Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
De tenlastelegging.
De formele voorvragen.
• de officier van justitie ter terechtzitting voor de feiten onder 1 en 2 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 42 maanden en een geldboete van € 10.000,- eist; [1]
• de verdachte verklaart geen bezwaar te hebben tegen kennisgeving aan het CJIB van de gemaakte procesafspraken om te kunnen komen tot executie;
• de verdachte geen onderzoekswensen indient dan wel de reeds ingediende en toegewezen onderzoekswensen intrekt;
• de verdediging geen verweren ex artikel 348 Sv Pro voert;
• de verdediging geen bewijsverweren en strafuitsluitingsverweren voert;
• de verdediging geen strafmaatverweren voert;
• de zaak terugkeert naar de regiefase indien de rechtbank afwijkt van het door verdachte, diens advocaat en het Openbaar Ministerie overeengekomen afdoeningsvoorstel;
• de verdediging en het Openbaar Ministerie geen hoger beroep instellen indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken;
• verdachte aanwezig is bij de inhoudelijke zitting en de uitspraak;
• verdachte zich niet aan de tenuitvoerlegging van zijn straf(fen) zal onttrekken.
De bewezenverklaring.
De strafbaarheid van het feit.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
Het standpunt van de verdediging.
Het oordeel van de rechtbank.
Toepasselijke wetsartikelen.
DE UITSPRAAK
gevangenisstrafvoor de duur van
42 maanden.