Eiser diende een aanvraag voor een Wajong-uitkering in die door het UWV werd afgewezen. Tegen deze afwijzing maakte de gemachtigde van eiser bezwaar, maar zonder een machtiging. Het UWV verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de machtiging ondanks herhaald verzoek niet werd overgelegd.
Eiser stelde in beroep dat de machtiging wel was toegestuurd en verwees naar het UWV-beleid dat machtigingen tot tien dagen voor de hoorzitting kunnen worden ingediend. De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat de machtiging was verzonden en dat de reden van afwezigheid van de gemachtigde geen geldige reden was voor het niet reageren op verzoeken.
Belangrijk was dat het UWV niet conform het Reglement behandeling bezwaarschriften 2024 contact met eiser zelf had opgenomen om alsnog een machtiging te verkrijgen. Gezien het belang van de zaak voor eiser, namelijk de aanvraag van een Wajong-uitkering, woog dit mee in het voordeel van eiser.
De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV en droeg het UWV op binnen zeventien weken opnieuw op het bezwaar te beslissen. Tevens werd het betaalde griffierecht aan eiser vergoed. De inhoudelijke gronden van eiser tegen de afwijzing van de Wajong-uitkering zullen in de nieuwe bezwaarfase worden behandeld.