Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
De tenlastelegging.
hij op of omstreeks 26 december 2025 te Helmond opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een explosief tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten een woning, gelegen aan [adres 2] te duchten was;
hij op of omstreeks 12 januari 2026 te Eindhoven opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 18 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
De formele voorvragen.
De beoordeling van de tenlastegelegde feiten.
De bewezenverklaring.
op 26 december 2025 te Helmond opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een explosief tot ontploffing te brengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor een goed, te weten een woning gelegen aan [adres 2] , te duchten was;
op 12 januari 2026 te Eindhoven opzettelijk opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 18 gram van een materiaal bevattende cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
De strafbaarheid van verdachte.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .
Toepasselijke wetsartikelen.
DE UITSPRAAK
opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
gevangenisstrafvoor de duur
van achttien maanden.
maatregel van schadevergoeding aan [slachtoffer 1] [feit 1]
verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [slachtoffer 1] van een bedrag
van € 19.469,86en bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 122 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
maatregel van schadevergoeding aan [slachtoffer 2] [feit 1]
verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [slachtoffer 2] van een bedrag
van € 5.000,--en bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 50 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] van een bedrag van
€ 907,50en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van
€ 5.000,--bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.