Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2295

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/01/417067 / FT RK 25/396 en C/01/417068 / FT RK 25/397
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a FwArt. 288 lid 1 FwWet preferente status kinderalimentatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek dwangregeling ex art. 287a Faillissementswet met proceskostenveroordeling

De rechtbank Oost-Brabant behandelde op 18 maart 2026 het verzoek van verzoeker tot toepassing van een dwangregeling ex artikel 287a Faillissementswet, waarbij hij wilde dat bepaalde schuldeisers, waaronder LBIO, ex-partner, OHRA en Paypal, zouden worden verplicht in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. Verzoeker bood een schuldregeling aan waarbij concurrente schuldeisers 5,15% en preferente schuldeisers 10,31% van hun vordering over 18 maanden zouden ontvangen, met een mogelijke verlenging van een jaar.

LBIO en OHRA voerden geen verweer; LBIO gaf aan niet als weigerende schuldeiser te gelden en OHRA's vordering was inmiddels voldaan. Ex-partner en Paypal weigerden instemming, waarbij ex-partner haar vordering op kinderalimentatie als preferent en beschermd aanmerkte en Paypal principieel weigerde zonder inhoudelijke onderbouwing.

De rechtbank oordeelde dat de vorderingen van ex-partner en Paypal slechts een klein deel van de totale schuldenlast vormen en dat de aangeboden regeling het uiterste is wat verzoeker kan bieden. De belangenafweging leidde tot toewijzing van het verzoek dwangregeling tegen ex-partner en Paypal, waarbij Paypal tevens in de proceskosten werd veroordeeld wegens haar principiële en niet-inhoudelijke houding. Verzoeken tegen LBIO en OHRA werden afgewezen. Verzoeker werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) vanwege het bereiken van een minnelijke regeling.

Uitkomst: Verzoek dwangregeling toegewezen tegen ex-partner en Paypal met proceskostenveroordeling van Paypal; verzoek tegen LBIO en OHRA afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Toezicht
Zaaknummers /rekestnummers:
C/01/417067 / FT RK 25/396 (verzoek dwangregeling)
C/01/417068 / FT RK 25/397 (verzoek schuldsaneringsregeling)
Uitspraakdatum: 18 maart 2026
Toewijzing verzoek dwangregeling
in de zaak van:
[naam] ,
geboren op [geboortedag] 1972 te Eindhoven,
wonende te [adres] , [woonplaats] ,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
tegen
Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdrage,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: LBIO,
en tegen
[naam] ,
wonende [adres] , [woonplaats] ,
hierna te noemen: [ex-partner] ,
en tegen
de naamloze vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
OHRA ZORGVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Tilburg,
hierna te noemen: OHRA,
en tegen
PAYPAL (EUROPESE) S.A.R.L.,
gevestigd te Luxemburg,
hierna te noemen: Paypal.

1.Het procesverloop

1.1.
Namens [verzoeker] is op 2 juli 2025 tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek dwangregeling per post ingediend (zie artikel 287a lid 1 Faillissementswet, hierna: Fw). [verzoeker] verzoekt – kort gezegd – om LBIO of anders [ex-partner] , OHRA en Paypal, die weigeren mee te werken aan een aangeboden schuldregeling, te bevelen hiermee in te stemmen, uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van deze weigerende schuldeisers in de proceskosten.
1.2.
Bij brief van 30 juli 2025, ontvangen op 1 augustus 2025, en e-mailbericht van
3 maart 2026 zijn namens [verzoeker] aanvullende stukken ingediend.
1.3.
Bij brief van 1 september 2025, ontvangen op 3 september 2025, bericht LBIO de rechtbank dat zij geen verweer zal voeren.
1.4.
[ex-partner] heeft bij brief van 30 september 2025, ontvangen op 3 oktober 2025, een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het verzoek is op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Daar is [verzoeker] verschenen, bijgestaan door mr. J. Joosten, advocaat te Eindhoven. Tevens is [ex-partner] verschenen.
Namens LBIO en Paypal is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niemand op zitting verschenen.

2.Het verzoek en het verweer

2.1.
Namens [verzoeker] is bij brief van 2 mei 2024 door advocaat mr. E. van der Maal van [advocatenkantoor] , aan in totaal 15 concurrente schuldeisers en 2 preferente schuldeisers een schuldregeling aangeboden, inhoudende een betaling tegen finale kwijting van 5,15% respectievelijk 10,31% over een periode van 18 maanden. Daarbij is gesteld dat de looptijd van de schuldregeling met maximaal één jaar zal worden verlengd als het totale doelbedrag voor aflossing van € 10.481,38 over de periode van 18 maanden niet is behaald. Het toezicht op de nakoming van deze schuldregeling zal worden uitgevoerd door [bewindvoerderskantoor] , die alle inkomsten van [verzoeker] op een bij [bewindvoerderskantoor] aangehouden beheerrekening ontvangt.
2.2.
[verzoeker] heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat [ex-partner] respectievelijk LBIO, Ohra en Paypal in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de aangeboden schuldregeling hebben kunnen komen. Daartoe heeft [verzoeker] – kort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.
De aangeboden schuldregeling is de voor [verzoeker] maximaal haalbare schuldaflossing.
Doordat [ex-partner] respectievelijk LBIO, Ohra en Paypal niet met de aangeboden schuldregeling hebben ingestemd worden de belangen van de andere schuldeisers onevenredig geschaad. Een eventuele toelating van [verzoeker] tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (verder te noemen: Wsnp) zal, gezien de daaraan verbonden kosten, voor de schuldeisers namelijk naar verwachting een lagere uitkering opleveren. Daar komt nog bij dat tijdens de Wsnp een verzoek van [verzoeker] tot het op nihil stellen van de kinderalimentatie naar verwachting zal worden toegewezen. Dat zal dan tot gevolg hebben dat [ex-partner] respectievelijk haar meerderjarige kinderen gedurende de looptijd van de Wsnp geen kinderalimentatie zullen ontvangen.
De vordering van OHRA, waarvoor loonbeslag is gelegd, is alsnog door de voormalig werkgever van [verzoeker] voldaan. De grond voor onthouding van instemming met de aangeboden schuldregeling is daarmee voor deze schuldeiser komen te vervallen.
Met uitzondering van [ex-partner] respectievelijk LBIO, Ohra en Paypal zijn alle overige schuldeisers akkoord gegaan met de aangeboden schuldregeling.
2.3.
[ex-partner] heeft bij brief van 30 september 2025 het navolgende - kort en zakelijk weergegeven - verweer gevoerd.
[ex-partner] heeft in redelijkheid tot weigering van de aangeboden schuldregeling kunnen komen, omdat met de aangeboden schuldregeling een te laag bedrag van de vordering van haar vordering wordt afgelost.
Deze vordering, die kinderalimentatie betreft, is een preferente vordering en geniet bijzondere wettelijke bescherming. De vordering houdt direct verband met het levensonderhoud en de verzorging van de kinderen van [ex-partner] . Het belang van de kinderen bij betaling van deze vordering dient zwaarder te wegen dan het belang van de overige schuldeisers.
Verder is [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden niet te goeder trouw geweest.
[ex-partner] heeft er geen vertrouwen in dat [verzoeker] de aangeboden schuldregeling zal nakomen, want hij heeft eerdere toezeggingen nooit waargemaakt.
2.4.
LBIO heeft, zoals aangekondigd bij brief van 1 september 2025, geen verweer gevoerd. OHRA en Paypal hebben evenmin verweer gevoerd.

3.De beoordeling

Ten aanzien van het verzoek dwangregeling
3.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat LBIO bij de aan [advocatenkantoor] gerichte brief van 14 juni 2024 voor wat betreft haar eigen vordering op [verzoeker] met de aangeboden schuldregeling akkoord is gegaan. Deze vordering ziet op opslagkosten voor inning van kinderalimentatie bij [verzoeker] . In de brief van 14 juni 2024 deelt LBIO mede dat LBIO geen beslissing kan nemen op de aangeboden schuldregeling voor zover deze betrekking heeft op de vordering van alimentatiegerechtigde [ex-partner] . Aanvullend deelt LBIO mede dat zij van [ex-partner] heeft vernomen dat zij voor deze vordering niet akkoord gaat met de aangeboden schuldregeling. LBIO verzoekt [advocatenkantoor] om hierover met [ex-partner] zelf contact op te nemen. Bij de aan de rechtbank gerichte brief van 1 september 2025 wijst LBIO er daarnaast op dat LBIO niet door [ex-partner] is gemachtigd om haar in eventuele procedures te vertegenwoordigen en dat door haar geen woonplaats is gekozen bij LBIO voor het oproepen in procedures. De rechtbank is ambtshalve bekend dat LBIO een instantie is die alimentatievorderingen van alimentatiegerechtigden int bij alimentatieplichtigen. Tegen deze achtergrond valt niet in te zien dat LBIO dient te worden aangemerkt als een schuldeiser die heeft geweigerd om voor haar eigen vordering met de aangeboden schuldregeling in te stemmen. Het verzoek dwangregeling wordt daarom afgewezen voor zover dat tegen LBIO is gericht.
3.2.
Verder stelt de rechtbank, aan de hand van het verzoek dwangregeling en dat wat op zitting is gezegd, vast dat de vordering van OHRA inmiddels volledig is voldaan. Voor deze vordering was loonbeslag gelegd, maar de voormalige werkgever van [verzoeker] had dit loonbeslag niet goed doorgevoerd. Later heeft deze werkgever, zo volgt uit een bij het verzoek overgelegd betaaloverzicht, deze vordering waarvoor loonbeslag is gelegd alsnog volledig voldaan. Doordat de vordering van OHRA inmiddels volledig is voldaan, is deze vordering komen te vervallen. Daardoor maakt de vordering geen deel meer uit van de schuldenlast van [verzoeker] en ziet de aangeboden schuldregeling daar niet meer op. Dat maakt dat OHRA niet meer kan worden bevolen om met de aangeboden schuldregeling in te stemmen. Het verzoek dwangregeling wordt daarom ook afgewezen voor zover dat tegen OHRA is gericht.
3.3.
Voor zover het verzoek dwangregeling tegen [ex-partner] en Paypal is gericht overweegt de rechtbank het volgende.
3.4.
Op grond van artikel 287a lid 5 Fw moet het verzoek om de weigerachtige schuldeisers te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling worden toegewezen indien deze schuldeisers in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.
3.5.
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrijstaat om te verlangen dat zijn vordering, eventueel vermeerderd met rente, volledig wordt voldaan. Omdat de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vorderingen van [ex-partner] en Paypal staat het belang van deze schuldeisers bij weigering van instemming met de schuldregeling vast. Daar staat tegenover dat [verzoeker] er belang bij heeft dat zijn schulden worden gesaneerd.
3.6.
Uitgaande van het bij het verzoekschrift overgelegde e-mailbericht van Paypal van 18 juli 2024 en de brief van LBIO van 1 september 2025 hebben Paypal en [ex-partner] een vordering van € 2.200,- respectievelijk van € 13.705,56 op [verzoeker] . Daarmee vertegenwoordigen zij slechts 1,82% respectievelijk 11,37% van de totale op de crediteurenlijst vermelde schuldenlast van [verzoeker] , te weten € 120.584,85. Bovendien heeft Paypal tegen het verzoek dwangregeling geen verweer gevoerd.
3.7.
Het is voldoende aannemelijk dat de bij brief van 2 mei 2024 aangeboden schuldregeling het uiterste is binnen de financiële mogelijkheden van [verzoeker] . Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [verzoeker] voltijds werkt en voldoende aannemelijk is dat het daarmee door hem ontvangen salaris marktconform is.
3.8.
Verder worden alle inkomsten van [verzoeker] uitbetaald op een door [bewindvoerderskantoor] aangehouden beheerrekening. Daarnaast beschikt [verzoeker] , anders dan voorheen, sinds
1 januari 2026 met zijn vaste dienstverband bij werkgever [naam] over een stabiel inkomen. Tegen deze achtergrond is reservering van gelden ten behoeve van aflossing van de schuldenlast voldoende gewaarborgd.
3.9.
De rechtbank acht het voldoende aannemelijk dat, als [verzoeker] zou worden toegelaten tot de Wsnp, dit een lagere uitkering zou opleveren voor de schuldeisers dan de nu voorgestelde schuldregeling, gelet op de verhouding tussen de kosten van de wettelijke schuldsaneringsregeling en de eventueel voor de boedel te verwachten opbrengsten. Daar komt nog bij dat in de aangeboden schuldregeling de mogelijkheid is opgenomen om de looptijd van deze regeling met één jaar te verlengen als het daarbij aangeboden doelbedrag van in totaal € 10.481,48 niet binnen de gangbare periode van 18 maanden wordt gehaald. De Wsnp voorziet niet in een dergelijke garantiebepaling en de looptijd van de Wsnp is in beginsel 18 maanden.
3.10.
Nadat [verzoeker] tot het minnelijk schuldhulpverleningstraject was toegelaten, heeft de rechtbank Oost-Brabant bij beschikking van 13 november 2023 een door hem ingediend verzoek tot het op nihil stellen van de kinderalimentatie afgewezen. Als [verzoeker] tijdens de eventuele toepassing van de Wsnp opnieuw een dergelijk verzoek indient, dan bestaat de aanmerkelijke kans dat dit verzoek dan wel zal worden toegewezen. Daarvan zal niet alleen [ex-partner] , maar ook haar (meerderjarige) kinderen, van wie zij stelt de belangen te behartigen, aanzienlijk financieel nadeel ondervinden.
3.11.
In de bij brief van 2 mei 2024 aan LBIO aangeboden schuldregeling, die, zo begrijpt de rechtbank, mede op de kinderalimentatievordering van [ex-partner] ziet, is deze vordering als een concurrente vordering aangemerkt. Met de inwerkingtreding per 1 juli 2025 van de Wet preferente status kinderalimentatie hebben evenwel alle kinderalimentatievorderingen, die vóór 1 juli 2025 zijn ontstaan, maar nog niet zijn voldaan, de rang van preferente schulden gekregen. Dat betekent dat [ex-partner] op haar vordering, zoals in de schuldregeling voor preferente vorderingen is aangeboden, een uitkering zal ontvangen die twee keer zo hoog is als de uitkering op een concurrente vordering. Doordat de in de aangeboden schuldregeling genoemde aflossingspercentages prognoses zijn, kunnen die prognoses door wijziging van omstandigheden, zoals de hiervoor genoemde wetswijziging, later hoger of lager uitvallen. De aangeboden schuldregeling staat er dus niet aan in de weg dat de vordering van [ex-partner] alsnog als preferente vordering wordt aangemerkt en de daarbij horende uitkering zal ontvangen.
3.12.
Het bepaalde in artikel 288 lid Pro 1, aanhef en onder b, Fw, inhoudende dat het verzoek tot toelating tot de Wsnp slechts wordt toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest, geldt niet rechtstreeks ook voor een verzoek tot instemming met een schuldregeling ex artikel 287a Fw. Dit neemt echter niet weg dat blijkens de wetsgeschiedenis het ontbreken van de goede trouw wel een rol kan spelen bij de belangenafweging in het kader van de beoordeling van een verzoek ex artikel 287a lid 1 Fw (Kamerstukken II 2005/06, 29 942, nr. 7, p. 40). Voor zover het al aannemelijk is dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan van één of meer vorderingen en of het onbetaald laten daarvan niet te goeder trouw is geweest, is dat, afgezet tegen de overwegingen onder 3.5. tot en met 3.10. onvoldoende om het belang van [ex-partner] en Paypal bij weigering van instemming met de schuldregeling zwaarder te laten wegen dan het belang van [verzoeker] bij sanering van zijn schulden en de belangen van zijn overige schuldeisers. Daarbij weegt zwaar dat de vorderingen van [ex-partner] en Paypal (gezamenlijk) slechts een gering percentage van de totale schuldenlast bedragen. [ex-partner] en Paypal hebben naar het oordeel van de rechtbank gelet hierop in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de door [verzoeker] aangeboden schuldregeling kunnen komen.
3.13.
Dit leidt ertoe dat het verzoek dwangregeling wordt toegewezen.
3.14.
[verzoeker] heeft verzocht de weigerachtige schuldeisers te veroordelen in de proceskosten op grond van artikel 287a lid 6 Fw. De in dit wetsartikel opgenomen proceskostenveroordeling moet, zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis (vgl. Kamerstukken II, 2004/05, 29 942, nr. 3, p. 18), een stimulans zijn om in het minnelijk traject sneller tot een schuldregeling te komen.
[ex-partner] heeft op inhoudelijke gronden geweigerd om met de aangeboden schuldregeling in te stemmen. Verder heeft zij inhoudelijk verweer gevoerd op het verzoekschrift dwangregeling en op een aantal van de daarbij overgelegde stukken.
Paypal heeft bij e-mailbericht van 18 juli 2024 geweigerd met de aangeboden schuldregeling akkoord te gaan, maar gaat daarbij niet in op de aan de schuldregeling ten grondslag gelegde onderbouwing. Zij heeft in dit e-mailbericht namelijk volstaan met de algemene mededeling dat zij “geen betaalvoorstellen kan accepteren voor bedragen die lager zijn dan het negatieve saldo”. Dit is geen inhoudelijke, maar een principiële weigeringsgrond. Het staat Paypal vrij om, zo volgt uit rechtsoverweging 3.5., de aangeboden schuldregeling te weigeren. Het vasthouden aan een principiële weigeringsgrond maakt het evenwel van aanvang af onmogelijk om tijdens het minnelijk traject met Paypal tot een schuldregeling te komen. Paypal heeft daarnaast geen verweerschrift ingediend en is evenmin op zitting verschenen. In een e-mailbericht van 7 januari 2026 deelt Paypal mr. Joosten, advocaat voornoemd, mede dat zij “een schuldregeling normaliter accepteert als een persoon onder bewind staat”. Daarmee stelt Paypal een algemene voorwaarde aan instemming met een schuldregeling. Zij gaat hiermee eraan voorbij dat de aangeboden schuldregeling voorziet in het waarborgen van de aflossing van de schuldenlast doordat bij [bewindvoerderskantoor] een beheerrekening wordt aangehouden. In de hiervoor uiteengezette opstelling van Paypal ziet de rechtbank aanleiding om alleen Paypal in de door [verzoeker] zelf gemaakte kosten van de procedure te veroordelen.
Vanwege de aard van deze procedure zal de rechtbank hierbij aansluiten bij het tarief in een kort geding voor zaken zonder ingewikkelde feitelijke of juridische aspecten. De proceskosten van [verzoeker] worden voor salaris advocaat begroot op een bedrag van maximaal € 760,-.
3.15.
[verzoeker] heeft ook een verzoek tot toelating tot Wsnp ingediend. Doordat met dit vonnis een minnelijke regeling tot stand is gekomen, heeft [verzoeker] geen belang meer bij dit verzoek. Hij wordt daarom in dit verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

3.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek dwangregeling af voor zover dat tegen LBIO en OHRA is gericht;
- beveelt [ex-partner] en Paypal in te stemmen met de aangeboden schuldregeling;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van hun vrijwillige instemming;
- veroordeelt Paypal in de proceskosten, aan de zijde van [verzoeker] tot op heden
begroot op maximaal € 760,-;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar voorraad;
- verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Deze beslissing is gegeven door mr. S.C.E.F. Moulen Janssen en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 18 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. [1]
De griffier is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.