Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2777

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
SHE 26/707
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 4.6 Invoeringswet OmgevingswetArt. 24.3.1 planregelsArt. 6.2.5 planregels
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang bij handhavingsgeschil

Verzoeker heeft een handhavingsverzoek ingediend tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eersel vanwege vermeende overtredingen zoals het kappen van bomen, bodemverontreiniging en het plaatsen van een schutting. Het college heeft het verzoek gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk afgewezen, waarna het primaire besluit is herroepen en het handhavingsverzoek geheel is afgewezen. Verzoeker stelde dat er sprake was van een spoedeisend belang en vroeg om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen sprake is van onverwijlde spoed die het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt. De aangevoerde feiten, zoals het kappen van een boom en het gebruik van zware machines, leiden niet tot onomkeerbare of acute schade. Ook de vermeende bodemverontreiniging is niet vastgesteld en het college heeft geen overtredingen kunnen constateren. Daarnaast is er geen verkeersonveilige situatie door de geplaatste schutting en is het financiële belang van verzoeker onvoldoende gemotiveerd om spoedeisendheid aan te nemen.

Het college heeft bovendien een bouwstop opgelegd en een omgevingsvergunningprocedure loopt, waarbij concrete zicht op legalisatie bestaat. De voorzieningenrechter benadrukt dat het oordeel voorlopig is en geen bindende werking heeft in een bodemprocedure. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

26/707RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/707 OWHAND

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eersel, het college

(gemachtigde: mr. P.M.H.M. Bakermans).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam]uit [woonplaats] (de derde-partij).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing door het college van het handhavingsverzoek van verzoeker. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat geen sprake is van een spoedeisend belang. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Verzoeker heeft bij brieven van 28 juli 2025 en 4 augustus 2025 zijn handhavingsverzoek gedaan. Het college heeft bij besluit van 9 september 2025 (het primaire besluit) het handhavingsverzoek gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk afgewezen. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de gedeeltelijke afwijzing. Met het bestreden besluit van 3 maart 2026 heeft het college het primaire besluit herroepen en het handhavingsverzoek van verzoeker afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Het beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer SHE 26/708. Het verzoek om een voorlopige voorziening is geregistreerd onder zaaknummer SHE 26/707.
2.1.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Vooraf
3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
 De derde-partij exploiteert een verhuurbedrijf van bouwkranen aan de [adres] in [vestigingsplaats] (de locatie). Verzoeker is eigenaar van het aangrenzende bedrijfsperceel.
 Ter plaatse van de locatie geldt het Omgevingsplan gemeente Eersel (het omgevingsplan). Op grond van artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet gold ten tijde van het bestreden besluit het bestemmingsplan “Kom Duizel” (het bestemmingsplan) als onderdeel van dat omgevingsplan. Op grond van het bestemmingsplan is aan de locatie de bestemming “Bedrijf - 2” en “Waarde – Archeologie 5.2” toegekend. De locatie bevat tevens een bouwvlak en de functieaanduiding ‘landschapswaarden’.
 Verzoeker heeft in zijn handhavingsverzoeken verzocht om handhavend op te treden tegen de volgende overtredingen die volgen hem hebben plaatsgevonden:
1. Verwijderen van het complete groen en houtopstand rond bedrijfswoning.
2. Doorbreken landschappelijke strook en kappen boom ten behoeve van doorgang naar achtergelegen perceel.
3. Niet voldoen aan regelgeving binnen het broedseizoen.
4. Beschadigen bomen en wortels van landschappelijke strook en bomen aan de openbare weg.
5. Afgraven en verstoren archeologische laag en roeren van mogelijk vervuilde grond.
6. Ophogen perceel
7. Aanleggen inrit.
8. Asfalteren gehele voorkant.
9. Plaatsen schutting rond de gehele voorzijde.
10. Inschrijven bedrijf op nummer 17 en bewoning van de bedrijfswoning.
 Toezichthouders van het college hebben op 22 juli 2025 een controle uitgevoerd op de locatie. Tijdens die controle is geconstateerd dat een bomenrij binnen de functieaanduiding ‘landschapswaarden’ is gesnoeid en één boom is verwijderd, er graaf- en egalisatiewerkzaamheden hebben plaatsgevonden, een puinlaag met daarop asfalt is aangebracht, een inrit is aangelegd van circa 6 meter breed en dat er een duiker is aangelegd in een gemeentelijke sloot en daar rondom beton is gestort.
 Bij besluit van 9 september 2025 heeft het college aan de derde-partij een bouwstop opgelegd. Daarmee dient de derde-partij de (bouw)werkzaamheden te staken en gestaakt te houden. Het college constateert namelijk dat de derde-partij zonder omgevingsvergunning een boom heeft verwijderd, graafwerkzaamheden hebben plaatsgevonden en verhardingen zijn aangebracht. De derde-partij wordt door het college in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken alsnog een omgevingsvergunning voor deze activiteiten aan te vragen. In het besluit staat dat indien er geen omgevingsvergunning kan worden verleend, een bestuurlijk handhavingstraject zal worden gestart.
 Met het primaire besluit van eveneens 9 september 2025 heeft het college besloten op het handhavingsverzoek van verzoeker. Daarin staat dat het college onder verwijzing naar de bouwstop van 9 september 2025 het handhavingsverzoek van verzoeker toewijst. Het college wijst het handhavingsverzoek af voor wat betreft het plaatsen van een schutting en de bewoning van de bedrijfswoning. Verder zendt het college het handhavingsverzoek van verzoeker met betrekking tot soortenbescherming en houtopstanden door naar het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant.
 Op 17 juli 2025 heeft de derde-partij een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfsverzamelgebouw op de locatie. Bij besluit van 14 oktober 2025 is de aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat de aanvraag niet voldeed aan de voorschriften die worden gesteld voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning. De derde-partij heeft naar aanleiding van de bouwstop evenmin een omgevingsvergunning aangevraagd voor de activiteiten waarop de bouwstop zag.
 Bij brief van 6 januari 2026 heeft het college aan de derde-partij laten weten voornemens te zijn handhavend op te treden door middel van het opleggen van een last onder dwangsom. In het voornemen staat dat de derde-partij zonder omgevingsvergunning een boom heeft verwijderd en beton heeft gestort rondom de duiker. In het voornemen staat verder dat met het voornemen het besluit van 9 september 2025 tot het opleggen van de bouwstop wordt ingetrokken.
 Met het bestreden besluit beslist het college opnieuw op het handhavingsverzoek van verzoeker. Het college wijst het verzoek af:
1. Het handhavingsverzoek heeft het college op dit onderdeel doorgezonden naar het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, omdat dat college bevoegd is.
2. De derde-partij heeft op 4 februari 2026 alsnog een omgevingsvergunning aangevraagd. Gelet op het acute veiligheidsrisico dat tot de kap heeft geleid en de gezondheidstoestand van de boom, namelijk dat deze voor 80% was afgestorven, gaat het college ervan uit dat de aanvraag tot een omgevingsvergunning zal leiden. Onder deze omstandigheden is er volgens het college sprake van concreet zicht op legalisatie.
3. Het handhavingsverzoek heeft het college op dit onderdeel doorgezonden naar het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, omdat dat college bevoegd is.
4. Het college heeft geen overtreding kunnen constateren.
5. Het college heeft geen overtreding kunnen constateren. Uit de bevindingen van de toezichthouders blijkt dat de uitgevoerde werkzaamheden een oppervlakte van circa 1.400 m2 beslaan. Daarmee wordt de in artikel 24.3.1 van de planregels opgenomen ondergrens van 2.500 m2 niet overschreden. Voor zover is aangevoerd dat mogelijk vervuilde grond is geroerd, blijkt uit de overgelegde stukken, zoals weegbonnen en productcertificaten over het toegepaste granulaat, dat niet is gebleken van een overtreding van milieuregelgeving.
6. Het college heeft geen overtreding kunnen constateren. Uit de bevindingen van de toezichthouders blijkt dat de uitgevoerde werkzaamheden een oppervlakte van circa 1.400 m2 beslaan. Daarmee wordt de in artikel 24.3.1 van de planregels opgenomen ondergrens van 2.500 m2 niet overschreden.
7. Op 11 augustus 2025 heeft de derde-partij een melding ingediend voor het aanleggen van een inrit. Deze melding is op 9 januari 2026 door de gemeente akkoord bevonden. Hierdoor is het aanleggen van de inrit gelegaliseerd en is er geen sprake (meer) van een overtreding.
8. Het college heeft geen overtreding kunnen constateren. Uit de bevindingen van de toezichthouders is gebleken dat de aangebrachte oppervlakteverharding niet is gerealiseerd ter plaatse van de aanduiding 'landschapswaarden'.
9. Het college heeft geen overtreding kunnen constateren. De schutting is geplaatst binnen de bestemming 'Bedrijf-2' en ingevolge artikel 6.2.5 van de planregels mogen erfafscheidingen worden gerealiseerd binnen deze bestemming tot 2 meter. Op 9 september 2025 hebben de toezichthouders een extra controle uitgevoerd op de schutting en zij hebben geconstateerd dat de erfafscheiding niet hoger is dan 2 meter.
10. Het college heeft geen overtreding kunnen constateren. De inschrijving van een bedrijf op het perceel vormt volgens het college geen strijdig gebruik en geen overtreding van het omgevingsplan. Een bedrijfswoning hoeft volgens het college niet fysiek aan een bedrijfsgebouw gekoppeld te zijn. Het moet wel functioneel en planologisch aan een bedrijf verbonden zijn. Deze verbondenheid is ontstaan bij de inschrijving van het bedrijf op het adres. De derde-partij is de eigenaar en de bedrijfsvoerder van het bedrijf. De bewoning van de bedrijfswoning door de derde-partij levert derhalve geen strijdig gebruik van het omgevingsplan op.
Ten aanzien van de duiker en het beton rondom de duiker heeft de derde-partij op 4 februari 2026 alsnog een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. Het college is van mening dat deze vergunning kan worden verleend. Onder deze omstandigheden is er volgens het college sprake van concreet zicht op legalisatie.
 Het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant heeft bij besluit van 7 januari 2026 het handhavingsverzoek van verzoeker op de punten 1. en 3. afgewezen.
 Op 25 oktober 2023 heeft het college bij principebesluit kenbaar gemaakt medewerking te willen verlenen aan het splitsen van het bouwvlak op de locatie en het toestaan van 850 m2 aan bedrijfsbebouwing op het afgesplitste deel van het bouwvlak, onder de voorwaarden dat:
a. er een boomeffectenanalyse wordt uitgevoerd voor de doorgang tussen de bestaande bomenrij;
b. er een akoestisch onderzoek wordt uitgevoerd zodat een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden en bestaande bedrijven niet belemmerd worden;
c. de strook NNB aan de achterzijde van het perceel landschappelijk wordt ingepast
d. er een bodemonderzoek wordt uitgevoerd.
Het principebesluit had een geldigheidsduur van één jaar. De geldigheid van het principebesluit is nadien verlengd tot 25 oktober 2025.
Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is slechts plaats indien twijfel bestaat aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit en een zwaarwegend spoedeisend belang maakt dat het voor verzoeker onevenredig bezwaarlijk zou zijn de beslissing op het beroep te moeten afwachten. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter eerst de vraag beantwoorden of er in het onderhavige geval sprake is van een spoedeisend belang dat vereist dat een voorlopige voorziening wordt getroffen. Indien een spoedeisend belang ontbreekt, komt een verzoek om een voorlopige voorziening niet voor inwilliging in aanmerking.
5. Verzoeker stelt een spoedeisend belang te hebben. Door het kappen van de boom is de landschappelijke strook ter hoogte van de functieaanduiding ‘landschapswaarden’ doorbroken en wordt er dagelijks met zeer zware machines en bouwkranen gebruik gemaakt van deze doorgang. Hierdoor word er de bodem dusdanig verdicht zodat door zuurstofgebrek de boomwortels verstikken en de bomen zullen afsterven, ook op het perceel van verzoeker. Verzoeker vreest verder gezondheidsrisico’s en verontreiniging van zijn perceel vanwege de nabij zijn perceel opgeslagen grond. De grond is namelijk verdacht op bodemverontreiniging, en de grond kan uitlogen tot op het perceel van verzoeker. Ook wordt het geasfalteerde deel van de locatie gebruikt als wasplaats waardoor er sprake is van bodemvervuiling. De afwatering van het geasfalteerde deel van de locatie loopt voor de helft op een gezamenlijke sloot en voor de andere helft op een gemeentelijke sloot. Door de geplaatste schutting is onderhoud aan de sloot niet meer uit te voeren en is er geen zicht meer op de weg. Dat is verkeersonveilig. Door de bewoning van de bedrijfswoning wordt verzoeker belemmerd in zijn bedrijfsvoering. Hierdoor loopt hij inkomsten mis, en is de waarde van zijn bedrijfspand gedaald.
6. In wat door verzoeker is aangevoerd, acht de voorzieningenrechter onvoldoende spoedeisend belang aanwezig. Het is de voorzieningenrechter namelijk niet gebleken dat sprake is van een acute noodsituatie of van onomkeerbare gevolgen die dreigen te ontstaan, die op dit moment het treffen van een voorlopige voorziening kunnen rechtvaardigen. Verzoeker wijst ten eerste op het doorbreken van de bomenrij en de voertuigbewegingen die sindsdien door de bomenrij plaatsvinden. De bomenrij is een landschapselement dat op grond van de planregels een zekere mate van bescherming geniet doordat aan de bomenrij de functieaanduiding ‘landschapswaarden’ is toegekend en er een omgevingsvergunningplicht geldt voor aanlegwerkzaamheden ter hoogte van de bomenrij. Er mag dus geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de bomenrij. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat vanwege de voertuigbewegingen de bomenrij onomkeerbaar verloren dreigt te gaan. Van een onevenredige aantasting van de bomenrij of concrete dreiging daarvan, is de voorzieningenrechter dan ook niet gebleken. In dit standpunt ziet de voorzieningenrechter dan ook geen spoedeisend belang.
7. Verzoeker wijst verder op mogelijk aanwezige bodemverontreiniging. Ter zitting is duidelijk geworden dat de opgeslagen grond afkomstig is van het eigen perceel van de derde-partij. Tijdens de controles door de toezichthouders is geen bodemverontreiniging vastgesteld. Wel acht het college de locatie vanwege de bedrijfsbestemming verdacht op bodemverontreiniging. Of de bodem daadwerkelijk verontreinigd is, is echter niet vastgesteld. Het is niet gebleken dat de derde-partij verontreinigde grond heeft toegepast of heeft afgevoerd. Er is daarom geen aanleiding te veronderstellen dat sprake is van dreigende bodemverontreiniging die maakt dat er spoedeisend belang bestaat bij het treffen van een voorziening. Het handhavingsverzoek van verzoeker ziet niet op het gebruik van de gronden als wasplaats met kans op bodemverontreiniging. Wat verzoeker daarover heeft aangevoerd, kan de voorzieningenrechter dus niet in deze procedure betrekken.
8. Verzoeker wijst verder op de geplaatste schutting en de gevolgen daarvan voor het onderhoud aan de sloot en het zicht op de weg. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat op korte termijn onderhoud aan de sloot noodzakelijk is, of dat het onderhoud niet vanaf de andere zijde van de sloot kan worden uitgevoerd. Op basis van beelden van Google Street View staat de schutting niet tot aan de Ganzestaartsedijk en uit door verzoeker overgelegde foto’s blijkt ook niet dat de schutting tot aan deze straat is opgericht. Van een verkeersonveilige situatie acht de voorzieningenrechter geen sprake, nu verzoeker op zijn uitrit na het passeren van de schutting nog voldoende opstelruimte heeft met duidelijk zicht in beide richtingen van de Ganzestaartsedijk. Ook in de gestelde verkeerssituatie ziet de voorzieningenrechter daarom geen spoedeisend belang.
9. Verzoeker wijst tot slot op de belemmeringen van zijn bedrijfsvoering vanwege de bewoning van de bedrijfswoning. In deze omstandigheid ziet de voorzieningenrechter evenmin reden om spoedeisend belang aan te nemen. Een gesteld financieel belang maakt immers nog niet dat sprake is van spoedeisend belang. Verzoeker heeft niet gemotiveerd waarom het gebruik zou leiden tot een actuele financiële noodsituatie of een bedreiging van de continuïteit van zijn onderneming zou worden bedreigd.
10. Gelet op het voorgaande is geen sprake van onverwijlde spoed die, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Het verzoek om een voorlopige voorziening dient daarom te worden afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kleijn Hesselink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J.A.B. Elsman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.