ECLI:NL:RBOBR:2026:2357

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
C/01/422395 / FA RK 26-86
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:7 WvggzArt. 10:11 lid 2 WvggzArt. 278 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek tot schadevergoeding en klacht Wvggz wegens onvolledig verzoekschrift

Verzoekster diende een verzoekschrift in bij de rechtbank Oost-Brabant met het doel een beslissing te verkrijgen over een klacht en een schadevergoeding op grond van artikel 10:7 juncto Pro artikel 10:11, tweede lid, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).

De rechtbank stelde verzoekster in de gelegenheid om het verzoekschrift aan te vullen met concrete partijen en gronden, conform artikel 278 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Deze aanvulling diende uiterlijk 16 januari 2026 te worden ingediend. Verzoekster heeft echter geen inhoudelijke aanvulling of voldoende onderbouwing binnen de gestelde termijn aangeleverd.

De rechtbank ontving wel een bericht van de advocaat van verzoekster, maar dit betrof geen inhoudelijke aanvulling of reden van het verzuim. Gezien het ontbreken van een compleet verzoekschrift en voldoende gronden, en het niet herstellen van dit verzuim binnen de termijn, verklaarde de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk.

De zaak werd schriftelijk afgedaan zonder mondelinge behandeling. Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens een incompleet verzoekschrift en onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/01/422395 / FA RK 26-86
Datum uitspraak: 23 januari 2026
Beschikking over een klacht en een verzoek om schadevergoeding ex artikel 10:7 juncto Pro artikel 10:11, tweede lid, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz)
In de zaak van
[verzoekster]
Geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
verblijvend in [verblijfplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,
advocaat: mr. M. Rafik,
tegen
STICHTING GGzE,
gevestigd in Eindhoven,
hierna te noemen: verweerster.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen van verzoekster van 8 januari 2026.
1.2.
Naar aanleiding van het verzoekschrift heeft de rechtbank op 13 januari 2026 een brief gestuurd naar de advocaat van verzoekster met het verzoek om aanvulling van het verzoekschrift in het licht van artikel 278 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waaruit blijkt welke partijen verzoekster concreet bij deze procedure wil betrekken en op welke gronden het verzoek gestoeld is. De verzoekster is, gelet op de beperkte termijnen die klachtzaken met zich meebrengen, in de gelegenheid gesteld om uiterlijk vrijdag 16 januari 2026 het verzoek inclusief oorspronkelijk klaagschrift aan te vullen, na welke termijn de rechtbank het verzoek zal behandelen en de gevolgtrekking maken die zij gerade acht.
1.3.
De rechtbank heeft geen nadere toelichting en/of stukken ontvangen binnen de gestelde termijn. Op 21 januari 2026 heeft de rechtbank nog een bericht van de advocaat ontvangen, die echter geen inhoudelijke aanvulling of reden van verzuim betrof. Op grond van de ontvangen stukken heeft de rechtbank besloten geen mondelinge behandeling te plannen, maar de zaak schriftelijk af te doen.

2.De beoordeling

2.1.
Verzoekster heeft een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank ter verkrijging van een beslissing over een klacht en ter verkrijging van een schadevergoeding. De rechtbank stelt vast dat het verzoekschrift hiertoe incompleet is en dat verzoekster tevens geen, althans onvoldoende gronden heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar verzoekschrift. Dit verzuim is ook niet binnen een daartoe gestelde termijn hersteld. Verzoekster zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026 door mr. W.S. Badri, rechter, in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.