Verdachte werd beschuldigd van het gedurende enkele maanden handelen in verschillende soorten harddrugs, waaronder amfetamine, 2C-B, cocaïne, LSD, MDMA, en het bezit van aanzienlijke hoeveelheden softdrugs en ketamine in zijn woning. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte de drugs verhandelde en in voorraad had, mede op basis van uitgelezen telefoons, chatberichten, en de vondst van drugs op diverse plekken in zijn woning.
Verdachte voerde aan dat een onbekende derde verantwoordelijk was voor de drugs in zijn woning, maar de rechtbank verwierp dit verweer wegens gebrek aan bewijs en ongeloofwaardigheid. De rechtbank constateerde tevens dat verdachte niet eerder voor een opiumdelict was veroordeeld en hield rekening met een reclasseringsadvies dat mogelijkheden tot begeleiding bood.
De redelijke termijn van twee jaar voor de behandeling van de zaak was met elf maanden overschreden, wat de rechtbank compenseerde door de straf te matigen. De opgelegde straf bestond uit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 50 dagen (gelijk aan het voorarrest), een voorwaardelijke gevangenisstraf van 100 dagen met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 240 uur. Daarnaast werden bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke straf verbonden, waaronder reclasseringstoezicht en gedragsinterventies.
De rechtbank verklaarde de inbeslaggenomen geldbedragen verbeurd, omdat deze uit de drugshandel afkomstig waren. De eis van de officier van justitie werd deels afgewezen vanwege de strafvermindering en de wijze van tenlastelegging. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant op 28 april 2026.