ECLI:NL:RBOBR:2026:264

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
WR 25/039
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek wegens gebrek aan concrete feiten en omstandigheden

Op 16 januari 2026 heeft de meervoudige wrakingskamer van de Rechtbank Oost-Brabant een verzoek tot wraking afgewezen. Het verzoeker, die betrokken was in een procedure met zaaknummer 25/1160, stelde dat de rechter, mr. J. Lie, partijdig was omdat deze eerder zaken van verzoeker had behandeld. Verzoeker vond dat de rechter verkeerde jurisprudentie had toegepast in die eerdere zaken, wat volgens hem een aanwijzing was voor partijdigheid. Tijdens de mondelinge behandeling op 18 december 2025 heeft verzoeker zijn wrakingsverzoek ingediend. De rechter heeft in haar reactie aangegeven dat zij niet begrijpt waarom verzoeker denkt dat er sprake is van partijdigheid en dat verzoeker regelmatig wrakingsverzoeken indient, wat de procesgang frustreert.

De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het vermoeden van onpartijdigheid van een rechter geldt, tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn die dit vermoeden weerleggen. De wrakingskamer oordeelde dat verzoeker onvoldoende concrete feiten of omstandigheden had aangedragen die zouden wijzen op partijdigheid. Het enkele feit dat de rechter ook andere zaken van verzoeker had behandeld, was niet voldoende om aan te nemen dat er sprake was van partijdigheid. Daarom werd het verzoek als kennelijk ongegrond verklaard en niet inhoudelijk behandeld.

Daarnaast heeft de rechter verzocht om een wrakingsverbod op te leggen aan verzoeker, omdat deze bekend staat om het indienen van meerdere wrakingsverzoeken. De wrakingskamer heeft dit verzoek afgewezen, omdat er onvoldoende bewijs was dat verzoeker misbruik maakte van het wrakingsmiddel. De rechtbank heeft uiteindelijk het verzoek tot wraking afgewezen, en tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK Oost-Brabant

Wrakingskamer
zaaknummer: WR 25/039

Beslissing van 16 januari 2026

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van

[verzoeker] ,

hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van

mr. J. Lie,

rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

De procedure

1.1
Verzoeker is opposant in de zaak met zaaknummer 25/1160. In die zaak gaat het over het verzet van verzoeker tegen de uitspraak van de rechtbank van 25 september 2025. In die uitspraak heeft de rechtbank het beroep van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard.
1.2
De mondelinge behandeling van die zaak (zitting) was op 18 december 2025. Tijdens deze zitting heeft verzoeker de rechter gewraakt. Van deze zitting zijn zittingsaantekeningen opgemaakt.

Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechter daarop

2.1
Uit de zittingsaantekeningen maakt de wrakingskamer op dat verzoeker het volgende ten grondslag legt aan zijn verzoek. De rechter heeft ook de zaken met nummers 10/3074, 10/3194 en 11/369 van verzoeker behandeld. Die zaken gingen over hetzelfde onderwerp als de zaak met zaaknummer 25/1160. Volgens verzoeker is in die zaken de verkeerde jurisprudentie gebruikt. Daarvoor is de rechter aansprakelijk en zij is een betrokkene in die zaken, aldus verzoeker. Dat de rechter nu ook zijn huidige zaak behandelt, is volgens verzoeker geen toeval.
2.2
In haar reactie van 8 januari 2026 schrijft de rechter dat zij niet berust in het wrakingsverzoek. Het is de rechter ter zitting niet duidelijk geworden waarom verzoeker vindt dat sprake is van partijdigheid. Daarnaast geeft de rechter aan dat verzoeker rechters van deze rechtbank met grote regelmaat wraakt tijdens verschillende procedures. Dit belemmert en frustreert de procesgang steeds opnieuw en kost alle betrokkenen veel tijd. De rechter vraagt dan ook in deze zaak een wrakingsverbod op te leggen aan verzoeker.

De beoordeling

Het wrakingsverzoek
3.1
In artikel 8:15 van de Awb is geregeld dat elke rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op verzoek van een partij. De grond voor zo’n verzoek is dat er feiten of omstandigheden zijn waardoor de onpartijdigheid van de rechter schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van zo’n verzoek is belangrijk dat wordt vermoed dat een rechter door zijn aanstelling als rechter onpartijdig is. Alleen als sprake is van uitzonderlijke omstandigheden geldt dit vermoeden niet. Deze uitzonderlijke omstandigheden moeten dan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter tegenover een procespartij vooringenomen is. Het kan ook zijn dat een procespartij vrees daarvoor heeft. Die vrees moet wel objectief gerechtvaardigd zijn. Tot slot is ook de schijn van partijdigheid en het vermijden daarvan, belangrijk bij de beoordeling van het wrakingsverzoek.
3.2
Bij de behandeling van een wrakingsverzoek maakt de wrakingskamer onder andere gebruik van het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: het wrakingsprotocol). Hierin zijn de regels voor het indienen en de behandeling van een wrakingsverzoek vastgelegd. In het wrakingsprotocol is onder andere geregeld dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek meteen zonder zitting (dat is de mondelinge behandeling van een zaak) ongegrond kan verklaren. Dit is mogelijk als het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is. Dit is geregeld in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van het wrakingsprotocol. De wrakingskamer oordeelt dat die situatie zich hier voordoet en overweegt daarbij het volgende.
3.3
Verzoeker heeft in zijn verzoek onvoldoende concrete feiten of omstandigheden genoemd. Volgens de wet moet een wrakingsverzoek worden ingediend zodra de feiten of omstandigheden die aanleiding geven voor zo’n verzoek bekend zijn. In het wrakingsverzoek moeten ook al deze feiten of omstandigheden tegelijk worden genoemd. Het wrakingsverzoek van verzoeker voldoet niet aan deze voorwaarden. De enkele mededeling van verzoeker dat de rechter ook de zaken met nummers 10/3074, 10/3194 en 11/369 van hem heeft behandeld over hetzelfde onderwerp (met een in zijn ogen onjuiste uitkomst), en of dit al dan niet toeval kan zijn, zegt niets over (de schijn van) partijdigheid van de rechter in de zaak waarin verzoeker de rechter heeft gewraakt. Verzoeker heeft dat ook niet nader toegelicht. Daarom is het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond. Dit houdt in dat het verzoek niet inhoudelijk wordt behandeld. Het wrakingsverzoek zal ook niet op zitting (dat is de mondelinge behandeling van een zaak) worden behandeld. Het recht op een zitting is namelijk bedoeld voor een gesprek over de inhoud van het verzoek, maar daar komt de wrakingskamer dus niet aan toe.
Het verzoek tot opleggen van een wrakingsverbod
4.1
De rechter heeft verzocht om het opleggen van een wrakingsverbod, en hiertoe aangevoerd dat verzoeker erom bekend staat in meerdere procedures meerdere wrakingsverzoeken in te dienen. Deze verzoeken frustreren telkens de procesgang en kosten veel tijd, aldus de rechter. De wrakingskamer wijst dit verzoek af en licht dat toe als volgt.
4.2
Wanneer iemand meerdere wrakingsverzoeken indient en het middel van wraking voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is gegeven of met geen ander doel dan de voortgang van de procedure te frustreren, kan de wrakingskamer oordelen dat sprake is van misbruik. De wrakingskamer kan dan oordelen dat een volgend verzoek tot wraking niet meer in behandeling wordt genomen. De wrakingskamer ziet nu echter onvoldoende aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat verzoeker misbruik maakt van het middel van wraking. De enkele omstandigheid dat verzoeker in andere procedures ook wrakingsverzoeken heeft ingediend is onvoldoende om aan te nemen dat er in dit geval sprake is van misbruik.

De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. F. Kooijman, voorzitter, mr. M.F.M.T. Franke en mr. N. Flikkenschild, leden, in tegenwoordigheid van, mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier, en in openbaar uitgesproken op 16 januari 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 8:18, vijfde lid, Awb).