Uitspraak
1.De procedure
3.Het verzoek en het verweer
4.De beoordeling
(…)
(…)
Rechtbank Oost-Brabant
De werknemer was in dienst bij de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e) met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die op 14 oktober 2025 zou eindigen. De werkgever stuurde op 12 september 2025 een brief waarin het einde van de arbeidsovereenkomst werd aangekondigd, met een ontbindende voorwaarde voor verlenging. De werknemer betwistte dat deze brief als aanzegging kon gelden en vorderde een aanzegvergoeding.
De kantonrechter oordeelde dat de brief wel degelijk een tijdige schriftelijke aanzegging vormde, zoals vereist in artikel 7:668 lid 1 BW Pro. De latere verlenging van de arbeidsovereenkomst op 2 oktober 2025 deed niets af aan het moment en de geldigheid van de aanzegging. De werknemer had de brief ontvangen binnen de wettelijke termijn en was daarmee tijdig geïnformeerd.
Hoewel de werknemer stelde dat de brief onduidelijk was en onzekerheid veroorzaakte, vond de kantonrechter dat de inhoud helder was en dat enige onduidelijkheid na ontvangst niet afdoet aan de tijdigheid van de aanzegging. De vordering tot aanzegvergoeding werd daarom afgewezen. De werknemer werd tevens veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de werkgever.
Uitkomst: De kantonrechter oordeelt dat de werkgever tijdig schriftelijk heeft aangezegd, waardoor de werknemer geen recht heeft op aanzegvergoeding.