6.1.Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het college een toezegging of andere uitlating of gedraging heeft verricht waaruit eiser kon afleiden dat het college een vergunning aan hem heeft verleend voor het leven. Het college heeft toegelicht dat met de ‘vaste’ standplaatsvergunning die aan eiser is verleend op 23 juli 2012 niet is bedoeld dat deze vergunning is verleend voor het leven, maar dat dit een standplaatsvergunning voor een vaste
plaatsbetrof. In de destijds geldende Algemene Plaatselijke Verordening Eindhoven 2012 (APV 2012) was namelijk sprake van een onderscheid tussen wat in artikel 5.2.3, eerste lid ‘Standplaatsen: uitstallingen op de weg’ was opgenomen:
“In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aanbieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.”
en wat in artikel 5.2.2, eerste lid ‘Begripsbepaling’ van de APV 2012 over venten was opgenomen:
“In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.”
De door het college verleende ‘vaste’ standplaatsvergunning zag dus niet op de
tijdsduur, maar op een vaste
plaats. Bovendien is in de vergunning die destijds op 23 juli 2012 is verleend, opgenomen:
“Gevolgen voor uw verkoopstand plaats nabij het stadion tijdens voetbalwedstrijden:
(…)
- het vergunnen blijft plaatsvinden op jaarlijkse basis na ontvangst aanvraag, onder jaarlijkse legeskosten en doorberekening van precario conform een bestendige door ons gehanteerde gedragslijn; (…)”
Uit deze voorwaarde heeft eiser ook kunnen afleiden dat het vergunnen op jaarlijkse basis bleef plaatsvinden en dus niet voor het leven is gebeurd. Eiser heeft op zitting nog verklaard dat het toenmalige hoofd van de afdeling Vergunningen de mondelinge toezegging heeft gedaan dat aan hem een vergunning voor het leven is verleend, maar heeft daarbij ook gezegd dat hij van die beweerdelijke toezegging geen onderbouwing of bewijs heeft.
Artikel 5:18, vierde lid van de APV 2024
7. Eiser voert aan dat hij een uitzonderingspositie heeft. De rechtbank begrijpt dit als een beroep op artikel 5:18, vierde lid van de APV 2024, waarin staat dat in uitzonderlijke gevallen een ontheffing kan worden verleend. Eiser stelt dat hij sinds 2001 altijd een standplaats heeft gehad. Hij heeft naast zijn AOW een klein pensioen en de inkomsten die hij sinds jaar en dag met de verkoopstandplaats verdient, zijn daarom zeer welkom. Hij ziet de verkoopactiviteiten niet als werk, maar als hobby en vrijetijdsbesteding, en haalt er – als gepensioneerde fan van PSV – ook veel plezier uit. Daarnaast is aan PSV wel een evenementenvergunning verleend voor het seizoen 2024/2025, waarmee exact dezelfde bedrijfsactiviteiten kunnen worden uitgevoerd zoals eiser die altijd heeft uitgevoerd, op exact dezelfde plaats. Eiser vindt dat oneerlijk. De evenementenvergunning komt de facto neer op een standplaatsvergunning dan wel standplaatsontheffing.