Verdachte werd beschuldigd van seksueel misbruik en mishandeling van zijn oudste zoon en mishandeling van zijn andere zoon in de periode 2008-2014. De zaak kwam voort uit aangiften van de moeder van de jongens en verklaringen van de zoons zelf, die als getuigen werden gehoord.
De rechtbank beoordeelde de betrouwbaarheid van de verklaringen van de zoons kritisch, mede aan de hand van een rechtspsychologisch rapport. Dit rapport concludeerde dat de verklaringen over seksueel misbruik mogelijk suggestief waren verkregen en dat het lange tijdsverloop nadelig was voor de betrouwbaarheid. De verklaringen over mishandeling waren authentieker, maar onvoldoende ondersteund door ander bewijs.
De rechtbank stelde dat de verklaringen van de oudste zoon over seksueel misbruik onvoldoende betrouwbaar waren en dat er onvoldoende steunbewijs was om de beschuldigingen te bewijzen. Ook de verklaringen van de jongste zoon over mishandeling konden niet zonder meer worden aangenomen vanwege het ontbreken van voldoende steunbewijs.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten. De vorderingen van de benadeelde partijen tot schadevergoeding werden niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partijen werden veroordeeld in de proceskosten.