ECLI:NL:RBOBR:2026:263

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
WR 25/038
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters in vastgoedzaak

Op 15 januari 2026 heeft de meervoudige wrakingskamer van de Rechtbank Oost-Brabant een verzoek tot wraking afgewezen. Het verzoeker, die betrokken was in een vastgoedzaak, had de rechters gewraakt tijdens een zitting op 25 november 2025. Verzoeker stelde dat hij door problemen met zijn gebitsprothese niet in staat was zich te verdedigen, en vroeg om uitstel van de zitting. Dit verzoek werd door de rechters afgewezen, wat leidde tot het wrakingsverzoek. De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek niet ontvankelijk was omdat het niet was ingediend door een advocaat. Na herstel van deze omissie werd het verzoek ontvankelijk verklaard. De wrakingskamer beoordeelde vervolgens de inhoud van het verzoek en concludeerde dat er geen feiten of omstandigheden waren die de onpartijdigheid van de rechters in twijfel trokken. Het verzoek werd als kennelijk ongegrond afgewezen, omdat wraking niet bedoeld is als rechtsmiddel tegen procesbeslissingen van rechters. De beslissing werd openbaar uitgesproken en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK Oost-Brabant

Wrakingskamer
zaaknummer: WR 25/038

Beslissing van 15 januari 2026

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) van

[verzoeker] ,

hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van

mr. O.Y. Ifzaren, mr. A. de Boer, mr. A.A.M. Janssen,

hierna te noemen: de rechters.

De procedure

1.1
In de zaak met procedurenummer C/01/401479/HA ZA 24-119 is verzoeker eiser in conventie en verweerder in reconventie. In die zaak gaat het om een voorgenomen vastgoedtransactie in Valkenswaard.
1.2
De mondelinge behandeling (zitting) van die zaak was op 25 november 2025. Tijdens deze zitting heeft verzoeker de rechters gewraakt.
1.3
Met een brief van 10 december 2025 heeft de wrakingskamer verzoeker laten weten dat zijn wrakingsverzoek niet voldoet aan de voorwaarden om het in behandeling te nemen, omdat het niet is ondertekend door een advocaat. De wrakingskamer heeft verzoeker in de gelegenheid gesteld om het proces-verbaal, waarin het wrakingsverzoek ter zitting is vermeld, alsnog te laten ondertekenen door een advocaat.
1.4
Op 18 december 2025 heeft verzoeker het proces-verbaal, ondertekend door zijn advocaat, teruggestuurd.

Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechters daarop

2.1
Uit het proces-verbaal van de zitting van 25 november 2025 blijkt het volgende. Verzoeker heeft gevraagd om de zitting uit te stellen; hij had problemen met zijn gebitsprothese (loszittende en/of afgebroken tanden), hij stelde dat hij hierdoor bijna niet kon praten en hij zich zo niet kon verdedigen. Dit verzoek is door de rechters afgewezen. Hiermee was verzoeker het niet eens en hij heeft vervolgens de rechters gewraakt.
2.2
Op 11 december 2025 hebben de rechters gereageerd op het wrakingsverzoek. Zij hebben aangegeven niet te berusten in het wrakingsverzoek. De rechters hebben daarbij het volgende vermeld. Verzoeker heeft tijdens de zitting zijn verzoek om aanhouding herhaald. De rechters hebben aangegeven bij de eerdere afwijzing te blijven. Hierop kreeg verzoeker last van zijn gebit. De rechtbank heeft de mondelinge behandeling onderbroken om verzoeker de gelegenheid te geven de problemen met zijn gebit te verhelpen. Toen verzoeker terugkwam, liet hij de rechters zien dat zijn kunstgebit kapot was. Hij heeft vervolgens gevraagd de mondelinge behandeling aan te houden. Dit verzoek is afgewezen, omdat de rechters geen medische noodzaak zagen om de behandeling aan te houden. Ook was verzoeker perfect verstaanbaar, zodat de rechters geen aanleiding zagen het verzoek in te willigen.

De beoordeling

De ontvankelijkheid van het verzoek
3.1
In artikel 2, tweede lid, van het wrakingsprotocol van deze rechtbank is bepaald dat in zaken waarin de partij zich verplicht moet laten vertegenwoordigen, zoals in de zaak waarin verzoeker partij is, het wrakingsverzoek op straffe van niet-ontvankelijkheid moet worden ingediend door een advocaat.
3.2
Verzoeker werd tijdens de zitting niet vertegenwoordigd door een advocaat, zodat zijn wrakingsverzoek niet is ingediend door een advocaat. Daarom heeft de wrakingskamer verzoeker in de gelegenheid gesteld deze omissie te herstellen. Met het toesturen van het proces-verbaal, ondertekend door zijn advocaat, voldoet verzoeker alsnog aan de voorwaarde van verplichte vertegenwoordiging. Verzoeker is daarom ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek.
Het wrakingsverzoek
4.1
In artikel 36 Rv is geregeld dat elke rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op verzoek van een partij. De grond voor zo’n verzoek is dat er feiten of omstandigheden zijn waardoor de onpartijdigheid van de rechter schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van zo’n verzoek is belangrijk dat wordt vermoed dat een rechter door zijn aanstelling als rechter onpartijdig is. Alleen als er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden geldt dit vermoeden niet. Deze uitzonderlijke omstandigheden moeten dan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter tegenover een procespartij vooringenomen is. Het kan ook zijn dat een procespartij vrees daarvoor heeft. Die vrees moet wel objectief gerechtvaardigd zijn. Tot slot is ook de schijn van partijdigheid en het vermijden daarvan, belangrijk bij de beoordeling van het wrakingsverzoek.
4.2
Bij de behandeling van een wrakingsverzoek maakt de wrakingskamer onder andere gebruik van het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: het wrakingsprotocol). Hierin zijn de regels voor het indienen en de behandeling van een wrakingsverzoek vastgelegd. In het wrakingsprotocol is onder andere geregeld dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek meteen zonder zitting (dat is de mondelinge behandeling van een zaak) ongegrond kan verklaren. Dit is mogelijk als het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is. Dit is geregeld in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van het wrakingsprotocol. De wrakingskamer is van oordeel dat deze situatie zich hier voordoet. De wrakingskamer zal hierna toelichten hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
4.3
Een wrakingsgrond moet liggen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op de (persoon van de) rechters die worden gewraakt. Hier wraakt verzoeker, omdat de rechters hebben beslist dat de mondelinge behandeling niet wordt aangehouden. Wraking is niet bedoeld als rechtsmiddel tegen een (proces)beslissing van de rechters die de zaak behandelen. De wrakingskamer kan niet oordelen over de juistheid van de procesbeslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die, in geval van de aanwending van een rechtsmiddel, belast is met de behandeling van de zaak. Een (proces)beslissing kan alleen leiden tot toewijzing van een wrakingsverzoek als die beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebruikte bewoordingen – niet anders kan worden begrepen dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (vgl. Hoge Raad 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413, rechtsoverwegingen. 3.3 en 3.4).
4.4
Van zulke omstandigheden is de wrakingskamer niet gebleken. In wat verzoeker heeft aangevoerd, het proces-verbaal en de reactie van de rechters ziet de wrakingkamer geen aanleiding voor het oordeel dat de rechters vooringenomen zijn of dat sprake is van de schijn van partijdigheid. Bij het wrakingsverzoek zijn ook verder geen concrete feiten of omstandigheden gesteld waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden.
4.5
Gelet op voorgaande overwegingen is de wrakingskamer van oordeel dat er geen grond is voor wraking. Het wrakingsverzoek is daarom kennelijk ongegrond en zal worden afgewezen.
4.6
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het voorgaande niet toegekomen.

De beslissing

De wrakingskamer:
- wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. F. Kooijman, voorzitter, mr. C.T.C. Wijsman en
mr. M. de Vries, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier, en in openbaar uitgesproken op 15 januari 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 39, vijfde lid, Rv).