Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2385

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
SHE 25/2653
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbOmgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen belanghebbenden bij omgevingsvergunning voor recreatief bijbehorend bouwwerk op grote afstand

Eisers maakten bezwaar tegen een omgevingsvergunning voor de bouw van een recreatief bijbehorend bouwwerk nabij hun woningen. Het college verklaarde hun bezwaren niet-ontvankelijk omdat zij geen belanghebbenden zouden zijn. De rechtbank behandelde het beroep en onderzocht of eisers gevolgen van enige betekenis ondervinden.

De rechtbank stelde vast dat de afstand tussen het bouwwerk en de woningen van eisers meer dan 279 meter bedraagt, wat in de regel te groot is om van relevante gevolgen te spreken. Ook het zicht op het bouwwerk en de aanwezigheid van hoge bomen verminderen de impact. Daarnaast werden geluidsoverlast door paardengehinnik en hondengeblaf onvoldoende concreet en aannemelijk gemaakt.

De rechtbank concludeerde dat eisers geen belanghebbenden zijn omdat zij geen directe en betekenisvolle gevolgen ondervinden van het besluit. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Eisers krijgen geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond omdat eisers geen belanghebbenden zijn bij de omgevingsvergunning.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2653 OWBOUW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen

[eiser 1],

[eiser 2] ,

[eiser 3] ,

[eiser 4] ,

allen uit [woonplaats] ,
(gemachtigde: [naam] ),
hierna samen: eisers,
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Someren,

(gemachtigde: [naam] en [naam] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam]uit [vestigingsplaats] (de vergunninghouder).

Procesverloop

1. Op 8 januari 2025 heeft het college aan de vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van de bouw van twee bedrijfswoningen in Someren.
1.1.
Op 20 januari 2025 heeft het college een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van de bouw van een bij de vergunde bedrijfswoningen te realiseren recreatief bouwwerk, namelijk een schuur van 248m2 bruto vloeroppervlakte.
2. Eisers kunnen zich verenigen met het besluit van 8 januari 2025, maar zij zijn het niet eens met het besluit van 20 januari 2025. Daarom hebben zij bezwaar gemaakt tegen dit laatste besluit. Met het bestreden besluit van 4 september 2025 heeft het college de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk verklaard omdat zij volgens het college geen belanghebbenden zijn bij de verleende omgevingsvergunning.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, [naam] en [naam] (namens de vergunninghouder) en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten
3. Het gaat in deze zaak om de hieronder weergegeven feitelijke situatie. Het recreatief bijbehorend bouwwerk staat rechtsboven met de aanduiding BB weergegeven op de kaart. De woning van eisers 3 en 4 is aangeduid met het getal 1 en de woning van eisers 1 en 2 is aangeduid met het getal 2. De stippellijn geeft de hemelsbrede lijn tussen het recreatief bijbehorend bouwwerk en de perceelgrens van de woning van eisers 3 en 4 weer. De afstand hiertussen bedraagt 279,1 meter. Eisers 1 en 2 zijn ook eigenaar van een niet op deze kaart zichtbare woning direct ten zuiden van het perceel waarop de woning met aanduiding 2 is gelegen.
3.1.
Het recreatief bijbehorend bouwwerk is feitelijk al gerealiseerd.
Ondervinden eisers gevolgen van enige betekenis?
4. Alleen belanghebbenden bij een besluit kunnen daartegen in bezwaar gaan. In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), staat wie belanghebbende is, namelijk: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Wel geldt als eis dat het gaat om ‘gevolgen van enige betekenis’. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft een betrokkene geen persoonlijk belang bij het besluit. De betrokkene onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van een betrokkene zijn, moet worden gekeken naar de afstand tot, het zicht op, de planologische uitstraling van en milieugevolgen van de activiteit die het besluit toestaat. Onder die milieugevolgen vallen onder andere zaken als geur, geluid, licht, trilling, emissie en risico’s. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. Dit toetsingskader is vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. [1]
4.1.
Het gaat in deze zaak om een schuur die ook ten opzichte van de meest nabijwonende eisers op grote afstand ligt, namelijk ongeveer 280 meter van hun perceelgrens en nog enkele meters verder van de (achterzijde van) de woning, die bij de beoordeling van de vraag of iemand belanghebbende is, in principe leidend is. 280 meter is in de regel een te grote afstand om te kunnen spreken van gevolgen van enige betekenis. Voor wat betreft de elementen afstand en zicht geldt in ieder geval dat de gevolgen die eisers ondervinden van onvoldoende betekenis zijn. Dat de schuur zichtbaar is, is in het licht van de afstand onvoldoende. De hoogte van de schuur (5 meter) en het feit dat de schuur achter twee stroken hoge bomen ligt, maakt de schuur niet dermate hoog, in het zicht vallend of anderszins verstorend dat deze een serieuze invloed heeft op het uitzicht van eisers 3 en 4. Dat de bomen op een perceel zijn gelegen dat geen eigendom is van de vergunninghouder, doet daar niet aan af. Dat komt omdat dit perceel op grond van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013’, dat onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan, de bestemming ‘Bos’ heeft.
4.1.1.
Aangezien eisers 1 en 2 nog verder weg wonen, geldt ook voor hen dat de elementen afstand en zicht op zichzelf geen aanleiding geven om hen als belanghebbenden aan te merken.
4.2.
Eisers hebben ook nog andere gevolgen naar voren gebracht die zij ondervinden van het recreatief bijbehorend bouwwerk. Het gaat om de mogelijke overlast van het gehinnik van te stallen paarden en eventuele honden die in de schuur zouden worden gehuisvest. De rechtbank is echter van oordeel dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat dit gebruik van de stal dusdanig gaat zijn, dat zij gevolgen van enige betekenis zullen ervaren. Daartoe hebben zij onvoldoende concreet gemaakt welke overlast zij concreet verwachten te ervaren. De rechtbank acht het aannemelijk dat van paarden onder bepaalde omstandigheden enig gehinnik uit kan gaan wanneer zij in een nieuwe omgeving en bij nieuwe paarden worden gestald en zij daarvan nerveus raken. Dit maakt echter op zichzelf nog niet dat het ook aannemelijk is dat dit gehinnik dusdanig luid en frequent zal zijn dat eisers daarvan op de afstand waarop zij van de schuur wonen gevolgen van enige betekenis zullen ervaren. Daarbij komt dat de schuur zelf een geluidsdempend effect zal hebben, aangezien de ingang van de schuur niet aan de zijde van de percelen van eisers zit. Daarnaast is het tussen de schuur en de percelen van eisers gelegen bosperceel ook geluidsdempend van aard.
4.3.
Ook ten aanzien van het geluid van eventueel te houden honden is de rechtbank van oordeel dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij hiervan gevolgen van enige betekenis zullen ondervinden. De schuur is ingericht met het oog op het stallen van paarden. Weliswaar laat de dagrecreatieve bestemming van het perceel waar de schuur komt te staan enige ruimte voor het tijdelijk houden van honden, maar vanwege de inrichting van de schuur is het niet aannemelijk dat deze intensief gebruikt zal worden als hondenkennel. Daarom is het ook onaannemelijk dat eventueel geblaf van dien frequentie en intensiteit zal zijn dat eisers hiervan op meer dan 280 meter afstand en met een tussengelegen bosperceel gevolgen van enige betekenis zullen ondervinden.
4.4.
De conclusie is dat het onaannemelijk is dat eisers gevolgen van enige betekenis zullen ondervinden van de schuur. Dat betekent dat eisers geen belanghebbenden zijn. Het college heeft de bezwaren van eisers terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dat betekent dat het beroep ongegrond is.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug en zij krijgen ook geen proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O.Y. Ifzaren, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M.C. van Og, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld recentelijk de uitspraak van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1750, overweging 19.2.