ECLI:NL:RBOBR:2026:335

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
01/107891-22
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van verdachte in zaak van seksueel misbruik en mishandeling van twee zoons

In deze zaak heeft de Rechtbank Oost-Brabant op 21 januari 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van seksueel misbruik en mishandeling van zijn twee zoons, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was. De zaak kwam aan het licht na een aangifte door de moeder van de jongens, die in 2021 melding deed van het misbruik en de mishandeling. De verklaringen van de jongens werden als onbetrouwbaar beoordeeld, mede door het lange tijdsverloop en de omstandigheden waaronder de verklaringen waren afgelegd. De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van [slachtoffer 1] over het vermeende seksueel misbruik onvoldoende betrouwbaar waren om als bewijsmiddel te dienen. Ook de verklaringen van [slachtoffer 2] over mishandeling werden niet ondersteund door ander bewijs. De rechtbank concludeerde dat de vorderingen van de benadeelde partijen, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], niet-ontvankelijk moesten worden verklaard, aangezien de verdachte van de feiten was vrijgesproken. De uitspraak benadrukt de noodzaak van voldoende bewijs in zedenzaken en kindermishandeling, waar vaak weinig bewijs beschikbaar is.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.107891.22
Datum uitspraak: 21 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1977] ,
zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 4 december 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1 primair:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2014 te Rijkevoort, gemeente Boxmeer en/of Doetinchem en/of Dinxperlo en/of Isselburg en/of Dankern, althans in Nederland en/of Duitsland,
met zijn, verdachtes, kind, [slachtoffer 1] , geboren op [2004] ,
die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt,
een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede
bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] ,
te weten
- het (meermalen) brengen en/of duwen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 1] en/of
- het (meermalen) brengen en/of duwen van zijn, verdachtes, penis en/of een doucheslang en/of een dilo en/of een of meer (andere) seksspeeltjes in de anus van die [slachtoffer 1] en/of
- het (meermalen) door die [slachtoffer 1] (eruit) laten trekken van zijn, verdachtes, schaamhaar;
T.a.v. feit 1 subsidiair:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2014 te Rijkevoort, gemeente Boxmeer en/of Doetinchem en/of Dinxperlo en/of Isselburg en/of Dankern, althans in Nederland en/of Duitsland,
met zijn, verdachtes, kind, [slachtoffer 1] , geboren op [2004] ,
die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het (meermalen) door die [slachtoffer 1] (eruit) laten trekken van zijn, verdachtes, schaamhaar;
T.a.v. feit 2:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2014 te Rijkevoort, gemeente Boxmeer en/of Doetinchem en/of Dinxperlo en/of Isselburg en/of Dankern, althans in Nederland en/of Duitsland,
zijn kind, [slachtoffer 1] (geboren op [2004] ),
heeft mishandeld door (meermalen)
- een doucheslang en/of een of meer (andere) voorwerpen en/of zijn, verdachtes, penis, in de anus van die [slachtoffer 1] te duwen/brengen en/of
- (met kracht) het hoofd van die [slachtoffer 1] onder water te duwen en/of
- de handen van die [slachtoffer 1] (met zware voorwerpen) vast te binden aan een bed en/of
- die [slachtoffer 1] te slaan en/of te schoppen/trappen en/of
- die [slachtoffer 1] met een hamer op zijn voet te slaan en/of
- gewichten/voorwerpen aan de oogleden en/of oren van die [slachtoffer 1] te hangen;
T.a.v. feit 3:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 31 maart 2012 tot en met 31 december 2014 te Rijkevoort, gemeente Boxmeer en/of Doetinchem en/of Dinxperlo, althans in Nederland, zijn kind, [slachtoffer 2] (geboren op 31 maart 2008),
heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] (meermalen) te slaan en/of te trappen/schoppen en/of een knietje te geven;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Inleiding
Aan verdachte zijn ernstige strafbare feiten ten laste gelegd, namelijk seksueel misbruik en mishandeling van zijn oudste zoon, [slachtoffer 1] , en mishandeling van zijn andere zoon, [slachtoffer 2] . Deze feiten zouden zich met name hebben voorgedaan na het verbreken van de relatie tussen verdachte en de moeder van de jongens, in de periode van 2008 tot en met 2014. De bezoekregeling tussen verdachte en zijn zoons is in 2015 beëindigd nadat [slachtoffer 2] aan zijn moeder had verteld dat hij van zijn vader een ‘knietje’ had gehad. In 2020 heeft [slachtoffer 1] volgens de therapeut, bij wie hij in behandeling was, verteld dat hij in het verleden langdurig en zeer ernstig seksueel is misbruikt en mishandeld door zijn vader. De therapeut heeft de moeder van [slachtoffer 1] hierover ingelicht, waarop deze aangifte heeft gedaan. Naast deze aangifte in Nederland heeft zij ook aangifte tegen verdachte in Duitsland gedaan, omdat zij daar gedurende hun relatie samen woonden. In deze aangifte heeft zij verdachte beschuldigd van verkrachting en geweld jegens haar. Naar aanleiding van deze aangifte zijn [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in Duitsland als getuige gehoord. Deze Duitse zaak tegen verdachte is geseponeerd en het dossier is overgedragen aan de Nederlandse justitie, vanwege de in Nederland gedane aangifte. Ook in Nederland zijn [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als getuige gehoord.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van hetgeen verdachte onder feit 1 primair en subsidiair ten laste is gelegd wegens - kort gezegd - het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Hetgeen verdachte onder feit 2 (gedeeltelijk) en feit 3 ten laste is gelegd acht de officier van justitie wettig en overtuigend te bewijzen. De officier van justitie heeft ter zitting naar voren gebracht dat, wat betreft de feiten 2 en 3, de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] elkaar over en weer ondersteunen. De verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] die er kortgezegd op neer komen dat zij [slachtoffer 1] geloven op basis van het gedrag dat hij laat zien, zijn eveneens ondersteunend aldus de officier van justitie, net als de verklaringen van moeder en stiefvader. De officier van justitie vindt hiermee het steunbewijs om tot een bewezenverklaring van de feiten 2 en 3 te komen, geleverd.
Op specifieke standpunten wordt hierna, voor zover relevant, ingegaan.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft een integrale vrijspraak bepleit vanwege een gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.
Op specifieke standpunten wordt hierna, voor zover relevant, ingegaan.
Het oordeel van de rechtbank.
Bewijs in zedenzaken en zaken betreffende kindermishandeling
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de feiten waarvan verdachte wordt beschuldigd. In zedenzaken en ook in zaken over kindermishandeling is er vaak weinig bewijs, vooral als de verdachte de feiten ontkent. Over het algemeen zijn er geen getuigen van de gebeurtenissen, omdat ze zich veelal afspelen in de beslotenheid van een woning en zonder aanwezigheid van derden. De verklaringen van het vermeende slachtoffer nemen dan ook een belangrijke plaats in bij de beoordeling van het bewijs. Het is bij de beoordeling van het bewijs in dergelijke zaken daarom noodzakelijk dat de rechtbank eerst beoordeelt of de verklaringen van het vermeende slachtoffer betrouwbaar zijn.
Volgens de wet kan een feit niet worden bewezen op grond van één getuige. Ook niet als de rechtbank deze verklaring betrouwbaar acht. Naast de betrouwbaarheid van de verklaringen van het vermeende slachtoffer is het daarom van belang of er voldoende ander bewijs is dat die verklaring ondersteunt (zogenaamd steunbewijs). Dat steunbewijs moet van een andere bron afkomstig zijn dan van het vermeende slachtoffer. Volgens de Hoge Raad hoeven niet alle handelingen waarvan verdachte beschuldigd wordt, ondersteund te worden door ander bewijs. De verklaring van het vermeende slachtoffer moet wel op concrete, wezenlijke punten worden ondersteund. Ook mag het steunbewijs niet in een te ver verwijderd verband staan tot wat moet worden bewezen.
De betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]
Bij het beoordelen van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de vermeende slachtoffers, kan door de rechtbank (onder meer) gekeken worden of hun verklaringen concreet, gedetailleerd, authentiek en consistent zijn. De beoordeling van de betrouwbaarheid vindt plaats aan de hand van de verklaringen in hun geheel en kijkend naar alle omstandigheden van de specifieke zaak.
In dit geval is daarbij relevant dat de moeder van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , namens haar zoons, in 2021 aangifte heeft gedaan van het onderhavige zedenmisdrijf en de kindermishandelingen. Moeder heeft daarbij verklaard dat zij zelf nooit getuige is geweest van één van deze feiten.
[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben vervolgens als getuigen verklaringen afgelegd over gebeurtenissen die zich in de periode van 2008 tot en met 2014 zouden hebben afgespeeld. [slachtoffer 1] was toen ongeveer drie tot en met tien jaar oud, terwijl hij ten tijde van zijn eerste gesprek met de politie (in Duitsland) bijna zeventien jaar oud was. [slachtoffer 2] was vier tot zes jaar oud ten tijde van de gebeurtenissen en hij sprak voor het eerst met de politie (eveneens in Duitsland) toen hij dertien
jaar oud was.
[slachtoffer 1] heeft in de gesprekken met de politie in Duitsland - en later in Nederland - verklaringen afgelegd over langdurig misbruik door verdachte. Het misbruik bestond er volgens hem uit dat hij de penis van zijn vader moest ‘masseren’ met zijn mond, dat zijn vader zijn penis en een doucheslang in zijn poepgat duwde en dat hij naakt met kabelbinders aan het bed werd vastgebonden terwijl er seksspeeltjes ‘in hem werden gestopt’. Ook zou hij door zijn vader gedwongen zijn om (meermalen per maand wanneer hij bij zijn vader was) in bad het schaamhaar van zijn vader te verwijderen. Wanneer die handeling zijn vader pijn deed werd hij met zijn hoofd met kracht onder water geduwd, aldus [slachtoffer 1] . Hij zou ook door zijn vader (met een hamer) zijn geslagen en geschopt/getrapt zijn en zijn vader zou gewichten aan zijn oogleden en oren hebben gehangen.
[slachtoffer 2] heeft onder meer verklaard dat hij op vierjarige leeftijd door zijn vader, terwijl die schoenen aan had, tegen zijn heup is geschopt. Op een later moment zou zijn vader hem met zijn knie tussen de benen hebben geschopt.
De rechtspsycholoog dr. E. Rassin heeft onderzoek gedaan naar de betrouwbaarheid van de door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] afgelegde verklaringen en de totstandkoming daarvan. Zijn onderzoeksbevindingen heeft hij in een rechtspsychologisch rapport weergegeven. De rechtspsycholoog heeft de vraag naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vertaald naar de volgende onderzoeksvraag: in hoeverre kan worden uitgesloten dat die verklaringen zouden zijn afgelegd indien hun vader (verdachte) zich niet aan de beschuldigingen heeft schuldig gemaakt? Hij concludeert dat niet kan worden uitgesloten dat de verklaring van [slachtoffer 1] over het seksueel misbruik zou zijn afgelegd terwijl verdachte zich niet aan de beschuldigingen schuldig heeft gemaakt. [slachtoffer 1] heeft voor het eerst verklaard over het seksueel misbruik tijdens een psychotherapeutische behandeling. Het is de rechtspsycholoog echter niet duidelijk hoe de initiële disclosure bij de therapeut is verlopen en wat die therapeut heeft gedaan om een en ander boven water te krijgen. Daarom is niet uit te sluiten en – volgens de rechtspsycholoog - zelfs aannemelijk dat [slachtoffer 1] suggestief is bevraagd. Hij stelt daarnaast dat het lange tijdsverloop vanaf de gebeurtenissen waarover de jongens vertellen, nadelig is voor de betrouwbaarheid van hun herinneringen en verklaringen. De gesprekken die [slachtoffer 1] heeft gevoerd met anderen en de therapeutische behandelingen (waaronder EMDR-therapie en fantasietherapie) die hij heeft ondergaan zijn ongunstig voor de betrouwbaarheid, omdat die kunnen leiden tot pseudoherinneringen. Getuigenverklaringen die voortkomen uit een therapeutische setting zijn niet per definitie onjuist, maar omdat de ontstaansgeschiedenis enkele kenmerken bevat die pseudoherinneringen in de hand werken, zijn dergelijke verklaringen onbetrouwbaar en hebben zij primair geen waarheidspretentie, aldus de rechtspsycholoog.
Voor zover [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verklaard hebben over hardhandigheid, pesterijen (koud douchen, cavia onder het T-shirt duwen) en zelfs fysieke mishandeling (schoppen, slaan) geldt volgens de rechtspsycholoog dat die verklaringen ook al eerder door hen zijn geuit en dus authentieker zijn. De deskundige ziet voor dat deel van de verklaringen geen psychologische technieken die helpen bepalen hoe betrouwbaar ze zijn. In het geval van [slachtoffer 2] speelt daarbij wel de zogenoemde infantiele amnesie: van gebeurtenissen voor het vierde levensjaar (ongeveer) blijven geen herinneringen bestaan. Hierdoor is niet uit te sluiten dat hier sprake is van reconstructies in plaats van authentieke herinneringen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de deskundige een deugdelijk gemotiveerd rapport opgemaakt over de verklaringen van zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] , waarin de door hem geformuleerde conclusies steun vinden in de door hem geschetste bevindingen. Gelet hierop is voor de rechtbank voldoende inzichtelijk geworden op grond van welke feiten en omstandigheden de deskundige tot zijn conclusies is gekomen. De rechtbank neemt de bevindingen en de conclusies van de deskundige over en maakt deze tot de hare.
Op grond van deze bevindingen en conclusies oordeelt de rechtbank dat de verklaringen van [slachtoffer 1] over het vermeende seksueel misbruik en de gedeeltelijk daarmee samenvallende mishandelingen door de verdachte onvoldoende betrouwbaar zijn om als bewijsmiddel te gebruiken. Om deze redenen zal de rechtbank de verklaringen van [slachtoffer 1] ten aanzien van het seksueel misbruik buiten beschouwing laten.
Tussenconclusie ten aanzien van feiten 1 primair en subsidiair en 2
Met het buiten beschouwing laten van de verklaringen van [slachtoffer 1] valt de belangrijkste pijler van een eventuele bewijsconstructie weg. Hetgeen zich verder in het dossier bevindt, kan een bewezenverklaring van de ten laste gelegde handelingen niet dragen. Voor zover de officier van justitie zich op het standpunt heeft gesteld dat de verklaring van [slachtoffer 2] de verklaring van [slachtoffer 1] ondersteunt, stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 2] geen geweldshandelingen of seksueel misbruik gepleegd tegen [slachtoffer 1] heeft genoemd en hooguit iets heeft verklaard over door hem gesteld algemeen agressief handelen van verdachte. Dit is onvoldoende om een bewezenverklaring van de met betrekking tot [slachtoffer 1] ten laste gelegde feiten op te stoelen.
Ten aanzien van de feit 3
De door [slachtoffer 2] beschreven handelingen van verdachte worden niet in directe zin door een ander bewijsmiddel ondersteund. Ten aanzien van de betrouwbaarheid van zijn verklaring heeft de deskundige gewezen op het probleem van infantiele amnesie en is niet uit te sluiten dat er sprake is van reconstructie. De rechtbank zal zijn verklaring dan slechts met grote behoedzaamheid kunnen gebruiken en moeten beoordelen of het benodigde steunbewijs aanwezig is.
Als steunbewijs kan gelden de aangifte van de moeder van [slachtoffer 2] , waaruit het feit blijkt dat [slachtoffer 2] reeds in 2015 melding heeft gemaakt van een zogenaamd ‘knietje’ dat hij van verdachte kreeg. Ook deze verklaring komt echter uit dezelfde bron: [slachtoffer 2] . Verder bevat het dossier geen ander bewijsmiddel op basis waarvan zonder redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte zijn zoon [slachtoffer 2] heeft mishandeld. Dat betekent dat ook voor dit feit te weinig bewijs bestaat.
Conclusie
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 1 primair, feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De vordering van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (feiten 2 en 3).

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd.
[slachtoffer 1] vordert een bedrag van € 540,00 ter vergoeding van materiële schade en € 14.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, uitdrukkelijk slechts vanwege de ten laste gelegde mishandeling (feit 2).
[slachtoffer 2] vordert een bedrag van € 14.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vanwege de ten laste gelegde mishandeling (feit 3).
Nu verdachte van de hem onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde feiten zal worden vrijgesproken, worden de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partijen zullen worden verwezen in de kosten door de verdachte in deze strafzaak gemaakt als na te melden.

DE UITSPRAAK

De rechtbank verklaart
niet bewezenhetgeen verdachte onder feit 1 primair, feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3 is ten laste gelegd en
spreekt hem daarvan vrij.
T.a.v. feit 2 en feit 3:
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen tot schadevergoeding en veroordeelt de benadeelde partijen in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vorderingen gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,
mr. C.W.H. Houg en mr. S.V. Vullings, leden,
in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Wentholt, griffier,
en is uitgesproken op 21 januari 2026.