtveld gaan plaatsvinden. Ook heeft het college in aanmerking mogen nemen dat de routes naar en vanaf de betreffende locaties over openbaar toegankelijke wegen en paden liggen, die ook al anderszins in gebruik zijn. Het college heeft terecht geen beschrijving nodig geacht van het aantal schuilhutten, jachthutten, jachtschermen, netten, auto’s en boten in het gebied. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de mogelijke verstoring als gevolg van het jagen in deze categorieën volgens de passende beoordeling niet voortvloeit uit het aantal hutten, schermen, netten of boten, maar uit de geluidverstoring door schoten en de menselijke aanwezigheid. [9]
8.5.
Wat eiseres verder heeft aangevoerd, leidt evenmin tot het oordeel dat de verstorende activiteiten onvoldoende in kaart zijn gebracht in de passende beoordeling. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Inzet jachthonden
9. Eiseres voert aan dat honden zeer verstorend zijn voor vogels, zowel buiten als tijdens de broedperiode. Honden worden gebruikt bij voor-de-voetjacht, bij aanzitjacht en bij drijfjacht op fazant, haas en vos. De verstorende effecten van honden zijn onvoldoende onderkend in de passende beoordeling en de mogelijke negatieve effecten daarvan zijn niet met de vereiste zekerheid uitgesloten.
9.1.
Volgens het college is juist wel rekening gehouden met bijkomende effecten, zoals de aanwezigheid van honden.
9.2.
De rechtbank stelt vast dat er in de passende beoordeling rekening mee is gehouden dat bij jagen voor de voet, de aanzitjacht en jagen door middel van drijven gebruik wordt gemaakt van honden. Daarbij is er ook van uitgegaan dat honden een verstorend effect hebben. De door eiseres genoemde effectenstudie uit 2008 is bij de passende beoordeling in aanmerking genomen. [10] In bijlage 2 bij de nieuwe natuurvergunningen is aangegeven welke faunabeheeractiviteiten per jachtveld en periode in welke frequentie mogen plaatsvinden. Per activiteit is een maximum aantal honden aangegeven. Bij de aanzitjacht op de ree en vos zijn geen honden toegelaten. Eiseres heeft geen concrete aanknopingspunten aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat de verstorende effecten van honden hiermee niet met de vereiste zekerheid zijn uitgesloten. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Geluidsoverlast10. Eiseres voert aan dat de geluidbelasting van een geweer met subsonische munitie is onderschat. Die geluidbelasting is in de passende beoordeling gebaseerd op een schietgeluidrapport uit 2019. [11] Op basis van dat rapport kan niet uitgegaan worden van een geluidbelasting van rond de 60 dB(A) waarbij geen geluidsverstoring meer optreedt door een geweerschot. Ook kan niet worden aangesloten bij de in de passende beoordeling genoemde verstoringsafstanden van 300 meter voor het (ongedempte) hagelgeweer of een verstoringsafstand gelijk aan optische verstoring voor het schieten met gedempte hagel- of kogelgeweren. De metingen in het schietgeluidrapport voldoen niet aan de meet- en analysemethode die voor schietgeluid is opgesteld. Bovendien is de te verwachten geluidbelasting van een schot onder andere afhankelijk van het soort munitie, het kaliber geweer en de windrichting. Uit het schietgeluidrapport is op te maken dat op 300 meter ook regelmatig hogere maximale geluidsbelastingen dan 60 dB(A) te verwachten zijn. Eiseres ontleent deze kritiek aan het advies van de Stichting advisering bestuursrechtspraak (STAB) over de Wnb-vergunning voor ganzenbeheer in het Natura 2000-gebied Naardermeer. [12]
10.1.
De rechtbank stelt voorop dat het college en vergunninghoudster erop hebben gewezen dat in de passende beoordeling, anders dan eiseres kennelijk veronderstelt, is uitgegaan van de meest lawaai veroorzakende kogel en de daarbij verwachte geluidsbelasting en niet van subsonische munitie. Eiseres baseert haar stellingen over de geluidsbelasting van schietgeluiden en de verstoringsafstanden die in verband daarmee nodig zijn, op een advies dat de STAB in een andere zaak heeft uitgebracht. Die zaak heeft betrekking op een andere passende beoordeling die ten grondslag ligt aan een andere natuurvergunning voor andere faunabeheeractiviteiten, waaraan andere vergunningvoorschriften zijn verbonden en waarin de gevolgen van de faunabeheeractiviteiten voor een ander Natura 2000-gebied aan de orde zijn. Eiseres verwijst naar een conclusie die de STAB in dat advies heeft getrokken, zonder te verwijzen naar de stappen die de STAB heeft gezet om tot die conclusie te komen en zonder te onderbouwen dat die stappen en conclusie ook van toepassing zijn op de onderhavige passende beoordeling. Alleen daarom al ziet de rechtbank in wat eiseres heeft aangevoerd onvoldoende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van de passende beoordeling, de begrijpelijkheid van de daarin gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop.
10.2.
Eiseres voert aan dat onduidelijk is of het aantal schietacties is gelimiteerd op basis van bijlage 2 van de passende beoordeling. Zij wijst op een uitspraak van de rechtbank Overijssel waarin is overwogen dat het aantal schietacties in de natuurvergunning onvoldoende is gelimiteerd in ruimte, tijd en intensiteit. [13] Volgens eiseres kunnen de gevolgen van die activiteiten daardoor onvoldoende worden beoordeeld.
10.3.
De rechtbank stelt vast dat het college in navolging van de passende beoordeling heeft gekozen voor een beperking van het aantal faunabeheeractiviteiten door in bijlage 2 aan te geven in welke jachtvelden de activiteiten plaatsvinden, in welke periode en hoe vaak. Zo wordt in jachtveld 10 de hut- en schermjacht op ganzen en andere vogels uit vrijstellingen en aanwijzingen in de periode september/maart gedurende zeven maanden toegelaten ten behoeve van maximaal 20 jachthouders. Hierbij wordt een hogere frequentie vanwege het faunabeheerplan van 14 gesteld, met 5 acties per maand, 6 acties in het Natura 2000-gebied (1 per maand) met 4 deelnemers en 2 honden. Uit de beperking van de plaats en de frequentie van de activiteiten waarbij geschoten wordt, volgt ook dat het aantal schietacties is beperkt. Eiseres heeft ook op dit punt geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van de passende beoordeling, de begrijpelijkheid van de daarin gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren gebracht. Het college heeft dan ook op basis van de passende beoordeling mogen concluderen dat de schietacties hiermee voldoende zijn beperkt om significante negatieve gevolgen van onder meer de geluidsbelasting uit te sluiten. De omstandigheid dat eiseres kennelijk een andere methode van beperking van de schietacties voor ogen staat, maakt dat niet anders. Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond niet.
Verstoringsafstanden
11. Eiseres voert aan dat het niet mogelijk is om de exacte broedplaats van soorten vast te stellen. Het gebruik van verstoringsafstanden is gevoelsmatig en niet controleerbaar, laat staan handhaafbaar. De jager is niet in staat de aan- of afwezigheid van vogels op de verstoringsafstand vast te stellen. Ondanks het gebruik van datasets is niet op voorhand uit te sluiten dat er gebiedsdelen zijn waarover te weinig gegevens beschikbaar zijn. Bij dergelijke kennisleemten bestaat niet de vereiste zekerheid dat significante negatieve effecten op de beschermde vogelsoorten zijn uitgesloten. Eiseres voert dit in het bijzonder aan ten aanzien van de aalscholver, ijsvogel en de roerdomp.
11.1.
Volgens het college en vergunninghoudster miskent eiseres de methode die in de passende beoordeling is gehanteerd. De beschermde soorten zijn goed in kaart te brengen. Dat is niet iets wat de jager ter plekke doet. De methodiek van het werken met verstoringsafstanden is temporeel en ruimtelijk. Er is geen overlap tussen de activiteiten van de jager in de jachtvelden en de aanwezigheid van de beschermde soort. Als er een hotspot is vastgesteld, mag de jager daar niet zijn. In de nieuwe natuurvergunningen worden verstoringsvrije bufferzones gehanteerd om significant negatieve effecten op de aanwezige (broed)vogelsoorten te voorkomen. Daarbij is per vogelsoort gekeken welke verstoringsvrije afstand gehanteerd moet worden. Contextafhankelijke variabelen, zoals verstoringsgevoeligheid van de betreffende soorten, periode van verstoring, frequentie van verstoring, duur van verstoring, andere verstorende activiteiten en inrichting van het gebied zijn bij die beoordeling meegenomen. Door toepassing van deze verstoringsafstanden worden vogels niet of hooguit incidenteel verstoord en zijn significant negatieve effecten uitgesloten.
11.2.
De rechtbank stelt vast dat de passende beoordeling van een andere methodiek uitgaat dan eiseres. De passende beoordeling gaat er niet van uit dat de jager de aan- of afwezigheid van vogels op de verstoringsafstand moet vaststellen. Aan de hand van trendgegevens en verspreidingskaarten is de aannemelijke of mogelijke aanwezigheid van vogelsoorten al bepaald. Per vogelsoort is op basis van wetenschappelijke gegevens een verstoringsafstand aangegeven. Dat is de afstand waarop verstorende activiteiten leiden tot alertheid of verplaatsing. Gelet op alle onzekerheden is daarbij steeds de maximum verstoringsafstand gehanteerd. Vervolgens is aan de hand van de locatie van de beoogde faunabeheeractiviteiten een inschatting gemaakt in hoeverre die activiteiten binnen de verstoringsafstand aan de orde kunnen zijn en is een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten van verstoring. De effecten op vogels worden gemitigeerd door het toepassen van zonering, agendering en compartimentering. Bij zonering wordt de verstorende activiteit uitgesloten rondom kwetsbare leefgebieden; bij agendering wordt de verstorende activiteit uitgesloten in kwetsbare perioden en bij compartimentering wordt de verstorende activiteit beperkt in ruimte en tijd. [14] In verband hiermee zijn in de passende beoordeling onder meer mitigerende maatregelen voorgesteld voor de aalscholver en de roerdomp. [15] Binnen de verstoringsafstand van de ijsvogel vindt volgens de passende beoordeling slechts incidentele verstoring plaats, welke geen negatief effect zal hebben op de instandhoudingsdoelen voor de ijsvogel.
11.3.
Eiseres heeft geen concrete aanknopingspunten aangevoerd voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de toegepaste methode, de begrijpelijkheid van de daarin gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop. Bovendien heeft eiseres geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht met betrekking tot de aannemelijke of mogelijke aanwezigheid van vogelsoorten in en rond de Biesbosch. Daarom slaagt de beroepsgrond niet.
Uitwijkmogelijkheden
12. Volgens eiseres heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat voldoende uitwijkmogelijkheden bestaan voor de beschermde soorten. De stelling dat in de wijde omgeving grote oppervlaktes weide- en akkerland beschikbaar zijn als alternatieve slaap- en rustplaats en foerageergebied is niet onderbouwd. Zij wijst ter ondersteuning op een uitspraak van de rechtbank Overijssel van 29 november 2022 [16] . Volgens eiseres zijn met name de uitwijkmogelijkheden van de bruine kiekendief, de kleine zwaan, de smient, de wilde eend, de tafeleend, de kuifeend, de grote zaagbek en het nonnetje onvoldoende onderbouwd.
12.1.
Het college en vergunninghoudster stellen zich op het standpunt dat de uitwijkmogelijkheden voldoende zijn onderbouwd. Zij wijzen daartoe op de systematiek van de passende beoordeling en op kaarten in de passende beoordeling waarop onder meer rust- en leefgebieden van beschermde soorten in beeld zijn gebracht.
12.2.
In de passende beoordeling is per beschermde soort beschreven of uitwijkmogelijkheden nodig zijn en, zo ja, in hoeverre voldoende ruimte aanwezig is waar geen verstoring is. Dit kan volgens de passende beoordeling tot stand worden gebracht door middel van compartimentering van het gebied waarbij in een deel van de compartimenten rust is. Daarbij is rekening gehouden met het verspreidingsgebied van de beschermde soorten. Het voorgaande is in de passende beoordeling voor elke beschermde soort uitgewerkt. Waar volgens de in de passende beoordeling beschreven uitgangspunten compartimentering of andere mitigatie noodzakelijk is, zijn mitigerende maatregelen voorgesteld. De mitigerende maatregelen die volgens de passende beoordeling nodig zijn, zijn opgenomen in de nieuwe natuurvergunningen. Zo worden ten behoeve van het behoud van de grotere wateren rondom de Anne Jacominaplaat als rustplek voor duikeenden in de jachtvelden 10, 110, 114, 119, 127, 128, 129, 134, 135 en 136 in het projectgebied activiteiten ten behoeve van jacht, beheer en schadebestrijding in de winterperiode (1 oktober tot 1 maart) expliciet uitgesloten in voorschrift 11 van de natuurvergunning binnen het Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’.
12.3. Eiseres stelt niet dat het systeem waar de passende beoordeling van uitgaat onjuist is of dat het onjuist is toegepast. Eiseres heeft ook op dit punt geen concrete aanknopingspunten aangevoerd voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de toegepaste methode, de begrijpelijkheid van de daarin gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop. Bovendien heeft eiseres de in de passende beoordeling weergegeven verspreidingsgebieden van de beschermde soorten niet in twijfel getrokken.
12.4.
De verwijzing door eiseres naar de eerdergenoemde uitspraak van de rechtbank Zwolle leidt niet tot een andere conclusie. De rechtbank Zwolle oordeelde dat onvoldoende is onderbouwd dat de genoemde 200.000 hectare grasland in de provincie Overijssel kan dienen als alternatief foerageergebied (uitwijkmogelijkheid) voor de beschermde soorten. [17] De onderbouwing van de uitwijkmogelijkheden in de passende beoordeling is hiermee niet vergelijkbaar. Het gaat in de onderhavige zaak om een kleiner gebied, waarbij is beschreven in welke delen van dat gebied geen jachtvelden liggen. Voor zover onvoldoende uitwijkmogelijkheden beschikbaar zijn buiten de jachtvelden zijn mitigerende maatregelen aanbevolen in de jachtvelden, waarbij de uitwijkruimte door middel van compartimentering of andere mitigerende maatregelen wordt gewaarborgd.
12.5.
Wat eiseres verder heeft aangevoerd, leidt evenmin tot een andere conclusie. De beroepsgrond slaagt niet.
Negatieve effecten soorten13. Eiseres voert per beschermde vogelsoort aan dat de passende beoordeling niet leidt tot de vereiste zekerheid dat significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van die soort kunnen worden uitgesloten. De rechtbank is in het voorgaande al ingegaan op de verstoringsafstanden en uitwijkmogelijkheden. Hierna zal de rechtbank ingaan op wat eiseres verder per vogelsoort aanvoert.
Aalscholver13.1. Eiseres meent dat niet kan worden uitgesloten dat jacht plaatsvindt nabij de broedplaatsen van de aalscholver, een soort waarvan de instandhoudingsdoelstelling niet wordt gehaald. Zij stelt dat het onmogelijk is om volledige zekerheid te verkrijgen over de aanwezigheid van de broedplaatsen van de soort.
13.2.
Volgens het college broeden aalscholvers in kolonies die gemakkelijk te vinden zijn. De huidige broedlocaties zijn bekend, in de vergunning is geborgd dat verstoring is uit te sluiten. Met het in acht nemen van de mitigatie, kunnen significant negatieve effecten als gevolg van faunabeheer op de instandhoudingsdoelen voor de aalscholver in de Biesbosch volgens het college worden uitgesloten
13.3.
In de passende beoordeling is vermeld dat de broedkolonies van de aalscholver zich allemaal bevinden buiten de invloedssfeer van de handelingen die gemoeid gaan met jacht in de periode 15 oktober - 31 januari. Verstoring van de aalscholver als broedvogel en significante effecten door jacht en vossenbeheer op de instandhoudingsdoelen voor de aalscholver als broedvogel in de Biesbosch kunnen daarom op voorhand worden uitgesloten. De broedperiode van aalscholvers in januari-februari overlapt met de periode waarin de drijfjacht op vos (jan-feb), aanzitjacht op (water)vogels en aanzit op ree/vos (jan-dec) wordt uitgeoefend. Hiertoe wordt een bufferafstand tijdens het broedseizoen voorgesteld. Daartoe dient binnen de buffer geen aanzitjacht op (water)vogels in jachtvelden 110, 114 en 119 in de periode januari/juni, geen drijfjacht op vos in de jachtvelden 114 en 119 en geen aanzitjacht op ree/vis in jachtvelden 110 en 114 plaats te vinden. Dit is weer geborgd in voorschriften 11 en 12 van de natuurvergunning binnen het Natura 2000-gebied ‘Biesbosch waar het uitvoeren van jacht, beheer en schadebestrijding in specifieke jachtvelden niet is toegestaan.
IJsvogel13.4. Eiseres vraagt ook aandacht voor de ijsvogel in het Natura 2000-gebied zelf. In de passende beoordeling is opgenomen dat slechts langs de nestlocatie van de ijsvogel wordt gelopen, waarbij de nestlocatie zelf niet verstoord wordt. Maar het zoeken van nesten van een ijsvogel zonder vergunning is verboden.
13.5.
Het college merkt op dat, anders dan eiseres lijkt te vermoeden, in de passende beoordeling en in het besluit is onderkend dat niet alle nestlocaties bekend zijn. Er zijn maatregelen genoemd om meer dan incidentele verstoring uit te sluiten.
13.6.
In voorschrift 15 van de natuurvergunning binnen het Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’ is bepaald dat steile oevers en boomkluiten, waarin de ijsvogel kan nestelen, niet betreden mogen worden. Eiseres heeft niet onderbouwd dat dit voorschrift niet voldoende is om meer dan incidentele verstoring van de (nesten van de) ijsvogel te voorkomen.
Roerdomp13.7. Volgens eiseres kan niet uitgesloten worden dat het broedgebied van de roerdomp wordt betreden en dat daardoor verstoring plaatsvindt. De buffer van 250 meter rondom rietland vindt eiseres onvoldoende. De afstand is onvoldoende omdat de aanwezigheid van een nest niet kan worden vastgesteld. Ook voor het broedseizoen zou verstoring moeten worden voorkomen.
13.8.
Om verstoring van de roerdomp te voorkomen heeft het college een voorschrift 10 opgenomen om in een straal van 250 meter bufferzone binnen groter rietland geen hut-/schermjacht (water)vogels uit te voeren gedurende de broedperiode van de roerdomp (april t/m juni). Met het in acht nemen van de mitigatie, kunnen significant negatieve effecten als gevolg van faunabeheer op de instandhoudingsdoelen voor de roerdomp in de Biesbosch, volgens het college met zekerheid op voorhand worden uitgesloten.
13.9.
In de passende beoordeling is aangegeven dat het broedseizoen van de roerdomp loopt van april tot en met juni. De nesten bevinden zich in rietlanden met overjarig riet, vooral in de zones waar zich geen jachtvelden bevinden. De rechtbank stelt vast dat voorschrift 10 de hut/schermjacht in de broedperiode van de roerdomp verbiedt binnen een bufferzone ongeacht de vaststelling van de aanwezigheid van nesten. Eiseres heeft niet onderbouwd waarom dit voorschrift ontoereikend is.
Blauwborst13.10. Eiseres voert aan dat het beheer van de reeën- en de vossenpopulatie en het beheer en schadebestrijding jaarrond door middel van aanzit op (water)vogels plaatsvindt in het broedgebied van de blauwborst. Negatieve effecten op broedsucces, maar ook op de daaraan voorafgaande balts, paring en nestplaatskeuze kunnen volgens eiseres niet worden uitgesloten.
13.11.
De rechtbank stelt vast dat in de passende beoordeling is onderbouwd dat de kans op verstoring van de blauwborst door het beheer van de reeën- en vossenpopulatie gering is en eventuele verstoring door de aanzit op (water)vogels slechts incidenteel is. Ook is onderbouwd dat sprake is van een korte verstoringsafstand van 50 meter. [18] Het college heeft in navolging van de passende beoordeling mogen concluderen dat significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de blauwborst met zekerheid op voorhand zijn uitgesloten.
Bruine kiekendief en rietzanger13.12. Volgens eiseres kan zowel bij de bruine kiekendief als bij de rietzanger niet worden uitgesloten dat het broedgebied wordt betreden. Zij wijst op het gebruik van het riet als rugdekking bij de aanzitjacht. Door schoten kan verstoring plaatsvinden. Dit geldt niet alleen tijdens het broeden, maar ook voor de aan het broeden voorafgaande periode waarin balts, paring en nestplaatskeuze plaatsvinden.
13.13.
Over zowel de bruine kiekendief als de rietzanger staat in de passende beoordeling dat eventuele verstoring uitsluitend beperkt kan optreden bij het benaderen en verlaten van de aanzitplek, een knal en het bergen van het geschoten dieren. Volgens de passende beoordeling kan dit als een incidentele verstoring worden beschouwd welke geen negatief effect zal hebben op de instandhoudingsdoelen van de bruine kiekendief en de rietzanger. [19] Eiseres heeft niet aangevoerd op grond waarvan kan worden getwijfeld aan de zorgvuldigheid, begrijpelijkheid en concludentie van wat in de passende beoordeling over deze soorten wordt gezegd. Het college heeft ook deze onderdelen van de passende beoordeling aan de nieuwe natuurvergunningen ten grondslag mogen leggen.
Porseleinhoen13.14. Eiseres wijst erop dat het beheer van reeën- en vossenpopulatie voorafgaand en tijdens de broedperiode van het porseleinhoen plaatsvindt en negatieve effecten op het broedsucces, maar ook op de daaraan voorafgaande balts, paring en nestplaatskeuze niet zijn uit te sluiten.
13.15.
In de passende beoordeling staat dat het biotoop waarin het porseleinhoen nestelt niet wordt betreden tijdens de aanzit op ree en vos en dat de verstoring beperkt is tot het benaderen en verlaten van de aanzitplek of de plaats waarvan geschoten wordt, een knal en het bergen van het geschoten dier. Gezien de aard van deze handeling en het gegeven dat het porseleinhoen een verstoringsafstand kent van 100 meter, heeft het college in navolging van de passende beoordeling mogen concluderen dat dit als incidentele verstoring wordt beschouwd welke geen negatief effect zal hebben op de instandhoudingsdoelen voor het porseleinhoen.
Snor13.16. Eiseres wijst erop dat uit p. 81 van de passende beoordeling volgt dat gezien de wijze van uitvoering, de verstoringsafstand en de frequentie van deze handeling er incidentele verstoring zal optreden, die echter geen negatief effect zou hebben op de instandhoudingsdoelen van de snor. Volgens eiseres is hiermee onvoldoende aangetoond dat geen significante verstoring zal plaatsvinden. Zij onderbouwt dit echter niet. Alleen daarom al volgt de rechtbank eiseres hierin niet.
Grutto13.17. Eiseres wijst erop dat beheer en schadebestrijding volgens de passende beoordeling incidenteel leiden tot akoestische verstoring van de grutto als gevolg van schot of optische verstoring als gevolg van betreding van gebieden. Volgens eiseres kunnen significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de grutto niet worden uitgesloten.
13.18.
In de passende beoordeling is aanbevolen om eventuele verstoring van de niet-broedvogels van landwaterovergangen (waaronder de grutto) te mitigeren. Met inachtneming van de aanbevolen mitigatie zijn significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van onder meer de grutto volgens de passende beoordeling op voorhand met zekerheid uit te sluiten. [20] De aanbevolen mitigerende maatregelen zijn opgenomen in de nieuwe natuurvergunningen. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding voor de conclusie dat de betreffende onderdelen van de passende beoordeling onzorgvuldig tot stand zijn gekomen, onvoldoende zijn gemotiveerd of niet concludent zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de passende beoordeling met betrekking tot de grutto aan de nieuwe natuurvergunningen ten grondslag kunnen leggen.
Conclusie beschermde soorten13.19. De rechtbank kan aan wat eiseres heeft aangevoerd over de beschermde soorten geen concrete aanknopingspunten ontlenen voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de toegepaste methode in de passende beoordeling, de begrijpelijkheid van de daarin gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop. De beroepsgronden slagen dan ook niet.
Verzoek de STAB in te schakelen14. Eiseres verzoekt de rechtbank om de Stichting advisering bestuursrechtspraak (STAB) in deze zaak om advies te vragen. Volgens eiseres schiet de passende beoordeling ernstig tekort omdat significante negatieve effecten niet met wetenschappelijke zekerheid zijn uitgesloten. Zij wijst erop dat andere rechtbanken in gelijksoortige procedures de STAB hebben ingeschakeld.
14.1.
Ingevolge artikel 8:47, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank een deskundige benoemen voor het instellen van een onderzoek. De beslissing om al dan niet een deskundige te benoemen, is een discretionaire bevoegdheid van de rechtbank.
14.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding om het onderzoek in deze zaak te heropenen om de STAB in te schakelen. Eiseres heeft geen concrete aanknopingspunten aangevoerd voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de in de passende beoordeling toegepaste methode, de begrijpelijkheid van de daarin gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop. Dat leidt de rechtbank tot de conclusie dat het college de passende beoordeling ten grondslag heeft mogen leggen aan de nieuwe natuurvergunningen. Gelet hierop kan de rechtbank de rechtsvragen die in deze zaak aan de orde zijn zonder advies van een deskundige beantwoorden.
14.3.
De verwijzing door eiseres naar de inschakeling van de STAB in andere zaken en door andere rechtbanken leidt niet tot een andere beslissing. In die zaken ging om het om andere omgevingsvergunningen voor andere Natura 2000-gebieden waaraan andere passende beoordelingen ten grondslag lagen, waarin mogelijk andere beroepsgronden zijn aangevoerd die bovendien anders kunnen zijn onderbouwd. De rechtbank heeft de onderhavige zaak op zijn eigen mérites bekeken.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep tegen de oude natuurvergunning is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Het beroep tegen de nieuwe natuurvergunningen is ongegrond. Dat betekent dat de nieuwe natuurvergunningen in stand blijven.
15.1.
Eiseres heeft geen recht op vergoeding van de proceskosten of het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 27 november 2023 (de oude natuurvergunning) niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen de besluiten van 17 juli 2025 (de nieuwe natuurvergunningen) ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Hutten, voorzitter, en mr. M.J.H.M. Verhoeven en mr. J.H.G van den Broek, leden, in aanwezigheid van mr. H.J. van der Meiden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Habitatrichtlijn
Artikel 6
(…)
2. De Lid-Staten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben.
3. Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden. (…).
Omgevingswet
Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
e. een Natura 2000-activiteit,
Besluit kwaliteit leefomgeving
Artikel 8.74b. (beoordelingsregels Natura 2000-activiteit)
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een Natura 2000-activiteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als uit de passende beoordeling, bedoeld in artikel 16.53c, eerste lid, van de wet, de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Voetnoten

1.Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 14 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV8789.
2.Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 september 2004, ECLI:EU:C:2004:482.
3.Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 27 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4852
4.Zie passende beoordeling p. 13 en 14.
5.Zie passende beoordeling tabel 4.1 op p. 31.
6.Passende beoordeling p. 15-17.
7.Passende beoordeling paragraaf 4.6.1; uitvoeringsruimte broedperiode maart t/m juli.
8.Categorieën 9, 13 en 15
9.Passende beoordeling p. 15-17.
10.Zie de literatuurlijst bij de passende beoordeling: Brenninkmeijer, A.Y. van der Heide & J.G. Oord (2008). Effectenstudie jacht, beheer en schadebestrijding in Natura 2000-gebieden. A&W-rapport 1036, Altenburgh en Wymenga ecologisch onderzoek, Veenwouden.
11.Van Dijk, Slokkers, Tuitert & Jaspers (2019), Geluidonderzoek beheer en schadebestrijding Overijssel – Onderzoek naar de mogelijke effecten van geluid door beheer en schadebestrijding op Natura 2000-gebieden in Overijssel. Sweco.
12.STAB-advies van 29 mei 2024 dat op verzoek van de rechtbank Noord-Holland is uitgebracht. Eiseres verwijst in dit kader naar blz. 44 van dat advies.
13.Uitspraak van 29 november 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:3572, r.o. 4.3.5.
14.Passende beoordeling p. 11.
15.Passende beoordeling tabel 7.3.
16.ECLI:NL:RBOVE:2022:3572, r.o. 5.3.5.
17.Rechtsoverweging 5.3.5.
18.Zie p. 74 t/m 77 van de passende beoordeling.
19.Zie p. 66 en p. 84 van de passende beoordeling.
20.Zie met name p.139 van de passende beoordeling.