Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
de deken van de Orde van Advocaten Midden-Nederland, de deken
Samenvatting
Procesverloop
Verzoek “Wet open overheid”:gezien de uitgebreide conclusie ECLI:NL:PHR:2024:103 d.d. 26 januari 2024 “beproeving minnelijk/ADR” met daarbij m.n. overweging 41 in arrest Hof van Justitie C-667/18, wordt verzocht om openbaarmaking van alle “document(en)” -middels verstrekking van kopie althans publicatie op uw website – inzake het in zgn. “Dekenberaad” in “Leidraad” komen tot deterzijdestellingvan de wettelijke verplichting art. 46d lid 1 Advocatenwet tot beproeving van minnelijk op tuchtklacht. (…)”
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 24 juni 2024, voor zover daarbij is nagelaten het desbetreffende verzoek van eiser te zenden aan het dekenberaad;
- bepaalt dat de deken het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de deken tot betaling van € 6,- aan proceskosten aan eiser.