Eiser en gedaagde hadden een zoon die in 2024 overleed tijdens een medische ingreep. De as van het kind bevindt zich geheel bij gedaagde, die ook de crematie heeft geregeld. Eiser vordert een derde deel van de as, samen met enkele materiële zaken, om een eigen gedenkplek te kunnen creëren. Gedaagde verzet zich tegen het delen van de as, omdat zij de zorg voor het kind droeg en de as onverdeeld wil houden.
De rechtbank stelt vast dat de wens van het kind over de asbestemming niet kan worden vastgesteld en dat de Wet op de lijkbezorging bepaalt dat degene die de crematie heeft aangevraagd de asbestemming regelt, maar niet naar eigen inzicht mag beslissen. De rechtbank volgt de lagere rechtspraak dat bij ontbreken van een wens van de overledene de belangen en gevoelens van de nabestaanden moeten worden afgewogen.
De rechtbank weegt het belang van eiser, die als vader en met ouderlijk gezag een rouwplek wil om zijn zoon te herdenken, zwaarder dan het belang van gedaagde om de as onverdeeld te houden. De vordering tot het verstrekken van een derde deel van de as aan eiser wordt toegewezen, met een dwangsom bij niet-naleving. De proceskosten worden gecompenseerd, ieder draagt eigen kosten.