2.2.De voordracht van de rechter-commissaris tot verlenging van de schorsing van het bevel tot inbewaringstelling luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
“De curator heeft mij bij berichten van 27 maart, 31 maart en 1 april 2026 nader geïnformeerd. De curator is van mening dat de schorsing van het bevel tot inbewaringstelling moet worden verlengd. Hij schrijft in zijn bericht van 27 maart 2026:
“
Op 6 maart jl. heeft de rechtbank de inbewaringstelling van de heer [betrokkene] geschorst tot en met 6 april a.s. Middels dit bericht informeer ik u over de ontwikkelingen sinds deze beslissing.
In overeenstemming met de door de rechtbank gestelde voorwaarden heeft de heer [betrokkene] wekelijks schriftelijk gerapporteerd over de door hem verrichte inspanningen. Daarnaast heeft wekelijks een persoonlijk overleg plaatsgevonden, waarbij tevens zijn advocaat, mr. Van Beek, en mijn kantoorgenoot, mr. Van Wandelen, aanwezig waren.
Uit de door de heer [betrokkene] overgelegde verslagen volgt dat hij zich de afgelopen weken actief heeft ingespannen om in contact te komen met de heer [A] . In dat kader is hij meermaals afgereisd naar [plaats] en heeft hij locaties bezocht waar hij in het verleden frequent verbleef en waar mogelijk nog relevante contacten aanwezig zijn. Ook heeft hij via Snapchat contact gelegd met voormalige bekenden.
Via deze weg heeft de heer [betrokkene] contact gehad met personen die opereren onder de aliassen “ [X] ” en “ [Y] ”, van wie wordt gesteld dat zij de heer [A] kennen. Uit de overgelegde Snapchatcorrespondentie, alsmede uit een geluidsopname, volgt dat “ [X] ” erin is geslaagd daadwerkelijk contact te leggen met de heer [A] . Op verzoek van de heer [betrokkene] heeft “ [X] ” getracht een fysieke ontmoeting op te zetten, doch deze afspraak is tweemaal op het laatste moment door de heer [A] afgezegd.
Tijdens het overleg vandaag (27 maart 2026) heeft de heer [betrokkene] aangegeven dat bij hem de indruk is ontstaan dat de heer [A] op de hoogte is geraakt van de pogingen om contact met hem te leggen vanwege het faillissement van [bedrijf] B.V. Vervolgens lijkt hij niet langer bereid te zijn om in contact te treden. De heer [betrokkene] heeft aangegeven zijn strategie aan te passen, in die zin dat hij tracht via voor de heer [A] onbekende derden opnieuw in contact te komen.
Voor de komende periode zijn met de heer [betrokkene] concrete afspraken gemaakt over de voortzetting van zijn inspanningen. Deze inspanningen richten zich op de volgende zes sporen:
Het opnieuw trachten te ontmoeten via een voor de heer [A] onbekende tussenpersoon;
Het bezoeken van een loods in [plaats] , welke in het verleden door de heer [betrokkene] en de heer [A] werd gehuurd, om informatie bij de eigenaar te krijgen;
Het achterhalen van de locatie waar de contante stortingen hebben plaatsgevonden en vervolgens nagaan of de heer [A] zich hier nog laat zien;
Het benaderen van een persoon die, zoals volgt uit de rekeningafschriften, een geldbedrag van de heer [A] heeft ontvangen;
Het leggen van contact met de makelaar van een loods die recent te koop is aangeboden en waarin voorheen een onderneming gevestigd was waaraan aanzienlijke betalingen door de heer [A] zijn verricht, teneinde informatie van de heer [A] te krijgen; en
Het alsnog trachten toegang te verkrijgen tot het voormalige e-mailaccount van de heer [betrokkene] .
De heer [betrokkene] heeft zich bereid verklaard zich in te spannen op bovengenoemde punten en hierover wederom wekelijks schriftelijk te rapporteren.
Gelet op de verrichte inspanningen en de nog lopende onderzoekslijnen acht ik een verlenging van de schorsing van de inbewaringstelling met een termijn van één maand opportuun. Deze verlenging biedt de heer [betrokkene] de gelegenheid om de ingezette acties voort te zetten. Met de heer [betrokkene] is besproken dat na afloop van deze termijn een herbeoordeling zal plaatsvinden.
Als bijlagen bij dit bericht treft u de verslagen aan die ik wekelijks van de heer [betrokkene] heb ontvangen.”
De curator schrijft in zijn bericht van 31 maart 2026:
“
De ontwikkelingen gaan inmiddels voortvarend en de informatie die ik u vrijdag jl. stuurde, kan ik inmiddels verder aanvullen. In algemene zin kan ik melden dat er behoudens de wekelijkse overleggen ook waar nodig tussentijds contact met de heer [betrokkene] en/of diens advocaat is om de ontwikkelingen te bespreken, maar ook de gezamenlijke acties te bepalen. Het is ook prettig om te merken dat de heer [betrokkene] woord houdt en de schorsing van de in bewaring stelling door de initiatieven daadwerkelijk voor meer informatie lijken te zorgen. Ik maak van de gelegenheid gebruik om de ontwikkelingen toe te lichten en zal dit tezamen met het beantwoorden van uw vragen te doen.
De meest hoopgevende ontwikkeling is dat de heer [betrokkene] naar eigen zegge een factuur van de boekhouder van de heer [A] heeft teruggevonden. Een kopie zou ik vandaag ontvangen, maar helaas is dat nog niet gebeurd. Op verzoek van de heer [betrokkene] en diens advocaat zal ik niet direct contact met de boekhouder opnemen, omdat de heer [betrokkene] eerst wil proberen via een tussenpersoon zelf nog contact met de heer [A] op te nemen. De heer [betrokkene] verwacht dat de boekhouder de heer [A] zal waarschuwen en contact daarna niet meer mogelijk is. Volgende week verwachten we duidelijkheid te hebben of de nieuwe poging om met [A] in contact te komen slaagt. Ik zal spoedig erna contact met de boekhouder opnemen.
In februari jl. hebben wij al telefonisch contact met de heer [B] gezocht. Dit is toen niet gelukt. Tijdens de laatste zitting liet mr. Van Beek, advocaat van de heer [betrokkene] , weten dat de heer [betrokkene] de heer [B] wel had gesproken en dat de heer [B] geen medewerking zal verlenen, omdat hij vreest dat het van invloed is op zijn eigen strafproces. De rechtbank schrijft in haar beschikking dat het zou kunnen dat de heer [B] tegenover de curator wel informatie zou willen verstrekken, zodat in ieder geval het verhaal van de heer [betrokkene] over het bestaan van [A] geverifieerd kan worden. Ik heb opnieuw een poging ondernomen om met de heer [B] in contact te komen, maar helaas ben ik er daar nog niet in geslaagd. Ik zal morgen nog een poging wagen en hopelijk kan ik op de zitting van donderdag de rechtbank aanvullend informeren. Mocht ik morgen opnieuw geen contact kunnen leggen, dan zal ik in de komende weken nog enkele pogingen ondernemen. Ik merk wel op dat zowel de heer [betrokkene] als diens advocaat ook in de afgelopen dagen weer te kennen hebben gegeven dat de heer [B] waarschijnlijk niet wil meewerken.
Anders dan de rechtbank in haar beschikking suggereert, hebben wij al bij aanvang van het faillissement contact met [onderneming] proberen op te nemen via de gegevens die op internet staan. Dit heeft toen geen resultaat opgeleverd. Desalniettemin heb ik opnieuw een poging gewaagd en ook deze keer kreeg ik geen gehoor. Ook de heer [betrokkene] lukte het aanvankelijk niet om contact te leggen, zo gaf hij in het gesprek van vorige week nog aan. Om die reden zou hij zelf naar [plaats] gaan in de hoop dat hij de voormalig verhuurder daar tegenkomt. Inmiddels is het de heer [betrokkene] gelukt een mobiel nummer te achterhalen en contact te krijgen. De heer [betrokkene] heeft mij toegezegd het nummer te sturen, zodat ik zelf contact kan leggen. Ik hoop voor de zitting van donderdag nog contact te leggen.
Gelet op het feit dat mijn onderzoek aanvankelijk ‘vastzat’ en de positieve ontwikkelingen sinds de schorsing van de in bewaring stelling en de ook de wil van de heer [betrokkene] om vervolg te geven aan het plan van aanpak meen ik dat het handhaven van de schorsing noodzakelijk is om alsnog informatie over de heer [A] te verkrijgen. Dit is overigens vandaag ook als zodanig met de heer [betrokkene] en diens advocaat besproken en partijen lijken op één lijn te zitten.
Ik hoop dat dit bericht een goed beeld geeft van de ontwikkelingen en ook welke acties er in de afgelopen periode zijn genomen en in de komende dagen en weken op de planning staan.”
De curator schrijft in zijn bericht van 1 april 2026:
“
In aanvulling op mijn bericht van gisteren (31 maart) laat ik u weten dat ik vanmorgen telefonisch contact met de heer [C] heb gehad. Van het gesprek heb ik bijgaande notitie gemaakt.
Ook heb ik de heer [B] vanochtend nog proberen te bellen, maar het is opnieuw niet gelukt hem te spreken.”
In de genoemde notitie staat:
Op 1 april 2026 heb ik (Jelle Beerens) in het faillissement van [bedrijf] B.V. telefonisch gesproken met [C] (06- [nummer] ). De heer [C] wilde telefonisch wel zijn verhaal doen, maar geen schriftelijke verklaring afleggen of een gespreksverslag bevestigen. Hij heeft geen goed gevoel aan de huurder [bedrijf] B.V. [“ [gefailleerde] ”] overgehouden en wil niet meer in deze kwestie betrokken worden. De heer [C] vertelde dat [gefailleerde] de ruimte slechts enkele maanden heeft gehuurd. In de praktijk is de locatie slechts enkele weken gebruikt. [gefailleerde] was een ijzerhandel. De heer [C] meent dat er drie tot vier ladingen (containers) oudijzer uitn Engeland (met vrachtwagens met Brits kentekens) zijn binnengekomen. De heer [C] heeft zich verbaasd over de handel. Het was werkelijk oudijzer (geen koper of rvs met enige waarde) en het volume was veel te klein om met het sorteren ervan winst te kunnen maken. Al snel bekroop de heer [C] het gevoel dat de waarde niet in het oudijzer zat, maar in een hierin verborgen vracht. Wat die vracht was, weet de heer [C] niet en hij wil hierover ook niet speculeren. Er waren twee vaste gezichten bij [gefailleerde] . De heer [C] omschrijft een jongeman met een baardje en een donker getinte man. Beide heren waren altijd erg vriendelijk. Navraag leert dat de jongeman met baardje [betrokkene] is. Via [betrokkene] liep ook het contact. De heer [C] had de indruk dat [betrokkene] als stroman fungeerde voor de ander. [betrokkene] oogde namelijk vaak erg nerveus en leek geen zeggenschap te hebben. De heer [C] kon zich geen naam van de andere persoon herinneren. De naam [A] zegt hem niets. De heer [C] herinnert zich dat er enkele keren zwarte jonge mannen aan het werk waren voor [gefailleerde] . Zij spraken geen Nederlands en stonden ook niet open voor een gesprek. De heer [C] heeft waargenomen dat er enkele keren auto’s met Duitse kentekens op het terrein kwamen. De mannen in de auto’s keken rond in het oudijzer en leken ook sorteerwerkzaamheden te verrichten. De heer [C] had geen goed gevoel bij deze activiteiten en heeft de huur om die reden vrij snel beëindigd. De heer [C] heeft geen contactgegevens van mensen van [gefailleerde] meer. Wel kan hij zich herinneren dat [gefailleerde] van een gehuurde mobiele kraan gebruik maakte. Het verhuurbedrijf kan hij zich niet meer herinneren, maar dat zou [betrokkene] volgens hem moeten weten. Hij doet de suggestie om met dit bedrijf contact op te nemen.
Hoewel de meer coöperatieve houding van de heer [betrokkene] tot nadere informatie heeft geleid, heeft de curator nog steeds geen contactgegevens van de gestelde feitelijk leidinggevende en boekhouder van gefailleerde ontvangen. Ik acht de druk van een geschorste inbewaringstelling nog steeds nodig om de heer [betrokkene] aan zijn faillissementsrechtelijke verplichtingen te laten voldoen”.