ECLI:NL:RBOBR:2026:2727

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
11649761 \ CV EXPL 25-2724
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 lid 1 Brussel I bis Verordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdverklaring Nederlandse rechter wegens niet-geldige forumkeuze in algemene voorwaarden

In deze civiele procedure tussen Agrion B.V. en twee buitenlandse vennootschappen stond de vraag centraal of de Nederlandse rechter bevoegd was om kennis te nemen van het geschil. Agrion stelde dat partijen meerdere overeenkomsten hadden gesloten waarop dezelfde algemene voorwaarden met een forumkeuzebeding van toepassing waren, en dat de vordering betrekking had op een overeenkomst die eind 2022 was gesloten.

De gedaagden betwistten de geldigheid van de forumkeuze en stelden dat de vordering betrekking had op een in 2017 gesloten overeenkomst, waarbij geen sprake was van een gebruikelijke handelsrelatie. De kantonrechter oordeelde dat Agrion onvoldoende had onderbouwd op welke overeenkomst de vordering was gebaseerd en dat de stellingen inconsistent waren. Tevens was niet voldaan aan de voorwaarden van de Höszig-uitspraak van het HvJ EU.

Daarom sprak de kantonrechter zich uit dat zij onbevoegd was om kennis te nemen van het geschil. Agrion werd veroordeeld in de proceskosten van zowel het incident als de hoofdzaak, omdat zij nodeloos kosten had veroorzaakt door de zaak bij de verkeerde rechter aanhangig te maken. Het vonnis werd uitgesproken op 16 april 2026 door mr. M.A. Vieira.

Uitkomst: De kantonrechter verklaart zich onbevoegd omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor een geldige forumkeuze en veroordeelt Agrion in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer: 11649761 \ CV EXPL 25-2724
Vonnis van 16 april 2026
in de zaak van
AGRION B.V.,
te Mariahout,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident en in reconventie,
hierna te noemen: Agrion,
gemachtigde: mr. M.C. Franken-Schoemaker,
tegen

1.de vennootschap naar buitenlands recht [gedaagde 1] ,2. [gedaagde 2] ,

beiden te [plaats] ( [land] ),
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident en in reconventie,
hierna (samen) te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,
gemachtigde: mr. Th.J.H.M. Linssen.

1.De verdere procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 4 september 2025 en de daarin genoemde stukken;
- de akte van Agrion met productie 7;
- de antwoordakte van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

in het incident
2.1.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter het voornemen uitgesproken haar onbevoegdheid uit te spreken omdat niet is voldaan aan de eisen van artikel 25 lid 1 Brussel Pro I bis en een andere grond voor bevoegdheid ontbreekt. Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten.
2.2.
Agrion heeft – samengevat – gesteld dat wel is voldaan aan de eisen van artikel 25 lid 1 Brussel Pro I bis. Volgens Agrion hebben partijen vanaf 4 januari 2017 meerdere overeenkomsten met elkaar gesloten, waarop steeds dezelfde algemene voorwaarden (die van Agrion) van toepassing zijn verklaard met daarin een forumkeuzebeding. Onderhavige vordering heeft volgens Agrion betrekking op een overeenkomst die partijen aan het einde van hun handelsrelatie in 2022 zijn aangegaan.
2.3.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] handhaven hun standpunt dat geen sprake is van een geldig overeengekomen forumkeuze. Zij betwisten dat de vordering betrekking heeft op een overeenkomst die na 2017 tot stand is gekomen. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft de vordering betrekking op de in 2017 gesloten overeenkomst. Van een gebruikelijke handelsrelatie was op dat moment geen sprake.
2.4.
De kantonrechter ziet geen reden om terug te komen op de overwegingen in het tussenvonnis en het voornemen haar onbevoegdheid uit te spreken. Ook met de aanvullende toelichting van Agrion blijft onduidelijk op welke overeenkomst de vordering is gegrond en wanneer en hoe deze overeenkomst is gesloten. De stellingen van Agrion op dit punt zijn niet consistent. Anders dan in de dagvaarding beroept Agrion zich kennelijk niet (meer) op een in 2017 gesloten overeenkomst, maar op het bestaan van een overeenkomst die ‘eind 2022’ gesloten zou zijn. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben het bestaan van die laatste overeenkomst betwist. Nog daargelaten dat Agrion het bestaan van die laatste overeenkomst niet heeft onderbouwd en onduidelijk is hoe die overeenkomst dan tot stand zou zijn gekomen, is het bestaan van een eind 2022 gesloten overeenkomst niet te rijmen met Agrion’s eigen stellingen in de dagvaarding (zie specifiek randnummer 17). Daarin stelt Agrion dat de vordering verband houdt met het opschorten van een bedrag vanwege oneffenheden aan een vloer en dat die vloer in dat verband op 25 maart 2022 is gecontroleerd om te bezien of de vloer conform zou zijn. Op basis van de eigen stellingen van Agrion kan het dan ook niet juist zijn dat de overeenkomst die aan de vordering ten grondslag ligt eind 2022 is gesloten. Wat daar verder ook van zij, niet is komen vast te staan dat aan de voorwaarden van de Höszig uitspraak van het HvJ EU is voldaan. Onder verwijzing naar de overwegingen in het tussenvonnis, zal de kantonrechter haar onbevoegdheid uitspreken.
2.5.
Agrion zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. Deze kosten aan de kant van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in het incident worden begroot op € 288,00 aan salaris gemachtigde (1 punt x € 288,00). Agrion zal tevens worden veroordeeld in de nakosten op de wijze zoals in de beslissing vermeld.
in de hoofdzaak
2.6.
Met de onbevoegdverklaring komt een einde aan de procedure in de hoofdzaak. Het verweer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] behoeft daarom geen verdere bespreking. Ditzelfde geldt voor de tegenvordering, omdat die vordering voorwaardelijk is ingesteld.
2.7.
Agrion zal in de proceskosten van de hoofdzaak worden veroordeeld, nu zij nodeloos kosten heeft veroorzaakt door die hoofdzaak bij de verkeerde rechter aanhangig te maken. De kosten aan de kant van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de hoofdzaak worden begroot op € 360,00 aan salaris gemachtigde (1 punt x € 360,00). Agrion zal tevens worden veroordeeld in de nakosten op de wijze zoals in de beslissing vermeld.
3. De beslissing
De kantonrechter
in het incident en in de hoofdzaak
3.1.
verklaart zich onbevoegd van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen;
3.2.
veroordeelt Agrion in de kosten van het incident, aan de kant van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot op heden begroot op € 288,00;
3.3.
veroordeelt Agrion in de kosten in de hoofdzaak, aan de kant van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot op heden begroot op € 360,00;
3.4.
veroordeelt Agrion in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 144,00, te vermeerderen met de explootkosten van betekening in geval van betekening van het vonnis;
3.5.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Vieira en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.