ECLI:NL:RBOBR:2026:286

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
01.260390.25
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Poging tot doodslag en mishandeling binnen een relatie met bedreiging van een buurman

Op 3 oktober 2025 vond er in Helmond een gewelddadig voorval plaats tussen verdachte en zijn toenmalige partner, aangeduid als [slachtoffer 1]. De verdachte heeft zijn partner mishandeld door haar te slaan, schoppen, bijten en haar pols te breken. Daarnaast heeft hij geprobeerd haar te doden door haar keel dicht te knijpen. De politie werd ingeschakeld na een melding van een buurman, die geschreeuw om hulp had gehoord. Toen de politie arriveerde, bedreigde de verdachte deze buurman met de dood. De rechtbank heeft de verdachte schuldig bevonden aan poging tot doodslag, mishandeling, vernieling van eigendommen van de partner en bedreiging van de buurman. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 40 maanden, waarvan 20 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, waaronder een proeftijd van 3 jaren. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de impact van het geweld op het slachtoffer en de eerdere veroordelingen van de verdachte voor geweldsdelicten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer vordering: 01.217606.24 Parketnummer: 01.260390. [verdachte]
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.260390.25
Parketnummer vordering: 01.217606.24
Datum uitspraak: 21 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1989] ,
wonende te [adres 1] ,
thans gedetineerd te: P.I. Grave.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 4 december 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
t.a.v. feit 1:
hij op of omstreeks 3 oktober 2025 te Helmond
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer 1]
van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
een of meermalen
- (met kracht) de keel en/of hals die [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen houden en/of
- (met kracht) kleding in/over het gezicht en/of hoofd die [slachtoffer 1] heeft geduwd en daarop is blijven drukken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

t.a.v. feit 2:
Hij op of omstreeks 3 oktober 2025 te Helmond
[slachtoffer 1] ,
heeft mishandeld, door
die [slachtoffer 1] op het hoofd en/of lichaam te slaan, te schoppen, te bijten en/of haar pols/arm om te draaien
terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;
t.a.v. feit 3:
hij op of omstreeks 3 oktober 2025 te Helmond
opzettelijk en wederrechtelijk
de voordeur en/of de badkamerdeur van de woning van aangeefster, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 1] , toebehoorde
heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
t.a.v. feit 4:
hij op of omstreeks 3 oktober 2025 te Helmond, althans in Nederland,
[slachtoffer 1] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen dat hij, verdachte,
- "die [slachtoffer 1] dood zou schieten",
- "speciale kogels heeft voor die [slachtoffer 1] ",
- "aangeefster haar familie haar in een dichte kist moet begraven" en/of
- "daarom is je zusje zo bang, want schiet jullie allemaal af",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

t.a.v. feit 5:
hij, op of omstreeks 4 oktober 2025 te Helmond
[slachtoffer 2] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "Kankerhomo met vieze kankermatje voor de voordeur en als ik je de volgende keer zie met je fiets bij het stoplicht dan rijd ik je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 01.217606.24 is aangebracht bij vordering van 20 november 2025. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 30 september 2024. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Inleiding.
Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij zijn (toenmalige) partner [slachtoffer 1] heeft geprobeerd te doden dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door haar te wurgen en/of te smoren. Deze beschuldiging is juridisch vertaald in een poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling (feit 1). Daarnaast wordt verdachte ervan beschuldigd dat hij diezelfde avond zijn partner heeft mishandeld (feit 2) en bedreigd (feit 4) en de voordeur en badkamerdeur van haar woning heeft vernield (feit 3). Vervolgens zou verdachte ook zijn buurman [slachtoffer 2] hebben bedreigd (feit 5).
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, waarbij feit 1 gekwalificeerd moet worden als poging tot doodslag.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor het onder feiten 1 en 4 ten laste gelegde. Voor wat betreft een bewezenverklaring van het onder feiten 2, 3 en 5 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
Feit 1
De rechtbank verwijst voor wat betreft de inhoud van de relevante bewijsmiddelen naar de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage.
Vaststaat dat verdachte op 3 oktober 2025 in de avond onenigheid heeft gehad met zijn toenmalige partner [slachtoffer 1] en dat dit heeft plaatsgevonden in hun woning aan de [adres 2] in Helmond.
De rechtbank constateert dat de verklaringen van aangeefster en verdachte over de gebeurtenissen van die avond uiteenlopen. Aangeefster heeft onder andere verklaard dat verdachte haar keel met kracht heeft dichtgeknepen, waardoor zij geen adem kon halen. Verdachte ontkent dit.
Naar het oordeel van de rechtbank is de verklaring van aangeefster over de gebeurtenissen op 3 oktober 2025 op zichzelf consistent. Ook wordt de verklaring op dragende en essentiële onderdelen ondersteund door andere bewijsmiddelen, zoals de forensisch-medische letselbeschrijving en letselrapportage van het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO (hierna: LOEF). Daaruit volgt dat onder ander sprake was van puntbloedingen in het oog, tientallen onderhuidse bloeduitstortingen en krasverwondingen in de hals. Volgens verdachte heeft aangeefster zichzelf willen wurgen en is het krasletsel ontstaan door haar eigen scherpe nagels. De rechtbank is van oordeel dat uit niets blijkt dat aangeefster haar verklaring heeft verzonnen of heeft willen aandikken. Het LOEF heeft het letsel gewogen onder twee hypothesen, namelijk de verklaring van aangeefster en die van verdachte. Uit de letselrapportage blijkt dat het iets waarschijnlijker is wanneer – kort gezegd – het letsel is ontstaan doordat verdachte met veel kracht de keel aangeefster heeft dichtgeknepen dan wanneer dit niet zo is. De rechtbank verwerpt dan ook het alternatieve scenario en zal de verklaring van aangeefster als uitgangspunt nemen voor wat er die avond is gebeurd.
Ter terechtzitting heeft verdachte overigens nog verklaard dat het letsel in de hals van aangeefster ook door een worsteling op de bank kan zijn ontstaan. Dat is een andere verklaring dan het eerder door verdachte aangedragen scenario waarin aangeefster het letsel zelf heeft toegebracht. Deze verklaring is ook tegenstrijdig aan die eerdere verklaring en vindt bovendien geen steun in de bewijsmiddelen.
Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte de keel en/of hals van aangeefster heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen heeft gehouden. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe dit handelen van verdachte juridisch moet worden gekwalificeerd.
Aan verdachte is impliciet primair ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag. Om tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag te komen, moet worden bewezen dat verdachte het opzet had, al dan niet in voorwaardelijke zin, op de dood van aangeefster. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte als doel had om aangeefster te doden. Van vol opzet is naar het oordeel van de rechtbank daarom geen sprake. Onder omstandigheden kan het dichtknijpen van de keel echter een aanmerkelijke kans in het leven roepen dat het slachtoffer als gevolg van dit geweld komt te overlijden. Indien uit het handelen van verdachte blijkt dat hij deze aanmerkelijke kans op de dood bewust heeft aanvaard, is sprake van voorwaardelijk opzet.
Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het dossier voldoende informatie bevat om de aanmerkelijke kans op de dood te kunnen vaststellen. De rechtbank wijst daarbij op de forensisch-medische letselbeschrijving en letselrapportage van het LOEF. De forensisch arts heeft binnen 24 uur na het geweld bij aangeefster onder andere puntbloedingen (petechiën) in het slijmvlies van het onderooglid van het rechteroog, diverse bloeduitstortingen op de wangen, kin en hals en drie krasverwondingen links in de hals geconstateerd. In een aanvullende letselrapportage is het letsel door twee andere forensisch artsen geïnterpreteerd. Daaruit volgt dat puntbloedingen onder meer kunnen ontstaan bij drukverhogende momenten of ten gevolge van stuwing in het gelaat. Stuwing kan intreden ten gevolge van een samendrukkende kracht op de hals. Volgens de forensisch artsen is het voornoemde geconstateerde letsel typerend voor een samendrukkende kracht op de hals. Het ontstaan van puntbloedingen ten gevolge van een samendrukkende kracht op de hals vergt enige kracht en tijd, aldus de forensisch artsen. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte met enige kracht en gedurende enige tijd de keel van aangeefster heeft dichtgeknepen. Dit sluit ook aan bij de verklaring van aangeefster dat verdachte met veel kracht kneep, dat zij geen lucht meer kreeg en dat zij bang was dat verdachte haar zou doden. Het is een feit van algemene bekendheid dat de keel en de hals een kwetsbaar gebied vormen, waarin zich vitale delen van het lichaam bevinden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het op dergelijke wijze met kracht dichtknijpen van de keel de aanmerkelijke kans met zich meebrengt dat aangeefster als gevolg daarvan zou komen te overlijden. Door op deze wijze te handelen heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij aangeefster zou doden.
De rechtbank acht hiermee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 ten laste gelegde poging tot doodslag.
Feiten 2, 3 en 5
De rechtbank acht het onder feiten 2, 3 en 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen op grond van de inhoud van de volgende bewijsmiddelen: [1]
Feit 2
Een proces-verbaal aangifte van 4 oktober 2025 (p. 20-22, met bijlage p. 23-24), inhoudende de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] ;
Een proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever van 5 oktober 2025 (p. 25-32), inhoudende de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] ;
De medische gegevens betreffende aangeefster [slachtoffer 1] van 6 oktober 2025 (p. 43-44), opgemaakt door traumachirurg drs. M. Guijt;
Een forensisch-medische letselbeschrijving van het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO van 21 oktober 2025 (p. 105-121), opgemaakt door forensisch arts W.A. Karst;
Een proces-verbaal van verhoor getuige van 4 oktober 2025 (p. 122-125, met bijlagen p. 126-138), inhoudende de verklaring van getuige [getuige] ;
De bekennende verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 7 januari 2026.
Feit 3
Een proces-verbaal aangifte van 4 oktober 2025 (p. 20-22, met bijlage p. 23-24), inhoudende de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] ;
Een proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever van 5 oktober 2025 (p. 25-32), inhoudende de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] ;
De bekennende verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 7 januari 2026.
Feit 5
Een proces-verbaal van bevindingen van 4 oktober 2025 (p. 148-149), inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] ;
Een proces-verbaal van aangifte van 4 oktober 2025 (p. 150-153), inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer 2] ;
De bekennende verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 7 januari 2026.
Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zijn de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet uitgewerkt.
Feit 4
Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde bedreiging niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.
De rechtbank overweegt ten aanzien van het eerste en vierde gedachtestreepje dat sprake is van schriftelijke bedreiging (via chatberichten met de zus van aangeefster), terwijl mondelinge bedreiging ten laste is gelegd.
Ten aanzien van het tweede en derde gedachtestreepje overweegt de rechtbank dat het dossier naast de (summiere) verklaring van aangeefster geen steunbewijs bevat dat verdachte de door aangeefster genoemde woorden ook daadwerkelijk die dag heeft geuit.
Dit betekent dat verdachte zal worden vrijgesproken van het onder feit 4 ten laste gelegde.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
t.a.v. feit 1:
op 3 oktober 2025 te Helmond
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer 1]
van het leven te beroven,
met kracht de keel en/of hals van die [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen heeft gehouden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
t.a.v. feit 2:
op 3 oktober 2025 te Helmond
[slachtoffer 1] ,
heeft mishandeld, door
die [slachtoffer 1] op het lichaam te slaan, te schoppen, te bijten en haar pols om te draaien,
terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;
t.a.v. feit 3:
op 3 oktober 2025 te Helmond
opzettelijk en wederrechtelijk
de voordeur en de badkamerdeur van de woning van aangeefster, die aan [slachtoffer 1] toebehoorden,
heeft beschadigd;
t.a.v. feit 5:
op 4 oktober 2025 te Helmond
[slachtoffer 2] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht,
door voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "Kankerhomo met vieze kankermatje voor de voordeur en als ik je de volgende keer zie met je fiets bij het stoplicht dan rijd ik je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 4 jaren, met aftrek van het voorarrest, waarvan 2 jaren voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden. Daarbij heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden gevorderd.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
Volgens de raadsvrouw dient de focus primair op (klinische) behandeling van verdachte te liggen. Om die reden heeft de raadsvrouw gepleit voor oplegging van een gevangenisstraf met een onvoorwaardelijk deel dat gelijk is aan de duur van het voorarrest en een voorwaardelijk deel. Daaraan kunnen de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld, met uitzondering van het contactverbod met aangeefster.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten.
In de avond van 3 oktober 2025 hebben verdachte en zijn toenmalige partner [slachtoffer 1] onenigheid gehad in hun woning. Wat volgde was een avond vol geweld, waarbij verdachte aangeefster heeft mishandeld (feit 2) en heeft geprobeerd haar te doden (feit 1). Aangeefster is bij haar keel gegrepen, geslagen, geschopt, gebeten en haar pols is gebroken. Verdachte heeft bovendien de voor- en badkamerdeur van de woning beschadigd (feit 3). Het behoeft geen betoog dat het geweld en de vernedering van die avond een enorme impact hebben gehad op aangeefster. Dat verdachte tot zo vergaand gewelddadig gedrag heeft kunnen komen tegen zijn toenmalige partner en ook nog eens terwijl in ieder geval één van hun kinderen thuis was, acht de rechtbank buitengewoon schokkend en zorgwekkend.
Toen de verbalisanten ter plaatse kwamen omdat een buurman – naar aanleiding van geschreeuw om hulp door aangeefster – de politie had gebeld, heeft verdachte deze buurman met de dood bedreigd (feit 5). Zodoende heeft het handelen van verdachte niet alleen zijn partner gevoelens van angst en onveiligheid bezorgd, maar hebben de feiten ook veel indruk gemaakt op aangever [slachtoffer 2] en de buurt.
De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.
Persoon van verdachte
Kijkend naar de persoon van verdachte, heeft de rechtbank gelet op het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten, onder andere tegen zijn toenmalige partner. Hij liep nota bene nog in de proeftijd van deze veroordeling. De eerdere veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Dit is in strafverzwarende zin meegenomen bij het bepalen van de strafmaat en -soort.
In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte geen volledige verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden door de meest verstrekkende geweldshandelingen te ontkennen. Verdachte lijkt het laakbare van zijn gedrag ook achteraf niet in te zien, zo blijkt uit zijn houding ter terechtzitting. Hij lijkt vooral sociaal wenselijke antwoorden te geven op vragen van de rechtbank.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 23 december 2025. De reclassering concludeert dat sprake is van een delict- en gedragspatroon en maakt zich – samen met Veilig Thuis, de politie, Jeugdbescherming Brabant, de Rooyse Wissel en de toezichthouder van verdachte – ernstig zorgen om de thuissituatie van verdachte, aangeefster en hun kinderen. Volgens de reclassering is sprake van een hoog risico op geweld als er geen nadere interventies worden ingezet. Verdachte is in behandeling bij de Rooyse Wissel. De inschatting van de Rooyse Wissel is dat het voor verdachte lastig is om langdurige gedragsverandering te bewerkstelligen in de dynamiek van het gezin, maar ook door verleidingen vanuit zijn omgeving. Om die reden wordt een langdurig traject noodzakelijk geacht en wordt de kans van slagen het grootst geacht in een klinische setting. Gelet hierop is door de reclassering geadviseerd om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, contactverbod, locatieverbod, meewerken aan middelencontrole en ambulante begeleiding. De reclassering adviseert ook de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en het toezicht.
Op te leggen straf
Gelet op de aard en de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat alleen een gevangenisstraf van aanzienlijke duur een passende strafrechtelijke reactie is. Alles afwegende zal de rechtbank een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie geëiste straf. Daarbij speelt ook een rol dat verdachte voor één van de ten laste gelegde feiten wordt vrijgesproken. De rechtbank acht een gevangenisstraf van 40 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 20 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren passend en geboden. Aan het voorwaardelijke deel zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden koppelen, met uitzondering van het contactverbod. Aangeefster heeft op zitting aangegeven een gedeeltelijk contactverbod te willen (in verband met hun kinderen acht zij contact wel wenselijk), maar dat is naar het oordeel van de rechtbank niet te handhaven. Daarnaast gaat de rechtbank ervan uit dat het recidiverisico zal worden ondervangen door het locatieverbod, nu het geweld (steeds) thuis plaatsvond. Verdachte krijgt met deze straf een forse stok achter de deur om geen strafbare feiten te plegen, mag zich niet bevinden in de straat waar aangeefster woont en hij krijgt de hulp en begeleiding die hij nodig heeft.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Gelet op het hoge recidiverisico, de aard van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal daarom bevelen dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 01.217606.24.
De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit, tegen hetzelfde slachtoffer, schuldig heeft gemaakt. Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 45, 57, 285, 287, 300, 304, 350 Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
- verklaart het onder
feit 4ten laste gelegde niet bewezen en
spreekt verdachte daarvan vrij;
- verklaart het onder
feiten 1, 2, 3 en 5ten laste gelegde
bewezenzoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:
t.a.v. feit 1:
poging tot doodslag
t.a.v. feit 2:
mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel
t.a.v. feit 3:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd
t.a.v. feit 5:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf:
t.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 5:
Een
gevangenisstrafvoor de duur van
40 maandenmet aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht
waarvan 20 maanden voorwaardelijken een
proeftijdvan
3 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarden:
- Veroordeelde meldt zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het telefoonnummer 088-8041504 of bij zijn huidige toezichthouder. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
- Veroordeelde laat zich opnemen in een nader te bepalen zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start direct en aansluitend aan de preventieve hechtenis of detentie. De opname duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt.
- Veroordeelde laat zich behandelen door een nader te bepalen (forensische) ambulante zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start aansluitend aan de klinische opname. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt.
Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
- Indien de reclassering het noodzakelijk acht verblijft veroordeelde in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start wanneer de reclassering dit nodig vindt. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
- Veroordeelde bevindt zich niet in de straat waarin de woning van het slachtoffer [slachtoffer 1] is gelegen, te weten (op dit moment) [adres 2] in Helmond, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie houdt toezicht op naleving van het locatieverbod.
- Veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.
- Veroordeelde laat zich begeleiden door Sociaal Team Helmond of een soortgelijke hulpverlener, te bepalen door de reclassering. De begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding.
De rechtbank geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 14e Wetboek van Strafrecht dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn.
Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:
De rechtbank beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 30 september 2024, gewezen onder parketnummer 01-217606-24, te weten:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 maand.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.W.H. Houg, voorzitter,
mr. C.A. Mandemakers en mr. S.V. Vullings, leden,
in tegenwoordigheid van mr. M.A.I.A. Aarts, griffier,
en is uitgesproken op 21 januari 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, Districtsrecherche Helmond, nummer OB3R025070 / onderzoek Porter, afgesloten op 14 november 2025, aantal doorgenummerde bladzijden: 201.