Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:3019

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
C-01-416881 - HA ZA 25-432
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 2 sub c BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 6:119b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling bouwbegeleidingsfacturen en afwijzing gedeeltelijke ontbinding overeenkomst

Eiser vordert betaling van drie onbetaalde facturen voor bouwbegeleiding bij de realisatie van een mestafvoersysteem in een nieuw te bouwen stal. Gedaagden betwisten de betaling omdat zij menen dat de werkzaamheden buiten de opdracht vallen en dat het systeem niet goed functioneert.

De rechtbank oordeelt dat de werkzaamheden van eiser wel degelijk onderdeel uitmaken van de overeengekomen bouwbegeleiding en dat gedaagden onvoldoende heeft gemotiveerd waarom bepaalde uren niet tot de opdracht zouden behoren. Ook is niet gebleken dat eiser een resultaatsverbintenis had om een werkend systeem te leveren.

De vordering tot gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst door gedaagden wordt afgewezen omdat onvoldoende is gesteld welke tekortkoming aan eiser kan worden toegerekend. Gedaagden moet de openstaande facturen inclusief wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten betalen. Tevens worden de proceskosten aan gedaagden opgelegd.

Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot betaling van de onbetaalde facturen en wettelijke rente, terwijl de vordering tot gedeeltelijke ontbinding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/416881 / HA ZA 25-432
Vonnis van 6 mei 2026
in de zaak van
[eiser], handelend onder de naam
[bedrijfsnaam eiser],
wonende in [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. R.G.F. Lammers,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

gevestigd en kantoorhoudende in [vestigingsplaats] ,
2.
[gedaagde 2],
3.
[gedaagde 3],
beiden wonende in [woonplaats 2] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in voorwaardelijke reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. R. Ligtvoet.

1.De zaak in het kort

1.1.
[eiser] vordert (vanuit [bedrijfsnaam eiser] ) betaling van een drietal facturen. [eiser] stelt dat hij werkzaamheden heeft uitgevoerd met betrekking tot aan [gedaagden] verleende bouwbegeleiding tijdens ‘fase 1’ van de bouw van een nieuwe stal met (mestafvoer)systeem. [eiser] vindt dat hij voor zijn werkzaamheden betaald moet worden, zoals afgesproken. [gedaagden] betoogt dat zij niet hoeft te betalen, omdat [eiser] betaling vraagt voor werkzaamheden die buiten de aan hem verstrekte opdracht vallen, en anders omdat het niet redelijk is dat [eiser] deze bedragen vordert aangezien het (mestafvoer)systeem niet goed werkt. [gedaagden] vordert (als voorwaardelijke tegenvordering) de overeenkomst tussen partijen gedeeltelijk te ontbinden, zodat zij als gevolg daarvan de drie openstaande facturen van [eiser] niet hoeft te betalen.
1.2.
De rechtbank zal beslissen dat [gedaagden] onvoldoende heeft weersproken dat de door [eiser] uitgevoerde (en in rekening gebrachte) werkzaamheden onderdeel waren van de tussen partijen overeengekomen bouwbegeleidingswerkzaamheden. Daarom zal de vordering van [eiser] worden toegewezen. De (voorwaardelijke) tegenvordering van [gedaagden] zal worden afgewezen omdat onvoldoende is gesteld dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de tussen partijen gemaakte afspraken.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord met producties;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties;
- de mondelinge behandeling van 10 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mr. Ligtvoet en mr. Lammers hebben spreekaantekeningen voorgedragen tijdens de zitting. Deze spreekaantekeningen zijn aan het procesdossier toegevoegd.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[gedaagden] exploiteert een kalverhouderij. Gedaagden sub 2 en 3 runnen het bedrijf.
3.2.
[gedaagden] heeft een nieuwe stal laten bouwen. Voor de bouw van deze stal is een subsidieaanvraag gestart. Voor die aanvraag is [gedaagden] op 8 januari 2021 een samenwerking(sovereenkomst) aangegaan met De Groene Munt (hierna te noemen: DGM). Betrokken namens DGM waren [A] (hierna te noemen: [A] ) en [eiser] .
3.2.1.
In het kader van deze samenwerking is afgesproken dat uitvoering zal worden geven aan wat in de samenwerkingsovereenkomst (tussen DGM en [gedaagden] ) ‘het Project’ wordt genoemd. Onder ‘het Project’ wordt de realisatie van de emissiearme stal van [gedaagden] verstaan, die in de samenwerkingsovereenkomst ‘Profijtstal’ wordt genoemd. DGM is volgens de samenwerkingsovereenkomst penvoerder en in die hoedanigheid verantwoordelijk voor (onder meer) het aanvragen van de subsidie. Verder dient DGM bijvoorbeeld zorg te dragen voor administratie, rapportage en voorzitterschap van de bijeenkomsten tussen partijen en dient zij toezicht te houden op de voortgang van ‘het Project’. [A] neemt deze taken namens DGM op zich.
3.2.2.
[eiser] heeft in het kader van deze samenwerking de eerste contacten over de bouw van het (mestafvoer)systeem op zich genomen. Daartoe hebben [eiser] en [gedaagden] afspraken met elkaar gemaakt (zie hierna in rov. 3.4).
3.3.
Op 28 februari 2021 heeft [eiser] aan [gedaagden] (cc aan [B] B.V., hierna te noemen: [B] ) een eerste opzet gezonden voor de invulling van een zogenaamd ‘DUOSEP-systeem’ in de nieuw te bouwen stal. De bedoeling van het ‘DUOSEP-systeem’ is om mest en urine in de stal (‘aan de bron’) te scheiden en vervolgens af te voeren. [B] heeft vervolgens (op 26 april 2021) een offerte aan [gedaagden] gezonden waarin dat (mestafvoer)systeem wordt aangeboden.
3.4.
Op 2 mei 2021 heeft [eiser] (vanuit [bedrijfsnaam eiser] ) een offerte aan [gedaagden] gezonden (aan gedaagde sub 1), met als onderwerp ‘
technisch inhoudelijk project management’. De geoffreerde prijs was € 51.000,00.
“[…]FarmEmissieControl
  • Opstart protocol + gebruik / huur apparatuur gedurende project tijd.
  • Data (verbindingskosten + opslag data en beelden + toegang tot data portal) maandelijkse kosten voor gebruik hiervan. Onderhoudskosten meetapparatuur.
  • Emissie meten van NH3 + CO2 en Methaan in stal en buiten stal.
  • Ontwikkelen en optimaliseren van de systemen.
  • Gebruik diversen meetapparatuur om inzicht te verkrijgen om emissies te verminderen en inzicht op het effect van bepaalde maatregelen die genomen zijn. Beelden en gegevens verwerken en verslag uitbrengen.
  • Onderscheid tussen emissie bijdrage van dieren en mestopslag.
  • Vaststellen van de mate van samenhang tussen de gemeten emissie en bedrijfsfactoren/management maatregelen.
  • Meten effecten innovaties in de stal.
  • Voortgang verslagen.
  • Mest - meetprotocol mestnivo in Duosep systeem en bepalen aflaat frequentie.
  • Monitoren van het klimaat en het dierenwelzijn.
  • Overleg met veehouders en medewerkers [B] BV en De Groene Munt.
Doel: verlagen van uitstoot , kwaliteit lucht verbeteren voor mens en dier.
Bedrag excl. BTW
Fase 1 F.E.C meten en begeleiden en gebruik apparatuur € 51.000,00 […]”
3.5.
Op 4 mei 2021 heeft DGM de subsidieaanvraag voor de nieuw te bouwen stal aan [gedaagden] gezonden. In de aanvraag wordt ook de offerte van [B] genoemd voor de realisatie van het ‘DUOSEP-systeem’. Er is op dat moment subsidie aangevraagd voor een bedrag van € 770.195,00. [bedrijfsnaam eiser] is in het projectplan, dat opgesteld is bij de aanvraag, genoemd onder ‘Andere deelnemers samenwerkingsverband’:
“[…] Tijdens de bouwfase zal [bedrijfsnaam eiser] de bouwbegeleiding verzorgen. [bedrijfsnaam eiser] zal in fase 1 van het onderzoek samen met de familie [gedaagden] het schuif- en afvoersysteem optimaliseren aan de hand van ammoniak- en methaanmetingen die door [bedrijfsnaam eiser] worden uitgevoerd. […]”
3.6.
In december 2022 is door [B] en AvT Montage (leverancier klepelsysteem) gestart met de bouw van het (mestafvoer)systeem.
3.7.
Omstreeks maart 2023 hebben overleggen plaatsgevonden over problemen die ontstonden bij de realisatie van het (mestafvoer)systeem. Daarna is, op 29 maart 2023, door [eiser] een e-mail naar [gedaagden] gezonden met daarin een (aanvullende) offerte van AvT Montage voor de besturing/automatisering van het klepelsysteem.
3.8.
Op 1 augustus 2023 heeft [gedaagden] de nieuwe stal, met daarin het ‘DUOSEP-systeem’ van [B] en het klepelsysteem van AvT Montage, in gebruik genomen.
3.9.
Op 1 september 2023 heeft [B] een e-mail naar [gedaagden] , [eiser] en [A] gezonden waarin wordt gewezen op aandachtspunten naar aanleiding van klachten van [gedaagden] (waaronder het klepelen, het afzuigen van de mestopvangbakken en het aflaten van mest).
3.10.
Op 5 september 2023 heeft [eiser] een e-mail naar [gedaagden] , [B] , [A] en AvT Montage gezonden, waarin de stand van zaken op het bedrijf van [gedaagden] wordt beschreven en wordt gerapporteerd over problemen met de drijfballen, de touwen van de mestschuiven, de pompen en de riolering die steeds verstopt raakt.
3.11.
In de maanden daarna hebben [eiser] en [gedaagden] , samen met de andere betrokken partijen (DGM, [B] en AvT Montage), overleg met elkaar gevoerd over de werking van het (mestafvoer)systeem, omdat het aflaten van de mest niet naar behoren verliep.
3.12.
Op 6 december 2023 heeft [B] aan [gedaagden] kenbaar gemaakt het jammer te vinden “
dat aan jullie niet duidelijk genoeg gemaakt is dat het een proef is en niet een werkend systeem”en zijn door [B] voorstellen gedaan om het (mestafvoer)systeem beter te laten functioneren
.
3.13.
Op 27 december 2023 heeft [A] in een telefoonnotitie vermeld dat [gedaagde 2] in antwoord op de vraag of het nog nodig is dat op korte termijn oriëntatiemetingen uitgevoerd worden, heeft geantwoord dat die voorlopig niet nodig zijn.
3.14.
Daarna zijn vrijwel geen werkzaamheden meer door [eiser] verricht voor [gedaagden] .
3.15.
[eiser] heeft voor zijn werkzaamheden zes facturen aan [gedaagden] gezonden:
factuur 2021044 € 850,00
factuur 2022021 € 1.033,00
factuur 2022031 € 3.800,00
factuur 2023004 € 8.450,00 d.d. 30 juni 2023
factuur 2024001 € 16.350,00 d.d. 11 januari 2024
factuur 2024009 € 1.675,00d.d. 15 april 2024
totaal exclusief btw € 32.158,00 (een bedrag van € 38.911,18 inclusief btw)
De eerste drie facturen zijn door [gedaagden] betaald, de laatste drie niet (een bedrag ter hoogte van in totaal € 32.034,75 inclusief btw is niet betaald).
3.16.
Op 13 februari 2025 heeft de advocaat van [gedaagden] aan [eiser] gevraagd om een specificatie van de verrichte werkzaamheden. Deze specificatie is nog op diezelfde dag toegezonden.
3.17.
Na sommaties van [eiser] is [gedaagden] niet overgegaan tot betaling van de hiervoor bedoelde drie facturen.

4.Het geschil

in conventie(wat [eiser] van [gedaagden] vordert)
4.1.
[eiser] vordert – samengevat – het volgende:
I. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om een bedrag van € 33.130,10 aan hoofdsom en buitengerechtelijke kosten aan hem te betalen, te vermeerderen met wettelijke handelsrente,
II. [gedaagden] te veroordelen in de kosten van deze procedure.
[eiser] vordert dat deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
4.2.
[gedaagden] voert verweer. [gedaagden] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , althans tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
in voorwaardelijke reconventie(wat [gedaagden] van [eiser] vordert)
4.3.
Alleen in het geval de rechtbank van oordeel is dat de werkzaamheden waarvan [eiser] betaling vordert, vallen onder de door [gedaagden] aan [eiser] verstrekte opdracht, vordert [gedaagden] – samengevat – het volgende:
I. voor recht te verklaren dat de overeenkomst van opdracht tussen [gedaagden] als opdrachtgever en [eiser] als opdrachtnemer is ontbonden voor het gedeelte van de werkzaamheden waarvoor [eiser] in de procedure in conventie betaling vraagt;
II. [eiser] te veroordelen in de kosten van deze procedure.
[gedaagden] vordert dat deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
4.4.
[eiser] voert verweer. [eiser] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagden] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagden] in de kosten van deze procedure.
in conventie en in voorwaardelijke reconventie
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

in conventie en in voorwaardelijke reconventie
5.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen van [eiser] en de voorwaardelijke tegenvorderingen van [gedaagden] zullen deze gezamenlijk worden behandeld. Zoals hierna zal worden besproken, wordt voldaan aan de voorwaarde waaronder de tegenvorderingen zijn ingesteld, zodat de rechtbank toekomt aan de beoordeling daarvan.
[gedaagden] moet de facturen van [eiser] betalen
5.2.
[eiser] vordert betaling van een drietal facturen (genoemd in rov. 3.14). Hij stelt daartoe, kort gezegd, dat hij werkzaamheden heeft verricht op grond van de tussen partijen gemaakte afspraken (de offerte). Daarvoor vraagt hij in deze procedure betaling. [gedaagden] voert samengevat aan dat zij nooit opdracht heeft gegeven voor de werkzaamheden waarvan [eiser] betaling vordert. De werkzaamheden waarvoor zij wel opdracht heeft gegeven, zijn volgens haar nooit door [eiser] uitgevoerd en acht zij volstrekt onredelijk.
5.3.
Tijdens de zitting heeft [eiser] toegelicht dat het bij aanvang van de opdracht de bedoeling was dat hij ‘aan de knoppen zou draaien’ om het systeem werkend te krijgen (afstellen) na levering en van het (mestafvoer)systeem door [B] en AvT Montage (‘fase 1)’, voordat officiële metingen aan het systeem konden worden uitgevoerd door Universiteit Wageningen (hierna: ‘WUR’; ‘fase 2’). Doordat er bepaalde wijzigingen zijn geweest, waarvan pas bleek na de start van het werk, moest hij een andere invulling geven aan de (door [gedaagden] ) aan hem verstrekte opdracht. Anders dan [gedaagden] aanvoert, vallen de door hem uitgevoerde werkzaamheden volgens [eiser] echter wel degelijk binnen de aan hem verstrekte opdracht. Hoewel er tegenslagen waren, was het – overeenkomstig de opdracht zoals aan hem verstrekt – aan hem om zich in te spannen het (mestafvoer)systeem in ‘fase 1’ te laten werken voordat WUR-metingen zouden worden uitgevoerd; dat is, zo stelt [eiser] , wat hij heeft gedaan. [gedaagden] heeft deze door [eiser] gegeven toelichting – inhoudende dat hij zijn werkzaamheden anders heeft ingevuld dan vooraf bij het maken van de afspraken was beoogd – niet gemotiveerd betwist.
5.4.
Hieruit volgt dat tussen partijen niet in geschil is dat de werkzaamheden van [eiser] (op grond van de door hem uitgebrachte offerte) inhielden dat hij ‘fase 1’ zou managen als technisch inhoudelijk bouwbegeleider. [gedaagden] betwist ook niet dat [eiser] de werkzaamheden – zoals door hem zijn vermeld op de urenspecificaties – heeft verricht. Volgens haar komen de in deze specificaties vermelde werkzaamheden echter niet overeen met de werkzaamheden zoals door haar aan hem zijn opgedragen. De rechtbank begrijpt hieruit dat volgens [gedaagden] bepaalde in de specificaties vermelde uren niet kunnen worden geschaard onder één van de in de offerte opgesomde werkzaamheden (omdat deze onvoldoende specifiek zijn geformuleerd). Welke werkzaamheden concreet buiten de opdracht zouden vallen, heeft [gedaagden] echter – ook na de toelichting van [eiser] aan de hand van productie 11 bij antwoord in reconventie en overgelegde urenspecificaties – niet aangevoerd. Een concrete toelichting waaruit kan volgen dat en waarom de bezoeken van haar bedrijf (bijvoorbeeld) geen onderdeel zouden zijn van de opdracht (tot het verrichten van de aan [eiser] opgedragen bouwbegeleiding in ‘fase 1’), heeft zij niet gegeven. [gedaagden] heeft daarmee onvoldoende betwist dat de door [eiser] (in die urenspecificaties) genoemde werkzaamheden – zoals [eiser] stelt – waren gericht op het werkend kunnen krijgen van het (mestafvoer)systeem, en onderdeel waren van de aan hem opgedragen (technische) bouwbegeleiding en management. Zij heeft – kort gezegd – volstaan met het betoog dat op de steeds terugkomende post ‘bedrijfsbezoek’ veel uren zijn geschreven – die volgens haar buiten de aan [eiser] verstrekte opdracht zouden vallen – en dat deze kosten onredelijk (hoog) zouden zijn. Dat is in dit geval onvoldoende.
5.5.
Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat tussen partijen niet in geschil is dat de eerste drie door [eiser] aan [gedaagden] verzonden facturen zonder bezwaar door [gedaagden] aan [eiser] zijn betaald. Op dat moment waren er ook al problemen met het (mestafvoer)systeem (die waren er namelijk van meet af aan), maar had [gedaagden] kennelijk geen bezwaar tegen betaling van de facturen van [eiser] . Waarom dat voor de periode daarna anders zou zijn, heeft [gedaagden] gelet daarop onvoldoende toegelicht. Voor zover [gedaagden] meent dat zij met voldoening van de eerste drie facturen al voldoende aan [eiser] heeft betaald, heeft zij daartoe eveneens onvoldoende gesteld.
5.6.
[gedaagden] stelt zich weliswaar op het standpunt dat [eiser] zijn werkzaamheden (op enig moment) niet kon vervolgen, maar dat heeft zij (desgevraagd) pas op 27 december 2023 kenbaar gemaakt (productie 10 bij conclusie van antwoord in reconventie, zie rov. 3.13). Tot dat moment heeft [gedaagden] [eiser] steeds toegelaten tot haar bedrijf. Dat zij eraan twijfelde of [eiser] wel daadwerkelijk werkzaamheden (kon) verrichtte(n) in het kader van de bouwbegeleiding, blijkt nergens uit. Dat zij [eiser] destijds – bijvoorbeeld tijdens één van de door hem omschreven ‘bedrijfsbezoeken’ – heeft aangesproken omdat zij niet begreep waarom hij op haar bedrijf aanwezig was en wat hij daar deed, is door [gedaagden] niet gesteld. Pas op voornoemde datum heeft zij voor het eerst aangegeven dat [eiser] zijn inzet niet langer benodigd was, gelet op de stand van zaken en de (gebrekkige) werking van het (mestafvoer)systeem op dat moment. Voor de werkzaamheden die [eiser] niet heeft uitgevoerd omdat dit nog niet mogelijk was gelet op de staat van het mestafvoersysteem (in elk geval de meet-werkzaamheden; productie 11 bij antwoord in reconventie), heeft [eiser] vervolgens ook geen vergoeding in rekening gebracht (zoals ook door hem is toegelicht in punt 5.3 en 5.4 van zijn conclusie van antwoord in reconventie en tijdens de zitting). [eiser] heeft aldus niet de volledige overeengekomen totaalsom van € 51.000,00 in rekening gebracht, maar een deel daarvan namelijk in totaal € 32.158,00 exclusief btw (rov. 3.15).
5.7.
[gedaagden] heeft ook onvoldoende aangevoerd waaruit zou kunnen volgen dat [eiser] heeft toegezegd dat hij zou zorgen voor een werkend (mestafvoer)systeem en hij – omdat hij die afspraak niet zou zijn nagekomen – daarom geen betaling van haar kan verlangen. Uit de door [gedaagden] ingenomen stellingen blijkt dat zij zelf niet precies weet welke van de betrokken partijen ( [B] die het (mestafvoer)systeem heeft ontworpen en onderdelen daarvoor heeft geleverd, AvT Montage die het klepelsysteem heeft geleverd en het (mestafvoer)systeem heeft gemonteerd of [eiser] die het technisch inhoudelijk projectmanagement heeft gedaan) welke verplichtingen en verantwoordelijkheden hadden om tot een goed werkend (mestafvoer)systeem te komen. Er staat weinig op papier, zo is namens [gedaagden] toegelicht tijdens de zitting. Als er al verplichtingen en verantwoordelijkheden aan [eiser] kunnen worden toegeschreven die hadden moeten leiden tot een goed werkend (mestafvoer)systeem, dan staat naar het oordeel van de rechtbank in elk geval niet zonder meer vast dat sprake was van een resultaatsverbintenis.
5.8.
De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de uitvoering van de bouwbegeleiding (het ‘technisch inhoudelijk projectmanagement’) door de problemen met het (mestafvoer)systeem weliswaar anders is gelopen dan door partijen aanvankelijk was beoogd, maar dat [gedaagden] daar geen (voor [eiser] kenbare) bezwaren tegen had. Voor de uitgevoerde (door [eiser] op de urenspecificaties vermelde) werkzaamheden moet [gedaagden] daarom betalen. Nu [gedaagden] geen voldoende concrete bezwaren heeft geuit tegen de door [eiser] in de procedure ingebrachte urenspecificaties ter onderbouwing van zijn vordering, zal de rechtbank uitgaan van de juistheid daarvan.
5.9.
Dit alles leidt ertoe dat de hoofdvordering van [eiser] (€ 32.034,75 inclusief btw) zal worden toegewezen. Ook de daarover gevorderde wettelijke handelsrente zal worden toegewezen zoals gevorderd, nu [gedaagden] daartegen geen afzonderlijk gemotiveerd verweer heeft gevoerd.
De buitengerechtelijke incassokosten
5.10.
[eiser] heeft gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en heeft vergoeding daarvan gevorderd. Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan, zodat de rechtbank de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten (€ 1.095,35) – die overeenstemt met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten genoemde tarief – zal toewijzen.
5.11.
Buitengerechtelijke incassokosten zijn een vorm van vermogensschade (artikel 6:96 lid 2 sub c BW Pro). Omdat de wettelijke handelsrente‑regeling van artikel 6:119a en 6:119b BW niet van toepassing is op schadevergoedingen, is alleen de wettelijke rente van artikel 6:119 BW Pro toewijsbaar over de buitengerechtelijke incassokosten. Nu over het moment van betaling niets is gesteld door [eiser] , zal de wettelijke rente (ex artikel 6:119 BW Pro) worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.
Geen grond voor ontbinding
5.12.
Nu de rechtbank van oordeel is dat de werkzaamheden waarvoor [eiser] betaling vordert onder de door [gedaagden] aan hem verstrekte opdracht vallen, wordt toegekomen aan beoordeling van de tegenvordering van [gedaagden] . De vraag die beantwoord moet worden is of [gedaagden] de overeenkomst met [eiser] gedeeltelijk mag ontbinden. Volgens [gedaagden] is [eiser] tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen gemaakte afspraken. [eiser] betwist dat hij tekortschoten is. Volgens hem laat [gedaagden] na nauwkeurig te stellen welke inspanningen van hem hadden mogen worden verwacht en is het niet aan hem te wijten dat hij niet in staat is gesteld de opdracht te voltooien.
5.13.
Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen grond voor ontbinding van de overeenkomst tussen partijen. De tegenvordering van [gedaagden] zal – met verwijzing naar wat hiervoor al is overwogen (in rov. 5.7) – worden afgewezen. Daarvoor is het volgende redengevend.
5.14.
Vanaf de aanvang van de bouw van de nieuwe stal is sprake geweest van een samenwerking waarbij (niet alleen [eiser] , maar) verschillende partijen betrokken zijn. Zolang niet duidelijk is welke taken en verplichtingen [eiser] in dit kader had, kan door [gedaagden] ook niet voldoende worden gesteld waar de tekortkoming – in de nakoming van de tussen partijen gemaakte afspraken – van [eiser] , precies uit bestaat. Dat is, zo heeft [gedaagden] tijdens de zitting toegelicht, mede de reden dat er ook juridische procedures aanhangig zijn tegen [B] en AvT Montage. De door [gedaagden] gestarte bodem- en voorlopig-getuigenverhoor-procedures moeten – zo begrijpt de rechtbank – meer duidelijkheid gaan geven over de vraag welke partij, welke verplichting had in het kader van de samenwerking. Op dit moment kan een concrete tekortkoming daarom niet aan [eiser] worden toegeschreven, omdat [gedaagden] daartoe onvoldoende heeft gesteld. [gedaagden] heeft ter onderbouwing van haar stellingen (in algemene zin) verwezen naar de vele correspondentie tussen [eiser] , [B] en AvT Montage zonder nader te duiden waaruit kan volgen dat [eiser] (alleen) heeft toegezegd (en ook alleen kon toezeggen) dat hij zou zorgdragen voor een (goed) werkend systeem.
De proceskosten
5.15.
[gedaagden] is in de procedure in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden in conventie begroot op:
- kosten van de dagvaarding
123,97
- griffierecht
1.374,00
- salaris advocaat
1.672,00
(2 punten × € 836,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.317,97
5.16.
[gedaagden] is in de procedure in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- salaris advocaat
836,00
(2 punten × factor 0,5 × € 836,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
984,00

6.De beslissing

in conventie
6.1.
veroordeelt [gedaagden] om aan [eiser] een bedrag van € 33.130,10 te betalen,
  • te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het bedrag van € 32.034,75, vanaf de vervaldata van iedere factuur, tot de dag van voldoening, en,
  • te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het bedrag van € 1.095,35 vanaf 19 juni 2025, tot de dag van voldoening,
6.2.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 3.317,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in voorwaardelijke reconventie
6.3.
wijst de vorderingen van [gedaagden] af,
6.4.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 984,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in voorwaardelijke reconventie
6.5.
veroordeelt [gedaagden] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.6.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder rov. 6.1, 6.2, 6.4 en 6.5 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Vieira en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.