Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2341

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
11979679
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet wegens niet-erkende ziekmelding en werkverzuim

De werknemer werd op staande voet ontslagen nadat hij zich ziek had gemeld, maar de werkgever deze ziekmelding niet accepteerde. De kantonrechter legde de bewijslast bij de werknemer om aan te tonen dat hij daadwerkelijk ziek was op 25 oktober 2025. De werknemer leverde WhatsApp-gesprekken en een verklaring aan ter onderbouwing.

De werkgever betwistte de geloofwaardigheid van het bewijs, wijzend op inconsistenties en het ontbreken van medische symptomen die passen bij griep, en suggereerde dat de klachten eerder op een kater duidden. De kantonrechter concludeerde dat de werknemer onvoldoende bewijs had geleverd dat hij ziek was en dat misselijkheid op zichzelf geen ziekte aantoont.

Omdat niet vaststond dat ziekte de reden was voor het werkverzuim, en gezien de omstandigheden van de voorafgaande avond en nacht, oordeelde de kantonrechter dat er een dringende reden was voor ontslag op staande voet. Het verzoek van de werknemer om het ontslag te vernietigen werd afgewezen, evenals zijn overige verzoeken. De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet is rechtsgeldig verklaard omdat de werknemer niet kon bewijzen dat hij ziek was op de dag van werkverzuim.

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer / rekestnummer: 11979679 \ EJ VERZ 25-666
Beschikking van 16 april 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. H.J.A. Jansen,
tegen
[verweerder] ,h.o.d.n.
[handelsnaam verweerder] ,
zaakdoende te [plaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. A.A.M. Knol.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 4;
- het verweerschrift met producties 1 tot en met 5;
- de mondelinge behandeling van 24 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitnota van de gemachtigde van [verzoeker] ;
- het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 24 februari 2026;
- de akte bewijslevering van [verzoeker] , met producties 5 tot en met 7;
- de akte van [verweerder] .
1.2.
De beschikking is vervolgens nader bepaald op vandaag.

2.De verdere beoordeling

2.1.
In de mondelinge uitspraak van 24 februari 2026 is aan [verzoeker] opgedragen te bewijzen dat hij ziek was op zaterdag 25 oktober 2025.
2.2.
[verzoeker] heeft een akte bewijslevering ingediend. Bij die akte zijn twee WhatsApp-gesprekken tussen [verzoeker] en [A] respectievelijk [B] gevoegd, en een verklaring van [A] . [verzoeker] stelt dat uit de WhatsApp-communicatie met [A] en [B] en uit de verklaring van [A] volgt dat hij op 25 oktober 2025 daadwerkelijk ziek was en met koorts in bed lag. [verzoeker] ziet daarom af van het doen horen van getuigen en concludeert dat hij met het in het geding brengen van deze schriftelijke bescheiden reeds heeft voldaan aan de hem opgelegde bewijsopdracht.
2.3.
Op zaterdag 25 oktober 2025 heeft [verzoeker] het volgende WhatsApp-gesprek met [A] gevoerd (productie 5):
2.4.
Daarnaast heeft [A] het volgende verklaard (productie 6):
“Op zaterdag 25 Oktober ben ik bi [verzoeker] langs gegaan omdat hij erg ziek was. Ik had wat boodschappen gedaan zodat hij de komende dagen de deur niet uit hoefde. [verzoeker] was even kort door de bocht gezegd die dag niks waard. Hij was echt goed zit en zag er heel wit uit.”
2.5.
Op zaterdag 25 oktober en zondag 26 oktober 2025 heeft [verzoeker] het volgende WhatsApp-gesprek met [B] gevoerd (productie 7):
2.6.
[verweerder] heeft bij akte gereageerd op de akte bewijslevering van [verzoeker] . Ten aanzien van de Whatsapp-conversatie met [A] constateert [verweerder] dat [verzoeker] [A] reeds had geïnformeerd dat hij ontslagen was. [A] – die meldt arbeidsrecht te hebben gestudeerd en zijn boeken nog thuis te hebben– had hem immers geadviseerd dat [verweerder] ‘nat zou gaan’ ‘als er iets is’. Ten aanzien van zijn gesteldheid beschrijft [verzoeker] uitsluitend dat hij misselijk is, wat niet een symptoom is van griep – een luchtweginfectie – maar wel van een kater, aldus [verweerder] . De – niet ondertekende – verklaring van [A] blinkt volgens [verweerder] uit in vaagheid. Dat [verzoeker] ‘goed zit’ [sic] en ‘er heel wit’ uitzag bewijst niet dat hij door ziekte niet kon werken. Dat uit die verklaring zou volgen dat [verzoeker] ‘met koorts in bed lag’, is niet begrijpelijk. Dat staat er niet, aldus [verweerder] . De verklaring beschrijft iedereen die ooit een flinke kater heeft gehad. Tenslotte ten aanzien van de Whatsapp-conversatie met [B] , daarover zegt [verweerder] dat een deel van de conversatie tussen zaterdag 25 oktober en zondag 26 oktober 2025 niet is overgelegd; het gesprek loop niet op een natuurlijke manier door van de ene naar de andere screenshot. Ook dit bewijs overtuigt niet, aldus [verweerder] . Het is [verzoeker] zelf die beweert dat hij langs de wc ligt – wat duidt op misselijkheid, dat als gezegd geen symptoom van griep is – en [verzoeker] zelf die op zondag beweert dat hij op zaterdag koorts had (en zondag niet meer), terwijl [B] hem (ook al) niet gelooft.
2.7.
De kantonrechter oordeelt als volgt. [verzoeker] stelt dat hij ziek was en koorts had, maar uit de WhatsApp-correspondentie met [A] volgt enkel dat hij misselijk was. Misselijkheid duidt volgens elk medisch handboek op een vervelend gevoel in de maagstreek dat meestal onschuldig is en vanzelf snel verdwijnt. Het betekent daarmee dan ook niet automatisch dat een misselijk persoon ook ziek is. Misselijkheid kent een breed scala van oorzaken, variërend van onschuldige maagklachten tot voedselvergiftiging. Over de achterliggende oorzaak van zijn misselijkheid heeft [verzoeker] niets gesteld. Dat had hij wel moeten doen om enig aanknopingspunt te bieden voor het aannemen van een toestand van ziekte. Daarbij heeft [verweerder] ook nog eens terecht opgemerkt dat misselijkheid geen symptoom is van griep – een luchtweginfectie – maar wel van een kater. In de verklaring schrijft de zelfbenoemde arbeidsrecht-deskundige [A] weliswaar dat [verzoeker] echt goed zit [de kantonrechter begrijpt: echt goed ziek], maar [verweerder] heeft – opnieuw terecht – opgemerkt dat er niet staat dat [verzoeker] met koorts in bed lag, maar dat de verklaring eerder de situatie van een kater beschrijft. Uit de Whatsapp-correspondentie met [B] volgen tenslotte geen waarnemingen of constateringen van [B] , maar hieruit volgt enkel dat [verzoeker] zelf beweert dat hij op zaterdag koorts had, en dat [B] het – net als [verweerder] – moeilijk te geloven vindt dat [verzoeker] echt ziek was. De kantonrechter is, op basis van de overgelegde stukken en de onderlinge samenhang daarvan, dan ook van oordeel dat [verzoeker] het gevraagde bewijs niet heeft geleverd.
2.8.
Dat betekent dat niet vast is komen staan dat [verzoeker] ziek was op zaterdag 25 oktober 2025, terwijl [verzoeker] dat wel als reden voor het wegblijven van zijn werk heeft gegeven. In het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak is overwogen dat, indien vast komt te staan dat ziekte niet de echte reden voor het werkverzuim van [verzoeker] is geweest, het werkverzuim van [verzoeker] in dit geval een dringende reden oplevert voor ontslag op staande voet mede vanwege de gebeurtenissen in de voorafgaande avond/nacht. Dat betekent dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is.
2.9.
De conclusie is daarmee dat het verzoek van [verzoeker] om te bepalen dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst vanwege het ontbreken van een dringende reden in strijd is gegeven met artikel 7:671 BW Pro en derhalve vernietigbaar is, wordt afgewezen. Ook de overige verzoeken van [verzoeker] worden, gelet op de rechtsgeldigheid van het ontslag, afgewezen.
2.10.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat hij ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
wijst de verzoeken af,
3.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.009,00, te vermeerderen met de eventuele explootkosten van betekening van de beschikking.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.T.G. Roovers en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.