De beoordeling van het tenlastegelegde feit.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend is bewezen.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft bepleit verdachte van het tenlastegelegde vrij te spreken omdat bij verdachte de wetenschap ontbrak dat hij een middel vervoerde dat bestemd was voor de vervaardiging van een bij de Opiumwet verboden middel.
Het oordeel van de rechtbank.
De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in dit vonnis. Na de uitwerking en opgave van de bewijsmiddelen zal de rechtbank nog enkele overwegingen wijden aan het bewijs.
De
verklaring van verdachteter terechtzitting van 13 april 2026 afgelegd.
Op 15 januari 2026 reed ik als bestuurder van mijn VW Caddy over de Meerenakkerweg in Eindhoven. Toen mij door de politie een stopteken werd gegeven, heb ik mijn auto op de Langendijk in Eindhoven geparkeerd. Daarop wilde de politie in mijn auto kijken. Daarmee heb ik niet ingestemd. Hierna heeft de politie mij medegedeeld dat ik ervan werd verdacht een milieudelict te hebben gepleegd omdat mijn auto te zwaar beladen zou zijn en dat dit de reden voor de controle van de lading in mijn auto zou zijn. De politie heeft mij herhaaldelijk toestemming gevraagd de lading van mijn auto te mogen controleren. Dat heb ik telkens geweigerd. De sleutels van mijn auto heb ik niet aan de politie gegeven omdat ik niet aan de controle wilde meewerken.
Uiteindelijk heeft de politie zelf mijn sleutels gepakt en de laadruimte van mijn auto geopend. Daar troffen zij een aantal dozen met poeder aan. Vervolgens heeft de politie mij naar de vrachtbrief van de lading gevraagd om te kunnen controleren waaruit de lading bestond. Ik heb toen gezegd dat ik de vrachtbrief niet bij me had. Bij het laden van mijn auto was ik aanwezig. Ik heb toen niet gecontroleerd wat er in de dozen zat.
U deelt mij mede dat ik bij mijn verhoor op 17 januari 2026 bij de rechter-commissaris heb verklaard “dat is het risico van het vak”. Daarmee heb ik bedoeld te zeggen dat ik er maar op moet vertrouwen dat mijn opdrachtgever eerlijk is over wat hij te vervoeren aanbiedt en dat de lading overeenstemt met wat op de vrachtbrief staat.
het proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer PL2100-2026010477-10, opgemaakt en afgesloten op 15 januari 2026. Dit proces-verbaal houdt onder meer zakelijk weergegeven in
het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2].
[pag. 15, 16] Op 15 januari 2026 omstreeks 16.00 uur reden wij op de Meerenakkerweg in Eindhoven. Ik, verbalisant [verbalisant 2] , zag een voertuig rijden voorzien van kenteken [kenteken] . Ik bevroeg het kenteken en ik zag dat de ten naam gestelde [verdachte] was, geboren op [1997] . Wij zagen dat het voertuig zwaarbeladen was doordat de achterkant van het voertuig doorgezakt was en de voorkant licht omhoogsteeg. Wij gaven het voertuig een stopteken en ik, verbalisant [verbalisant 1] , deelde de bestuurder mede dat hij de weg moest vervolgen richting de Meerenakkerweg. Wij zagen dat hij hieraan voldeed en dat hij zijn voertuig tot stilstand bracht op de Langendijk in Eindhoven.
Nadat de bestuurder zijn voertuig tot stilstand had gebracht, liep ik verbalisant [verbalisant 1] , naar de bestuurderszijde van het voertuig. Ik zag dat de bestuurder zijn Nederlands rijbewijs en kentekenbewijs gaf. Hierna deelde ik, verbalisant [verbalisant 1] , hem mede dat wij zijn rijbewijs en kentekenbewijs wilde controleren op de Wegenverkeerswet en ook zijn vrachtbrief en laadruimte op de Wet economische delicten. Ik, verbalisant [verbalisant 2] opende de bus. Wij zagen dat er in de bus een aantal dichte dozen stonden. Er werd een doos geopend. Wij zagen dat er in de doos een zak zat met daarop Chinese tekens en "non-dairy-creamer". Wij hielden de bestuurder aan en brachten hem over naar het politiebureau. De bestuurder bleek te zijn genaamd [verdachte] , geboren op [1997] [= verdachte].
het proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer PL2100-2026010477-19, opgemaakt en afgesloten op 15 januari 2026. Dit proces-verbaal houdt onder meer zakelijk weergegeven in
het relaas van verbalisanten [verbalisant 4] en Teuben.
[pag. 27, 28] Op 15 januari 2026 omstreeks 16.20 uur kregen wij het verzoek van collega [verbalisant 1] om aan te sluiten bij een controle van een Volkswagen Caddy op de Meerenakkerweg te Eindhoven. Wij zagen dat collega's [verbalisant 1] en [verbalisant 2] naar de achterkant van de Caddy liepen en de deuren openden. Wij hoorden dat zij zeiden dat de Caddy helemaal vol lag met dozen. Ik, verbalisant [verbalisant 4] , opende een van de dozen om de inhoud te controleren. Ik zag dat op een doos het adres was weggebrand. Ik opende de doos en rook direct een chemische geur en zag een zilverkleurige zak zitten. Vervolgens opende ik een andere doos. Deze zag er hetzelfde uit als de overige dozen in de Caddy. Ik opende de doos en zag dat er een witte zak in zat met Chinese symbolen erop en de tekst: "Non-Dairy-Creamer". Ik rook een licht chemische geur.
Vervolgens werd het voertuig met inhoud in beslag genomen en overgebracht naar een andere locatie voor onderzoek. Wij zagen dat op de dozen twee adressen stonden: [adres 2] en [adres 3] .
het proces-verbaal van bevindingen LFO, proces-verbaalnummer 2026-01-15 (PL2100-2026010444) opgemaakt en afgesloten op 19 januari 2026. Dit proces-verbaal houdt onder meer zakelijk weergegeven in
het relaas van verbalisant [verbalisant 3].
[pag. 52, 53] Op 16 januari 2026 heb ik een onderzoek ingesteld aan de lading van een motorvoertuig. Naar aanleiding van een controle aan een motorvoertuig werden in de laadruimte dozen aangetroffen, waarin zich vermoedelijk stoffen bevonden voor de vervaardiging en of bewerking van synthetische drugs. Het motorvoertuig werd ten behoeve van een in te stellen onderzoek door het LFO veiliggesteld op het terrein van het Bureau van Politie Eindhoven, gevestigd Mathildelaan 4 te Eindhoven.
Door mij is het betreffende voertuig op het terrein van de Politie Eindhoven, aangetroffen. Het motorvoertuig was van het fabrieksmerk Volkswagen en voorzien van het Nederlands kenteken [kenteken] . In de laadruimte werden 23 kartonnendozen aangetroffen. Deze dozen waren voorzien van diverse etiketten. Op een etiket van UPS stond vermeldt “Ship To, [naam] , [adres 3] . De dozen waren gezien de vermelding op de etiketten van twee partijen. Te weten; partij van 1 t/m 8 en 1 t/m 50. In de dozen bevonden zich verschillende verpakkingen met eenzelfde verpakte inhoud van een geel/beige substantie die werd geïdentificeerd als zijnde Methyl-4-Fenyl-Acetotacetaat, de pre-precursor voor de vervaardiging van Benzyl Methyl Keton (BMK). BMK is de grondstof voor de vervaardiging van amfetamine of metamfetamine. Totaal werd er circa 460 kilogram pre-precursor aangetroffen. Vanuit de partij werden uit vier willekeurige verpakkingen monsters genomen. Deze monsters werden respectievelijk voorzien van het SIN-nummer: AARY1151NL, AARY1152NL, AARY1153NL en AARY1154NL.
een ander geschrift, te weten een rapport “drugsonderzoek aan materialen aangetroffen op 15 januari 2026 in Eindhoven” van het NFI van 7 april 2026 met zaaknummer 2026.03.12.112. Dit rapport houdt onder meer zakelijk weergegeven in
het relaas rapporteur dr. J.W. Hulshof.
Verkregen informatie: In de laadruimte van het motorvoertuig [kenteken] werden dozen met Chinese etiketten aangetroffen.
Vraagstelling 2: Bevat het onderzoeksmateriaal grondstoffen/hulpstoffen/tussenproducten voor de vervaardiging en/of bewerking van [synthetische] drugs?
Onderzoeksmateriaal en resultaat:
Kenmerk
Omschrijving
Resultaat
23 kartonnendozen voorzien van diverse etiketten met Chinese tekens. In de dozen verschillende zakken, bestaande uit zilveren seal zak, vezel versterkte beige zak en vezel versterkte witte zak met bruine opschrift en tekens. In alle zakken een dubbele transparante plasticzak gesloten met een kabelbinder in de zak geel/beige substantie. (FD-Methyl-4-Fenyl Acetotacetaat) Vier monsters uit willekeurige zakken.
AARY1151NL
lichtgeel poeder en brokjes, volgens opgave “T1-A: monster uit willekeurige zak”
bevat een zout van het enolaat van ethul4-fenylacetoacetaat (E4PA)
AARY1152NL
crèmekleurig poeder en brokjes, volgens opgave
“T2-A: monster uit willekeurige zak”
bevat een zout van het enolaat van ethul4-fenylacetoacetaat (E4PA
AARY1153NL
crèmekleurig poeder en brokjes, volgens opgave
“T3-A: monster uit willekeurige zak
bevat een zout van het enolaat van ethul4-fenylacetoacetaat (E4PA
AARY1154NL
geel poeder en brokjes, volgens opgave
“T4-A: monster uit willekeurige zak”
bevat een zout van het enolaat van ethul4-fenylacetoacetaat (E4PA
Conclusie:
In het onderzoeksmateriaal is een zout van het enolaat van ethyl 4-fenylacetoacetaat (E4PA) aangetoond. In relatie tot drugs worden zouten van het enolaat van E4PA gebruikt voor het vervaardigen van BMK (benzylmethylketon), een grondstof voor amfetamine en metamfetamine.
Nadere overwegingen van de rechtbank.
Ter terechtzitting van 23 april 2026 heeft de raadsman gemotiveerd aangevoerd dat verdachte niet wist waaruit zijn lading bestond. Door en namens verdachte is betwist dat verdachte wist of reden had te vermoeden dat hij een stof vervoerde die gebruikt wordt voor de vervaardiging van (met)amfetamine.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte wel wist dat hij iets vervoerde dat niet was toegestaan.
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting van 13 april 2026 stelt de rechtbank het volgende vast. Nadat verbalisanten een van de dozen in de laadruimte van het voertuig van verdachte hadden geopend, roken zij een chemische lucht. Op de dozen stonden diverse Chinese tekens en op de etiketten die zich op deze dozen bevonden, waren adressen weggebrand. Verdachte heeft verklaard dat hij bij het laden van zijn voertuig aanwezig is geweest. Hij heeft dus ook kunnen en moeten zien dat adressen waren weggebrand en dat op diverse dozen andere adressen stonden dan zijn uiteindelijke bestemming. Verdachte heeft bovendien de vrachtbrief niet kunnen overleggen. Uit het dossier blijkt ook niet dat verdachte heeft verklaard wat hij dan wél vervoerde, terwijl hij toch bij het inladen betrokken was. Pas ter terechtzitting is door verdachte verklaard dat hij dacht dat hij kippenvoer zou vervoeren. Tenslotte stelt de rechtbank vast dat verdachte alles in het werk heeft gesteld om de controle van de laadruimte van zijn voertuig te voorkomen.
Ter terechtzitting van 13 april 2026 is verdachte uitdrukkelijk gevraagd op welk adres hij de in zijn voertuig aangetroffen dozen had geladen, op welk adres hij deze dozen moest afleveren, wat de naam van de afnemer van zijn lading was en wat de naam van zijn opdrachtgever was. Verdachte heeft deze vragen niet willen beantwoorden omdat hij bang is daardoor nog verder in de problemen te komen. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte wist althans er sterk rekening mee hield dat zijn opdrachtgever en/of de afnemer zijn lading, geen bonafide, legale ondernemers waren. Dat verdachte vermoedde dat hij kippenvoer vervoerde acht de rechtbank dan ook onaannemelijk.
Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte minst genomen ernstig reden heeft gehad te vermoeden dat hij iets vervoerde dat niet was toegestaan.
De rechtbank verwerpt het door de verdediging gevoerde verweer dat bij verdachte de wetenschap ontbrak over de aard van de lading die hij vervoerde dan ook.
De conclusie.
Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien met wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend is bewezen, een en ander zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader zal worden omschreven.