Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
De tenlastelegging.
De formele voorvragen.
De bewijsvraag.
“Good day [verdachte] , I am working with (…) to organize cargo for Trinidad. We are currently in talks with medical suppliers for the local Ministry of Health to route their cargo to the Europort for loading.. I am speaking to multiple logistics people today to coordinate. I will copy you on the emails and I will advise them that you are the European contact”. Het e-mailbericht lijkt te zijn verzonden naar het e-mailaccount van verdachte. Kennelijk kon [naam 4] over het e-mailaccount van verdachte kon beschikken.
“De naam, thuishaven en imo nummer”. Om 12:57:06 uur vraagt [naam 1] welke. Om 12:57:42 uur antwoordt [naam 4] met:
“ [nummer 1] ”. De rechtbank leidt hieruit af dat de gebruiker van het account [naam 4] in staat was om direct de gevraagde informatie te geven. Uit het dossier volgt dat het schip met de [naam 5] en [nummer 2] in 2020 eigendom was van het [bedrijf] waarvan verdachte de enig aandeelhouder was.
‘expert in shipping’. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat de bekende van [medeverdachte 2] een bemanningslid is die weliswaar technische kennis heeft, maar niet over voldoende kennis van zaken beschikt om de chatgesprekken van [naam 4] te hebben kunnen voeren.
‘shipping expert’en eigenaar van het schip verantwoordelijk was voor het vaarschema, inclusief de positie van de overdracht. Daarnaast was hij verantwoordelijk voor het regelen en de technische aspecten van de dekladingen, tussendeksels, ankers, kettingen, bakken en flatracks om de cocaïne te verbergen en de overdracht van de cocaïne onopgemerkt te laten verlopen. Bovendien is voor een bewezenverklaring van voorbereidingshandelingen niet vereist dat de handelingen daadwerkelijk zijn uitgevoerd.
in of uit Nederlandomdat de lading was bestemd voor Antwerpen, wordt eveneens verworpen. Uit de chatberichten volgt immers dat een deel van de eerste reis via Rotterdam en Antwerpen zou gaan. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat de haven van Antwerpen voor een zeeschip enkel bereikbaar is via het binnen de grenzen van Nederland gelegen gedeelte van de Westerschelde. Uit de omstandigheid dat het schip de haven van Antwerpen zou binnenkomen, volgt logischerwijs dat de cocaïne, die zich in het schip zou bevinden, kort tevoren in Nederland zou worden ingevoerd.