Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2459

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
25/2188
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1 WnbArt. 4.2 Beleidsregel natuurbescherming Noord-BrabantArt. 2.9 Aanvullingswet natuur OmgevingswetArt. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing tegemoetkoming vraatschade door ganzen op landbouwpercelen

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming wegens vraatschade veroorzaakt door grauwe ganzen op zijn landbouwpercelen. Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant wees deze aanvraag af, omdat volgens taxaties geen relevante schade was vastgesteld. Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in nadat het bezwaar ongegrond werd verklaard.

De rechtbank oordeelde eerder dat het college onvoldoende had onderzocht op welke feiten de taxaties waren gebaseerd en gaf het college opdracht een nieuw besluit te nemen. Na een nieuw besluit bleef het college bij de afwijzing, gebaseerd op taxatieverslagen en een nadere toelichting waarin werd toegelicht dat slechts lichte vraatschade aan oud gras was geconstateerd, die niet relevant was voor een tegemoetkoming.

Eiser voerde aan dat hij op 90% van zijn perceel schade had geleden en dat de taxateurs hem onvoldoende hadden betrokken. De rechtbank stelde vast dat het college zich mocht baseren op de taxaties en dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd voor een relevant schadebeeld. Foto’s en getuigenverklaringen van eiser boden onvoldoende steun. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat het college terecht geen tegemoetkoming toekent.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt dat het college terecht geen tegemoetkoming toekent wegens het ontbreken van een relevant schadebeeld.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2188

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij),
en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, het college

(gemachtigde: mr. M.P. van Asch).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een aanvraag van eiser om een tegemoetkoming voor door hem geleden vraatschade. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat volgens het college geen sprake is van schade. Eiser is het daar niet mee eens. Volgens hem is er wel sprake van schade.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college mocht uitgaan van de in zijn opdracht uitgevoerde taxaties en de daarop door de taxateurs gegeven toelichting. In deze taxaties staat dat er geen relevant schadebeeld is waargenomen op de percelen van eiser. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er wel sprake is van een relevant schadebeeld. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend om een tegemoetkoming in vraagschade van ganzen. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 23 juni 2023 afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing. Het college heeft dit bezwaar op 15 maart 2024 ongegrond verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing op bezwaar. Dit beroep heeft deze rechtbank in de uitspraak op 16 mei 2025 gegrond verklaard. De rechtbank heeft het besluit van 15 maart 2024 vernietigd en heeft het college opgedragen een nieuw besluit te nemen.
2.2.
Op 4 augustus 2025 heeft het college een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Tegen dit bestreden besluit heeft eiser beroep ingesteld.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college. Ook waren aanwezig [naam] (deskundige voor het college) en [naam] (jachthouder, getuige voor eiser).

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding
3. Het college heeft in zijn besluiten van 23 juni 2023 en 15 maart 2024 gebruik gemaakt van taxatieverslagen. In haar uitspraak van 16 mei 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat het college niet goed is nagegaan op welk feitelijk onderzoek deze taxatieverslagen waren gebaseerd en of dit onderzoek in overeenstemming was met de daarvoor geldende richtlijnen. De rechtbank heeft het besluit van 15 maart 2024 daarom vernietigd en heeft het college opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Uitgangspunten bij de beoordeling
4. Op 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming (Wnb) ingetrokken en is Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag om tegemoetkoming in schade voor die datum is ingediend, zijn in deze zaak de Wnb en de daarop gebaseerde regelingen nog van toepassing. [1]
4.1.
Op grond van artikel 6.1 van de Wnb verleent het college tegemoetkomingen in schade, aangericht door – voor zover in deze zaak van belang – vogels als bedoeld in artikel 1 van Pro de Vogelrichtlijn. Tussen partijen is niet in geschil dat de schade zoals deze door eiser aan zijn aanvraag ten grondslag is gelegd – vraatschade door de grauwe gans, de Anser anser – hieronder valt. Het college verleent slechts een tegemoetkoming voor zover de aanvrager schade lijdt of zal lijden en die schade redelijkerwijs niet of niet geheel voor zijn rekening hoort te komen. De tegemoetkoming wordt op grond van artikel 6.1 van de Wnb naar billijkheid bepaald. Dat betekent dat het college veel beoordelingsruimte toekomt.
4.2.
Het college heeft beleidsregels opgesteld over de tegemoetkoming van schade. Deze zijn opgenomen in de Beleidsregel natuurbescherming Noord-Brabant, die op dit besluit nog van toepassing is. Op grond van artikel 4.2 van deze beleidsregel dient de taxatie plaats te vinden met inachtneming van de taxatierichtlijnen. Deze zijn opgenomen in het document ‘Protocollen en richtlijnen taxaties faunaschade’ (de richtlijnen).
Was er sprake van schade?
5. De beroepsgronden van eiser komen erop neer dat het college in het bestreden besluit ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat er geen sprake is van gewasschade. Eiser wijst erop dat de taxateurs geen bewijs hebben geleverd voor hun constateringen dat er geen sprake is van een schadebeeld. Uit het bewijs dat eiser heeft aangeleverd, volgt nu juist dat er wél sprake is van gewasschade. Bovendien hebben de taxateurs zelf opgetekend dat ze schade hebben aangetroffen. Volgens eiser heeft hij op 90% van zijn perceeloppervlakte gewasschade geleden. Dat blijkt volgens eiser ook uit de in april 2023 geconstateerde relatief lage graslengte op zijn perceel. Het is voor eiser vanwege het tijdverloop niet mogelijk om meer tegenbewijs te leveren.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank legt hierna uit waarom.
5.2.
Het gaat in deze zaak om een aanvraag voor een tegemoetkoming in geleden faunaschade. Het college dient bij zulke aanvragen onderzoek te doen naar het bestaan van schade en dat moet het doen in overeenstemming van het beleid dat het daarvoor heeft opgesteld. Als een aanvrager het niet eens is met de uitkomst van een taxatie, dan ligt de bewijslast voor de door de aanvrager gestelde omvang van de schade bij de aanvrager.
5.3.
Verder geldt dat het college in principe op het advies van een deskundige af mag gaan. Het college mag zich daarbij beperken tot een controle op de zorgvuldige totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de daarin opgenomen redenering en de aansluiting van die redenering op de getrokken conclusies. [2] Als eiser over deze punten concrete aanknopingspunten voor twijfel naar voren brengt, dan mag het college niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het college de adviseur een reactie op wat eiser over het advies heeft aangevoerd. [3]
5.4.
Het college heeft verwezen naar de nadere toelichting op de taxatieverslagen die is opgesteld naar aanleiding van de uitspraak van 16 mei 2025. Deze nadere toelichting is opgesteld door de directeur van het taxatiebureau dat verantwoordelijk is voor de taxaties. Daarvoor heeft de directeur de taxateurs geconsulteerd. die zijn gemaakt naar aanleiding van de schademelding van eiser. In deze nadere toelichting is te lezen dat de taxateurs het perceel van eiser driemaal hebben bezocht. Bij het eerste bezoek op 9 januari 2023 zijn 100 grauwe ganzen waargenomen op de percelen van eiser en is lichte vraatschade waargenomen. Op basis daarvan is genoteerd dat sprake was van een licht toenemend schadebeeld. Tijdens het tweede en derde bezoek op 17 februari en 21 maart 2023 zijn geen ganzen waargenomen en zijn er ook geen verse uitwerpselen of veren aangetroffen op de percelen van eiser. Er was ook geen sprake van een uitbreiding van de eerder geconstateerde vraat. Dat in de oorspronkelijke taxatieverslagen ook bij het tweede en derde bezoek een licht toenemend schadebeeld werd genoteerd, betrof een vergissing. De taxateurs hebben ook de grashoogte gemeten op meerdere locaties rond het bedrijf van eiser. Deze metingen lieten nagenoeg geen variatie zien en de gemiddelde grashoogte bedroeg 10 centimeter. De grashoogte op 20 meter afstand van het erf van eiser – waar ganzen met zekerheid niet hebben gegraasd – bedroeg ook 10 centimeter. Het verschil met de gemiddelde graslengte van de buurtpercelen kan volgens de taxateurs worden verklaard door verschillen in graslandbeheer door de verschillende veehouders.
5.5.
In de nadere toelichting is toegelicht wat maakt dat de taxatieverslagen geen inzicht geven in de wijze waarop gehoor is gegeven aan enkele taxatievoorschriften die de richtlijnen zijn gesteld. Volgens de taxateurs heeft dat ermee te maken dat er geen relevant schadebeeld is waargenomen gedurende de verschillende bezoeken. Daarom was er ook geen aanleiding om verder te taxeren aan de hand van de richtlijnen. De richtlijnen veronderstellen namelijk dat er een faunaschadebeeld wordt aangetroffen. Dat is een harde voorwaarde voor het uitkeren van een tegemoetkoming. Als er geen schadebeeld wordt aangetroffen, dan blijft een uitgebreidere taxatieverantwoording achterwege. Dat staat weliswaar niet met zoveel woorden in de taxatierichtlijn, maar dit is wel onderdeel van de taxateursopleiding.
5.6.
In het bestreden besluit heeft het college verder toegelicht dat er weliswaar tijdens het eerste bezoek lichte vraatschade is aangetroffen, maar dat deze schade niet relevant is voor de schadetaxatie omdat het schade betrof aan oud gras. Op de zitting heeft het college deze opmerking nader toegelicht. Volgens het college wordt het oude gras niet geoogst. Het is weliswaar zo dat serieuze vraatschade aan oud gras van invloed kan zijn op het groeivermogen van nieuw gras, maar het lichte schadebeeld dat op 9 januari 2023 is waargenomen geeft geen aanleiding om te veronderstellen dat van een dergelijk verlies aan groeivermogen sprake is geweest op het perceel van eiser.
5.7.
De rechtbank is van oordeel dat het college met de hierboven weergegeven onderbouwing voldoende inzicht heeft gegeven in de wijze van totstandkoming van de taxaties op grond waarvan het college de aanvraag van eiser heeft afgewezen. Het college mocht zich na de gegeven nadere toelichting dus ook op deze taxatieverslagen baseren. Dat, zoals eiser heeft aangevoerd, de verslagen niet zijn voorzien van foto’s, maakt niet dat de verslagen op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. De taxateurs zijn namelijk ter plaatse geweest en zij hebben bijgehouden wat zij daar hebben waargenomen. Van de taxateurs kan in redelijkheid niet worden verwacht dat zij foto’s maken van een afwezig schadebeeld op het gehele perceel van eiser. De richtlijnen bevatten daar ook geen aanwijzingen voor.
5.8.
Eiser heeft verder aangevoerd dat de taxateurs hem onvoldoende hebben betrokken bij de totstandkoming van de verslagen. De taxateurs hebben dit weersproken. Volgens de taxateurs was eiser tijdens de bezoeken in de gelegenheid om aanwezig te zijn en opmerkingen te maken, maar heeft eiser hiervan afgezien. Ook na de eindtaxatie is eiser volgens de taxateurs uitgenodigd om de taxateurs de beschadigde locaties te tonen, maar dit zou voor eiser niet mogelijk zijn gebleken. De rechtbank ziet in de enkele weerspreking van eiser geen aanleiding om aan deze lezing van de taxateurs te twijfelen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat eiser de kans heeft gehad om de taxateurs op het door eiser gestelde schadebeeld te wijzen. Alleen al hierom kan wat eiser op dit punt heeft aangevoerd niet tot de conclusie leiden dat het onderzoek ondeugdelijk is uitgevoerd.
5.9.
Nu het college zich mocht baseren op de nader toegelichte taxatieverslagen, ligt het op de weg van eiser om bewijs te leveren voor zijn stelling dat er wel degelijk sprake is van een relevant schadebeeld. Daar is eiser niet in geslaagd. Eiser heeft aangevoerd dat hij schade heeft geleden op 90% van zijn perceel en dat deze schade afkomstig is van de aanwezigheid van duizenden ganzen. Eiser heeft echter geen relevant beeldmateriaal aangeleverd van uitwerpselen (die, afhankelijk van het weer, enige tijd blijven liggen) of veren (die tot wel zes weken goed zichtbaar zijn), passend bij een schade van deze omvang. Eiser heeft weliswaar foto’s in het geding gebracht waarop enige vraatschade, uitwerpselen en veren zichtbaar zijn en waarop volgens eiser een lagere grashoogte is waar te nemen, maar deze foto’s vormen onvoldoende bewijs voor de stellingen van eiser. De foto’s hebben namelijk betrekking op een beperkt stuk perceel, het waarneembare schadebeeld is zeer licht en de foto’s zijn op 25 april 2023 – dus buiten de taxatieperiode – genomen. De door eiser meegebrachte getuige, die ter plaatse jachthouder is, heeft ook niet concreet verklaard over de aanwezigheid van ganzen op het perceel van eiser in de taxatieperiode. Hij heeft weliswaar verklaard dat hij ook vóór de aanvang van de beheerperiode op 1 april 2023 regelmatig rondreed, maar hij heeft desgevraagd niet aan kunnen geven of en zo ja wanneer er ganzen op het perceel van eiser aanwezig zijn geweest. Eiser heeft verder aangegeven dat hij bewijsmateriaal zou hebben meegestuurd met de aanvraag, maar eiser heeft dit bewijsmateriaal niet in het geding gebracht. Het college heeft ter zitting het digitale aanvraagsysteem geraadpleegd en heeft niet kunnen constateren dat de aanvraag was voorzien van beeldmateriaal. Al met al heeft eiser met het geleverde bewijs niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een groter of ander schadebeeld dan dat de taxateurs hebben waargenomen.
5.10.
De rechtbank concludeert dat eiser er niet in is geslaagd om bewijs te leveren voor zijn stelling dat hij wel degelijk relevante schade heeft geleden. Het college mocht zich daarom baseren op de nader toegelichte taxatieverslagen die het ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing door het college van de aanvraag van eiser om een tegemoetkoming in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O.Y. Ifzaren, rechter, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dat is bepaald in artikel 2.9, eerste lid, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet.
2.Deze verplichting vloeit voort uit artikel 3:2 van Pro de Awb.
3.Zie voor dit toetsingskader bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1182, overweging 3.1.