Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2669

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
12063316 TD VERZ 26-49 + 12063328 TD VERZ 26-50
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing bewind toegewezen, mentorschap gehandhaafd wegens noodzakelijkheid

De kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant behandelde op 17 april 2026 het verzoek tot opheffing van bewind en mentorschap ten behoeve van betrokkene. Verzoeker, de broer en tevens bewindvoerder en mentor, stelde dat het bewind en mentorschap overbodig zijn omdat hij de zorg en begeleiding ongewijzigd voortzet en betrokkene stabiel is.

Tijdens de mondelinge behandeling waren verzoeker, betrokkene en diens ouders aanwezig. De ouders onderschreven het verzoek en gaven aan dat betrokkene inmiddels bekwaam is om voor zichzelf op te komen. De kantonrechter concludeerde dat het bewind over de goederen niet langer noodzakelijk is, mede omdat er geen problemen of tekortkomingen waren tijdens het langdurige bewind en het bewind een administratieve last vormt.

Het mentorschap werd echter gehandhaafd omdat betrokkene niet in staat is zijn niet-vermogensrechtelijke belangen zelfstandig te behartigen. Het mentorschap is essentieel voor de organisatie van zorg en als aanspreekpunt voor zorgverleners. Opheffing zou onduidelijkheid veroorzaken en is niet in het belang van betrokkene.

De beschikking bepaalt dat het bewind wordt opgeheven met ingang van twee weken na de uitspraak, terwijl het verzoek tot opheffing van het mentorschap wordt afgewezen. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: Het bewind wordt opgeheven, het mentorschap blijft gehandhaafd wegens blijvende noodzaak.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Eindhoven
zaaknummer : 12063316 TD VERZ 26-49 + 12063328 TD VERZ 26-50
dossiernummer : BM 17001 + MB 10998
datum : 17 april 2026
[initialen griffier]

beschikking op een verzoek tot opheffing van bewind en mentorschap

op verzoek van:
[naam] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: verzoeker,
en

[naam] ,

geboren te [woonplaats] op [datum] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: betrokkene.

procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
- het verzoek (met bijlage), ontvangen op 21 januari 2026.
Het verzoek is mondeling behandeld op 2 april 2026. Hierbij zijn verschenen: verzoeker, betrokkene en beide ouders van betrokkene.

beoordeling

Verzoeker vraagt om opheffing van het bewind en mentorschap ten behoeve van betrokkene.
Verzoeker stelt dat het overbodig is om het bewind en mentorschap in stand te houden omdat hij een nauwe band met zijn broer (betrokkene) heeft en hij zal de werkzaamheden die hij verricht als bewindvoerder en mentor blijven doen. Verzoeker geeft aan dat dit de wens is van betrokkene en van zichzelf. Verzoeker geeft daarnaast aan dat er geen sprake van een afbouwtraject hoeft te zijn omdat zij op dezelfde manier doorgaan met elkaar. Er zijn geen problemen, de begeleiding wordt doorgezet. De boekhouder doet de belastingzaken en verzoeker begeleidt hierin. Er zal een machtiging worden opgesteld voor bankzaken.
Op zitting benadrukt verzoeker nogmaals dat het bewind en mentorschap overbodig zijn. Verzoeker zegt dat er sprake is van een stabiele situatie en hij zal zijn broer steunen zolang hij leeft. Verzoeker stelt dat er geen problemen zijn en dat hierover uitvoerig is nagedacht. Ook beide ouders stemmen op zitting in met het verzoek. Vader voegt hier nog aan toe dat betrokkene inmiddels bekwaam genoeg is om voor zichzelf op te komen. Beide broers doen alles samen en staan altijd voor elkaar klaar.
De kantonrechter overweegt als volgt.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is aannemelijk geworden dat het bewind over de goederen van betrokkene in de gegeven situatie niet langer noodzakelijk is. Verzoeker behartigt thans de vermogensrechtelijke belangen van betrokkene als bewindvoerder, maar de kantonrechter vertrouwt er op dat verzoeker daarin ook adequaat voorziet als de maatregel van bewind daaraan niet langer ten grondslag ligt; in het al langdurig lopende bewind is geen sprake geweest van problemen, noch van tekortkomingen uit oogpunt van het door de rechtbank uitgeoefende toezicht. Het bewind vormt voor verzoeker en betrokkene dan ook louter een administratieve last. Het verzoek om opheffing van het bewind zal worden toegewezen.
Ten aanzien van het verzoek om opheffing van het mentorschap oordeelt de kantonrechter anders. Het mentorschap is ingesteld omdat betrokkene niet steeds in staat is zijn niet-vermogensrechtelijke belangen te behartigen. In de toestand van betrokkene zijn geen wezenlijke veranderingen opgetreden die zouden maken dat het mentorschap niet langer noodzakelijk is. Verzoeker heeft in de hoedanigheid van mentor de taak om onder meer de zorg voor betrokkene te organiseren en is in die hoedanigheid voor zorgverleners ook een duidelijk aanspreekpunt. Bij opheffing van het mentorschap zou daarin onduidelijkheid (kunnen) ontstaan en is verzoeker bovendien niet zonder meer ook bevoegd om de zorg van betrokkene te organiseren. Beide aspecten zijn niet in het belang van betrokkene en dat maakt dat de kantonrechter het verzoek om opheffing van het mentorschap zal afwijzen.

beslissing

De kantonrechter:
- heft het bewind over de goederen van
[naam]op met ingang van twee weken na de datum van deze beschikking;
- wijst het verzoek tot opheffing van het mentorschap af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.T.C. Wijsman, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.