ECLI:NL:RBOBR:2026:3296

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
SHE 25/1566
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.0a Besluit kwaliteit leefomgevingArt. 14.3.3 Bestemmingsplan Heusden VestingArt. 15.5.3 Bestemmingsplan Heusden Vesting
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling omgevingsvergunning herinrichting Vismarkt Heusden met verplaatsing waterpomp

De zaak betreft een beroep van een onderneming tegen de door het college van burgemeester en wethouders van Heusden verleende omgevingsvergunning voor de herinrichting van de Vismarkt. De vergunning omvat werkzaamheden zoals herbestrating, rioleringsaanpassingen, het rooien en planten van bomen en de verplaatsing van een historische waterpomp. De onderneming betoogt dat de verplaatsing van de waterpomp en de onderliggende put een onaanvaardbare aantasting van cultuurhistorische en archeologische waarden vormt.

De rechtbank oordeelt dat het college voldoende onderzoek heeft gedaan en zich terecht heeft gebaseerd op deskundigenadviezen waaruit blijkt dat de pomp vaker is verplaatst en dat de locatie van ondergeschikt belang is. De rechtbank stelt dat het college binnen zijn beoordelingsruimte heeft gehandeld en dat de cultuurhistorische en archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat de schade aan de put niet zodanig was dat de vergunning geweigerd had moeten worden.

Verder voert de onderneming aan dat de herinrichting haar belangen onevenredig schaadt, onder meer door bereikbaarheid en participatie. De rechtbank stelt dat het college alleen belangen mag afwegen die in het omgevingsplan zijn genoemd en dat de genoemde wijzigingen zoals fietsnietjes en parkeerplaatsen vergunningvrij zijn en buiten de vergunning vallen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, handhaaft de vergunning en wijst de proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep van de onderneming tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1566 OWBOUW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 mei 2026 in de zaak tussen

[naam] . (h.o.d.n. [naam] ), uit [vestigingsplaats] ,
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heusden

(gemachtigde: mr. G.A. de Koning).
De rechtbank zal de Handelsonderneming [naam] hierna ‘de onderneming’ noemen.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning voor de herinrichting van de Vismarkt in Heusden. De onderneming is het niet eens met de omgevingsvergunning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de vergunningverlening.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de omgevingsvergunning is verleend binnen de regels die daarvoor gelden
.De onderneming krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2. Op 15 oktober 2024 heeft de gemeente Heusden bij het college een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning ten behoeve van de herinrichting van de Vismarkt in Heusden.
2.1.
Met het besluit van 9 januari 2025 heeft het college de aangevraagde vergunning verleend. De onderneming heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het bestreden besluit van 21 mei 2026 op het bezwaar van de onderneming heeft het college de omgevingsvergunning gehandhaafd.
2.2.
De onderneming heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] (namens de onderneming) en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. De vergunde herinrichting van de Vismarkt omvat het herbestraten van het plein, het aanpassen van de riolering, graafwerkzaamheden, het rooien van één boom, het planten van zes bomen en het verplaatsen van een waterpomp. In het kader van de herinrichting wordt ook straatmeubilair geplaatst, waaronder een paar fietsnietjes. Verder vervallen er enkele autoparkeerplaatsen en worden er enkele andere verplaatst. Het plaatsen van het straatmeubilair – zoals fietsnietjes – en het verplaatsen van de parkeerplaatsen zijn echter géén onderdeel van de vergunning omdat voor deze veranderingen geen vergunningplicht geldt.
3.1.
De herinrichting is feitelijk al voltooid.
Beoordeling van de beroepsgronden
Inleiding
4. De onderneming vecht in deze zaak de verleende omgevingsvergunning aan. Dat is het besluit dat de rechtbank moet toetsen. De rechtbank spreekt zich niet uit over andere besluiten die het college heeft genomen.
4.1.
Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een bepaalde activiteit moet het college toetsen aan de regels die het omgevingsplan voor die activiteit stelt. Als de activiteit niet in strijd is met het omgevingsplan, dan moet het college de vergunning verlenen. [1] Het college kan de vergunning niet weigeren om andere redenen dan die zijn genoemd in het omgevingsplan.
4.2.
De onderneming heeft verschillende beroepsgronden aangevoerd tegen de vergunningverlening. De rechtbank zal deze hierna bespreken.
Waterpomp en waterput
5. Volgens de onderneming vormt de waterpomp op de Vismarkt samen met de onderliggende put een cultuurhistorisch geheel. Het is niet wenselijk om ze te scheiden of te verplaatsen. Dat zou een onaanvaardbare aantasting van het erfgoed betekenen. De onderneming heeft ook naar voren gebracht dat de put tijdens de werkzaamheden beschadigd is geraakt.
5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het onderzoek heeft gedaan naar de archeologische en cultuurhistorische waarden van de waterpomp en de waterput. Het college vindt de pomp en de put belangrijk en heeft ze daarom willen behouden. Uit de onderzoeken die door BAAC Archeologie en Bouwhistorie en R. van Genabeek in opdracht van het college zijn verricht, blijkt dat de pomp vaker is verplaatst en dat de locatie van de pomp cultuurhistorisch en archeologisch dus van ondergeschikt belang zijn. Ook is het voor deze waarden niet nodig dat de pomp direct boven de put staat.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. Dat legt de rechtbank hieronder uit.
5.3.
Op grond van het bestemmingsplan ‘Heusden Vesting’, dat onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan, zijn de voor de herinrichting noodzakelijke werkzaamheden alleen toegestaan als de cultuurhistorische en archeologische waarden van het plein niet in onevenredige mate worden aangetast. [2]
5.4.
De begrippen ‘cultuurhistorische waarden’ en ‘archeologische waarden’ zijn tot op zekere hoogte subjectief. Dat betekent dat het college de nodige beoordelingsruimte heeft bij het toepassen van deze regels. De rechtbank moet deze beoordeling door het college terughoudend toetsen. De rechtbank kijkt of het college in redelijkheid tot de beoordeling heeft kunnen komen waartoe het is gekomen en deze beoordeling voldoende heeft gemotiveerd.
5.5.
Verder geldt dat een bestuursorgaan volgens vaste rechtspraak [3] in principe af mag gaan op het advies van een deskundige, zolang het bestuursorgaan is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Ook moet de in het advies opgenomen redenering begrijpelijk zijn en moeten de getrokken conclusies op die redenering aansluiten. Dat is anders als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan deze punten naar voren heeft gebracht. Dan moet het bestuursorgaan daar concreet op reageren. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat een procederen partij over het advies heeft aangevoerd.
5.6.
De onderneming heeft haar zorgen uitgesproken over de consequenties van het verplaatsen van de waterpomp voor de cultuurhistorische en archeologische waarden van de pomp. De onderneming heeft de adviezen waar het college zich op heeft gebaseerd, echter niet inhoudelijk weersproken. De rechtbank is van oordeel dat het college, gegeven de beoordelingsruimte die het heeft, zich in redelijkheid op de adviezen heeft mogen baseren en zich vervolgens op het standpunt heeft mogen stellen dat de cultuurhistorische en archeologische waarden door de verplaatsing niet onevenredig worden aangetast.
5.7.
Dat de put bij de uitvoering van de werkzaamheden beschadigd is geraakt, is natuurlijk jammer. Het is alleen geen reden om de vergunningverlening niet door te laten gaan. Dat was hooguit het geval geweest als de schade een te verwachten gevolg was geweest van de werkzaamheden. Maar daarvoor ziet de rechtbank in wat de onderneming naar voren heeft gebracht of wat er in de adviezen staat geen aanwijzingen.
Andere beroepsgronden
6. De onderneming heeft verschillende andere gronden aangevoerd tegen de vergunning. Volgens de onderneming worden haar belangen door de herinrichting onevenredig geraakt. De herinrichting bestendigt de uitbreiding van de terrassen op het plein die oorspronkelijk als coronamaatregel mogelijk was gemaakt. Daardoor wordt de onderneming geconfronteerd met een verplaatsing van de weg richting haar gevel en de plaatsing van fietsnietjes en langsparkeerplaatsen voor de ingang van haar winkel. Hierdoor is de winkel van de onderneming minder bereikbaar. Het college zou een fiets- en een verkeersplan moeten opstellen en daarbij rekening moeten houden met het belang van de onderneming om bereikbaar te blijven voor het winkelend publiek. Verder is volgens de onderneming het participatietraject rondom de herinrichting van het plein door het college in een te rap tempo doorlopen. Hierdoor zijn de belangen van de verschillende betrokkenen niet goed gewogen.
6.1.
Deze beroepsgronden slagen niet. Het college is verplicht om de omgevingsvergunning te verlenen als de activiteiten in overeenstemming zijn met de regels van het omgevingsplan. Het college mag geen andere belangen afwegen dan de belangen die in het omgevingsplan zijn genoemd. Het omgevingsplan stelt geen eisen aan de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de bestemmingen die het omgevingsplan aanwijst. De vergunde werkzaamheden zijn met die bestemmingen in overeenstemming. Ook stelt het omgevingsplan geen eisen aan de manier waarop ondernemersbelangen worden gewogen of aan de wijze waarop het participatietraject wordt doorlopen. Daarom mag het college in deze door de onderneming aangevoerde omstandigheden geen reden zien om de omgevingsvergunning te weigeren.
6.2.
De rechtbank merkt overigens op dat de veranderingen die de onderneming voornamelijk raken, vergunningvrije activiteiten zijn. Het gaat dan met name om de parkeerplaatsen en de fietsnietjes voor de gevel van de onderneming. De vergunning heeft dus geen betrekking op deze maatregelen. Ook daarom kan de rechtbank geen uitspraak doen over deze aspecten van de herinrichting.
6.3.
De rechtbank kan het zich voorstellen dat het voor de onderneming vervelend is dat het toetsingskader zo beperkt de ruimte laat om haar belang om bereikbaar te blijven mee te laten wegen in de besluitvorming. Het college heeft op de zitting benadrukt dat hij de bereikbaarheid wel in de gaten zal houden. Het college zal evalueren of de plaatsing van de fietsnietjes onevenredige gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering van de onderneming en zal inzetten op handhaving op foutparkeerders. Aangezien de fietsnietjes vergunningvrij zijn, zal het overigens ook relatief eenvoudig zijn om ze te verplaatsen als de gemeente daar aanleiding toe ziet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de vergunning voor de herinrichting in stand blijft. De onderneming krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O.Y. Ifzaren, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J. van der Meiden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
2.Dat staat in de artikelen 14.3.3 en 15.5.3 van het bestemmingsplan, die ter plaatse van de Vismarkt gelden.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van