ECLI:NL:RBOBR:2026:261

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
01/233799-25
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor poging tot doodslag, zware mishandeling en bedreiging met een stanleymes

Op 16 januari 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 4 september 2025 in Vinkel, gemeente 's-Hertogenbosch, betrokken was bij een gewelddadig voorval. De verdachte heeft met een stanleymes in de richting van twee slachtoffers gezwaaid en hen bedreigd met de dood. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van een noodweersituatie, aangezien het initiatief tot het geweld bij de verdachte lag. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Tevens is er een contactverbod opgelegd met de slachtoffers. De zaak kwam aan het licht na een melding van de slachtoffers, die de verdachte hadden overmeesterd na de gewelddadige confrontatie. De rechtbank achtte de verklaringen van de slachtoffers en getuigen betrouwbaar en concludeerde dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen, waarbij schadevergoeding werd toegekend voor zowel materiële als immateriële schade.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.233799.25
Datum uitspraak: 16 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1985] ,
wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te: P.I. Grave.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 december 2025. Het onderzoek ter terechtzitting is op 6 januari 2026 gesloten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 14 november 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 4 september 2025 te Vinkel, gemeente 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven,
(meermaals) (met kracht) met een (stanley)mes, althans een scherp voorwerp, in en/of in de richting van het hoofd, de keel, de buik, de lies, en/of de knieën, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gezwaaid en/of heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 4 september 2025 te Vinkel, gemeente 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (meermaals) (met kracht) met een (stanley)mes, althans een scherp voorwerp, in en/of in de richting van het hoofd, de keel, de buik, de lies, en/of de knieën, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gezwaaid en/of heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 4 september 2025 te Vinkel, gemeente 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
(meermaals) (met kracht) met een (stanley)mes, althans een scherp voorwerp, in en/of in de richting van de borst, de keel, de duim en/of de rug, althans het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft gezwaaid en/of heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 4 september 2025 te Vinkel, gemeente 's-Hertogenbosch [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door (meermaals) (met kracht) met een (stanley)mes, althans een scherp voorwerp, in en/of in de richting van de borst, de keel, de duim en/of de rug, althans het lichaam van die [slachtoffer 2] te zwaaien en/of te steken;
T.a.v. feit 3:
hij op of omstreeks 4 september 2025 te Vinkel, gemeente 's-Hertogenbosch [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door:
- (meermaals) (met kracht) met een (stanley)mes, althans een scherp voorwerp, in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te zwaaien en/of te steken, en/of
- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (meermaals) dreigend de woorden toe te voegen: "Jij gaat dood", "Ik maak je dood", en/of "Ik ga je vermoorden", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding.
Op donderdag 4 september 2025 omstreeks 16:45 uur heeft een ontmoeting plaatsgevonden tussen verdachte, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De ontmoeting is geëscaleerd tot een verbale en fysieke confrontatie waarbij verdachte met een stanleymes heeft gezwaaid en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een koevoet hebben gehanteerd. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben verdachte overmeesterd en vastgehouden tot de politie ter plaatse was.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de (primair) ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Verdachte verklaart dat hij uit zelfverdediging in de richting van [slachtoffer 1] heeft gezwaaid met een mes. Hij ontkent in de richting van [slachtoffer 2] te hebben gezwaaid. Bij [slachtoffer 1] heeft verdachte naar eigen zeggen niet naar zijn keel en hoofd gezwaaid. De woordelijke bedreigingen kan verdachte zich niet herinneren. De verdediging stelt zich verder op het standpunt dat de aangiftes en getuigenverklaringen in het procesdossier onbetrouwbaar zijn. De verdediging heeft verzocht om het onderzoek bij een voorgenomen bewezenverklaring te heropenen om nader onderzoek te doen naar de getuigenverklaringen.
Het oordeel van de rechtbank.
Geen nader onderzoek
De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek ter terechtzitting volledig is geweest en ziet geen aanleiding voor de heropening daarvan. De verdediging heeft overigens ook niet concreet onderbouwd welke getuigen gehoord zouden moeten worden en waarover.
Bewijsbijlage.
Omwille van de leesbaarheid van de overwegingen, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking en opsomming daarvan in de bijlage.
Bewijsoverweging
De rechtbank acht de verklaringen van aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] betrouwbaar en daarmee bruikbaar voor het bewijs. Zij hebben allemaal zeer kort na het incident verklaard. De nadien aangevulde verklaringen zijn grotendeels met die eerdere verklaringen in overeenstemming. Voor [getuige 2] en [getuige 1] geldt dat zij niet bij het onderliggende conflict betrokken zijn. De rechtbank ziet geen aanwijzingen dat de aangevers en getuigen hun verklaringen ten nadele van verdachte onderling zouden hebben afgestemd.
Zij verklaren allemaal gedetailleerd over de feitelijke gang van zaken en de verklaringen sluiten grotendeels op elkaar aan.
De rechtbank stelt op grond van de door haar gebruikte bewijsmiddelen de volgende gang van zaken vast.
Verdachte is naar de woning van [slachtoffer 2] gekomen en is daar in conflict geraakt met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
Verdachte was geëmotioneerd met [slachtoffer 2] in gesprek toen hij uit zijn broekzak een stanleymes tevoorschijn haalde.
Op enig moment is hij met het mes op [slachtoffer 1] afgelopen. [slachtoffer 1] heeft met een koevoet in de hand geprobeerd verdachte rustig te krijgen, waarbij [slachtoffer 1] heeft gezegd dat verdachte het mes moest wegleggen en rustig moest worden en dat het klaar was of woorden van die strekking. Verdachte is boos geworden en heeft geroepen "Jij gaat dood" of "Ik ga je vermoorden". Verdachte heeft met het stanleymes zwaai- en steekbewegingen gemaakt nabij het gezicht, de hals, buik, geslachtsdeel, lies en knieën van [slachtoffer 1] . De zwaaibewegingen met het mes waren lange halen, diagonaal afwisselend van rechtsboven naar linksonder en van linksboven naar rechtsonder.
Op enig moment heeft verdachte met het mes een snijwond toegebracht op de knie van [slachtoffer 1] .
[slachtoffer 2] is zich met het gevecht gaan bemoeien. Verdachte richtte daarop zijn aandacht op [slachtoffer 2] en heeft ook naar hem zwaaende bewegingen met het mes gemaakt in de nabijheid van zijn lichaam.
Verdachte heeft hierbij de duim van [slachtoffer 2] geraakt en een snede gemaakt in de kleding van [slachtoffer 2] aan de rugzijde.
[slachtoffer 2] heeft de koevoet gepakt en verdachte geraakt waarna verdachte is gevallen. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben verdachte op de grond vastgehouden tot de politie kwam. Verdachte heeft naar [slachtoffer 1] geroepen dat hij hem kwam opzoeken als hij vrij was.
Feit 1 (primair): poging doodslag [slachtoffer 1]
De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte vol opzet had op het doden van [slachtoffer 1] . Wel acht de rechtbank voorwaardelijk opzet bewezen.
Uit de hiervoor vastgestelde gang van zaken blijkt dat er een aanmerkelijke kans heeft bestaan dat verdachte [slachtoffer 1] met het mes zou raken op een vitaal deel van het lichaam. Verdachte heeft met het mes vele zwaaibewegingen gemaakt op zeer korte afstand van vitale lichaamsdelen van [slachtoffer 1] .
Verdachte kon daarbij niet goed inschatten hoe [slachtoffer 1] zich in het gevecht zou bewegen.
De gedragingen van verdachte kunnen, gelet op het voorgaande, naar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou komen te overlijden ook bewust heeft aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel, is de rechtbank niet gebleken.
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Dat betekent dat de rechtbank het ten laste gelegde feit 1 primair wettig en overtuigend bewezen acht.
Feit 2: poging zware mishandeling [slachtoffer 2]
Uit de hiervoor vastgestelde gedragingen blijkt ook dat er een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 2] bestond en dat die kans door verdachte is aanvaard. Verdachte heeft met het mes zwaaiende bewegingen naar [slachtoffer 2] gemaakt en hem daarbij geraakt. Ten tijde van deze bewegingen was sprake van een onoverzichtelijke en dynamische situatie waarin verdachte redelijkerwijs door te handelen als hij deed, op de koop heeft toegenomen dat hij [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen.
Ook hier geldt dat het handelen naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat verdachte de kans hierop bewust moet hebben aanvaard.
De rechtbank acht ook het ten laste gelegde feit 2 primair wettig en overtuigend bewezen.
Feit 3: bedreiging
Voor een veroordeling ter zake van bedreiging is onder meer vereist dat de bedreigde daadwerkelijk van de bedreiging op de hoogte is geraakt en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied, dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat de bedreiging ten uitvoer zou kunnen worden gelegd. Voorts moet het opzet van de verdachte zijn gericht op zowel het daadwerkelijk op de hoogte raken van de bedreiging door de bedreigde als op het ontstaan van die vrees bij de bedreigde.
In hetgeen hiervoor is overwogen over feit 1 en 2 ligt een fysieke bedreiging van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] besloten. Ten aanzien van [slachtoffer 1] zijn ook woordelijke bedreigingen geuit tegen het leven gericht. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben de fysieke handelingen als bedreigend ervaren. Dit geldt ten aanzien van [slachtoffer 1] ook voor de woordelijke bedreigingen.
De rechtbank acht feit 3 daarom wettig en overtuigend bewezen.
Van de woordelijke bedreiging van [slachtoffer 2] zal verdachte worden vrijgesproken, nu [slachtoffer 2] heeft verklaard dat die woorden aan [slachtoffer 1] waren gericht.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
1.
op 4 september 2025 te Vinkel, gemeente 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven,
meermaals met kracht met een stanleymes in de richting van de keel, de buik, de lies, en de knieën van die [slachtoffer 1] heeft gezwaaid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
op 4 september 2025 te Vinkel, gemeente 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 2]
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermaals met kracht met een stanleymes in de richting van die [slachtoffer 2] heeft gezwaaid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
op 4 september 2025 te Vinkel, gemeente 's-Hertogenbosch [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door:
- meermaals met kracht met een stanleymes, in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te zwaaien, en
- die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen: "Jij gaat dood", "Ik maak je dood", en/of "Ik ga je vermoorden", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Ter terechtzitting heeft de raadsman overeenkomstig zijn pleitnota aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Uit het vastgestelde feitenverloop volgt dat het initiatief om geweld toe te passen bij verdachte lag en dat het gedrag van verdachte als aanvallend moet worden gezien. Van een noodweersituatie is dus geen sprake geweest.
Het verweer wordt daarom, bij gebreke van een feitelijke grondslag, verworpen.
Er zijn ook geen overige feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft tevens gevorderd dat de rechtbank een contactverbod met de slachtoffers zal opleggen op de voet van artikel 38v van het wetboek van strafrecht voor de duur van twee jaren, met het verzoek om dit verbod dadelijk uitvoerbaar te verklaren en te bepalen dat iedere overtreding wordt gesanctioneerd met één week hechtenis.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de strafmaat.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige geweldsfeiten en de bedreiging daarmee. Het is eerder aan geluk dan aan verdachte te danken dat [slachtoffer 1] de gebeurtenissen op 4 september 2025 kan navertellen.
Persoonlijke omstandigheden
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten. In het in deze zaak uitgebracht reclasseringsadvies stelt de reclassering dat er geen problemen zijn op de verschillende leefgebieden. Zij schat de kans op herhaling van delictgedrag laag in.
De straf.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden passend en geboden.
De rechtbank zal daarvan zes maanden voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opleggen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om daarnaast ook nog een contactverbod op te leggen op de voet van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
Verzoek schorsing voorlopige hechtenis
De rechtbank is van oordeel dat het maatschappelijk belang bij voortduring van de voorlopige hechtenis van de verdachte prevaleert boven zijn persoonlijk belang bij de schorsing daarvan en zal daarom het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis afwijzen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de gevorderde schadevergoeding voor de reiskosten (€ 13,98), de kosten voor de aanschaf van krukken (€ 25,-) en de helft van de gevorderde kosten voor huishoudelijke hulp (€ 352,-) evenals een deel van de gevorderde immateriële schade (€ 4.000,-) toewijsbaar zijn.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging stelt zich op het standpunt dat [slachtoffer 1] de gevorderde schade niet heeft onderbouwd, zodat de vordering moet worden afgewezen.
Beoordeling.
De rechtbank oordeelt over de gevorderde posten als volgt.
Toewijsbaar:
  • de reiskosten ad € 13,98, slaapmedicatie ad € 18,26 en aanschafkosten voor krukken ad € 25,-. Deze schadeposten zijn niet betwist en als rechtstreekse gevolg van het bewezenverklaarde toewijsbaar.
  • de kosten voor huishoudelijke hulp ad € 704,-. Dat verdachte hulp nodig heeft gehad bij huishoudelijke werkzaamheden is voldoende onderbouwd. Ook de hoogte is voldoende onderbouwd onder verwijzing naar de letselschaderichtlijn.
  • de gevorderde immateriële kosten tot een bedrag van € 4.000,-. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat [slachtoffer 1] ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde, in het bijzonder dat zijn levensgenot gedurende een zekere periode is gederfd. Voor het toekennen van een hoger bedrag is geen plaats, nu nog niet kan worden vastgesteld dat de billijkheid dit eist. De mate van psychologisch letsel die [slachtoffer 1] aan het bewezenverklaarde heeft overgehouden, staat nog niet vast.
Toewijsbaar is dus € 761,24 - aan materiële schadevergoeding en € 4.000,- aan immateriële schadevergoeding. De vordering tot toewijzing van de wettelijke rente over het gevorderde is niet weersproken en zal worden toegewezen.
Niet toewijsbaar:
  • de kosten voor zelfwerkzaamheid in de privésfeer ad € 176,65 in verband met reparatiewerkzaamheden aan de woning, schilderwerkzaamheden en tuinonderhoud. [slachtoffer 1] heeft niet toegelicht of deze werkzaamheden zijn verricht, en zo ja, waarom die werkzaamheden niet konden worden uitgesteld tot nadat hij weer mobiel inzetbaar was.
  • kosten voor een psychologische behandeling ad € 1.446,65. Uit de toelichting op de vordering blijkt dat het nog niet duidelijk is of die behandeling gevolgd moet worden.
  • kosten voor het eigen risico ad € 385,-. De rechtbank kan niet vaststellen of deze kosten het rechtstreekse gevolg zijn van het bewezenverklaarde feit. Een toelichting ontbreekt of die kosten al eerder door de verzekeraar in rekening zijn gebracht.
  • kosten voor het inhuren van vervangende diensten ad € 18.000,-. [slachtoffer 1] heeft toegelicht dat die kosten zijn gemaakt om het mislopen van omzet te voorkomen. De rechtbank overweegt dat gemiste omzet en de kosten ter voorkoming daarvan niet noodzakelijkerwijs schade zijn in de zin van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek. Om dit vast te kunnen stellen zal [slachtoffer 1] moeten toelichten welke betalingen hij als tegenprestatie heeft en zou hebben ontvangen. Bij gebrek aan een deugdelijke onderbouwing van deze schade komt de rechtbank geen schattingsbevoegdheid toe.
Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de niet-toewijsbare posten zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van (dit deel van) de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. [slachtoffer 1] zal niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van zijn vordering. Hij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Ten aanzien van de vordering en de maatregel
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de gevorderde schadevergoeding voor het nike-jack toewijsbaar is tot een bedrag van € 45,- en dat de gevorderde immateriële schadevergoeding toewijsbaar is tot een bedrag van € 1.000,-.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging stelt zich op het standpunt dat [slachtoffer 2] de gevorderde schade niet heeft onderbouwd, zodat de vordering moet worden afgewezen.
Beoordeling.
De rechtbank oordeelt over de gevorderde posten als volgt.
Toewijsbaar:
- Van [slachtoffer 2] kan geen nadere onderbouwing worden verlangd voor wat betreft de gestelde schade aan zijn nike-jack. Nu uit de bewijsmiddelen volgt dat deze schade door verdachte is veroorzaakt, zal de rechtbank deze schade schattenderwijs begroten op € 45,-.
- De rechtbank acht aannemelijk dat [slachtoffer 2] in zijn persoon is aangetast op andere wijze gelet op de bewezenverklaarde bedreiging en poging zware mishandeling. De rechtbank begroot de schade naar billijkheid op een bedrag van 500 euro.
Toewijsbaar is dus € 45,- aan materiële schadevergoeding en € 500,- aan immateriële schadevergoeding. De vordering tot toewijzing van de wettelijke rente over het gevorderde is niet weersproken en zal worden toegewezen.
Het meer gevorderde acht de rechtbank niet toewijsbaar omdat hiervoor de onderbouwing ontbreekt.
Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de niet-toewijsbare posten zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van (dit deel van) de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. [slachtoffer 2] zal niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van zijn vordering. Hij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Ten aanzien van de vordering en de maatregel
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 285, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
ten aanzien van feit 1 primair:

poging tot doodslag;

ten aanzien van feit 2 primair:

poging tot zware mishandeling;

ten aanzien van feit 3:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

en

bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op de volgende straf en maatregelen:
t.a.v. feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
18 maanden met aftrekovereenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht
waarvan 6 maanden voorwaardelijken een proeftijd van 2 jaren;
voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarde:
veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met de slachtoffers in onderhavige zaak, te weten: [slachtoffer 1] , geboren op [1991] , en [slachtoffer 2] , geboren op [1993] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 4.761,24 euro, bestaande uit 761,24 euro materiële schade en 4.000,00 euro immateriële schade;
de vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van 4.761,24 euro;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 47 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
voormeld bedrag bestaat uit 761,24 euro materiële schade en 4.000,00 euro immateriële schade;
de vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 04 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van 545,00 euro bestaande uit 45,00 euro materiële schade en 500,00 euro immateriële schade;
de vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] , van een bedrag van 545,00 euro;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
voormeld bedrag bestaat uit 45,00 euro materiële schade en 500,00 euro immateriële schade;
de vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.F.N. van Schaijk, voorzitter,
mr. S.J.W. Hermans en mr. R. Grimbergen, leden,
in tegenwoordigheid van mr. A.J.H.L. Coppens, griffier,
en is uitgesproken op 16 januari 2026.