De rechtbank Oost-Brabant heeft op 22 januari 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen verdachte, die werd verdacht van meerdere strafbare feiten waaronder poging tot ontucht met minderjarige meisjes, het voorhanden hebben van vuurwapens en bedreiging.
De rechtbank achtte de verklaringen van de minderjarige slachtoffers betrouwbaar en bewezen verklaard dat verdachte op 1 oktober 2022 meerdere ontuchtige handelingen heeft geprobeerd te plegen met twee meisjes van bijna zeven jaar oud. Verdachte toonde zijn geslachtsdeel, vroeg of zij eraan wilden likken, pakte een van de meisjes vast en plaste in hun nabijheid. Daarnaast werd bewezen verklaard dat verdachte op 9 augustus 2023 een vuurwapen met munitie van categorie III voorhanden had.
De rechtbank sprak verdachte vrij van het bezit van een ander vuurwapen en van bedreiging, omdat de bewijsketen was doorbroken en verklaringen onvoldoende concreet en tegenstrijdig waren. Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van de feiten, recidive, persoonlijke omstandigheden van verdachte en een overschrijding van de redelijke termijn van ruim zestien maanden.
De opgelegde straf bestaat uit 240 dagen gevangenisstraf, waarvan 165 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en bijzondere voorwaarden zoals reclasseringstoezicht, ambulante behandeling, begeleid wonen en schuldhulpverlening. De bijzondere voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar vanwege het risico op herhaling. Het bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven en beslag op vuurwapens werd gehandhaafd, met uitzondering van een weegschaal die werd teruggegeven aan verdachte.