ECLI:NL:RBOBR:2026:3358

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
NL:TZ:0000274803:C001
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing verzoek tot overmaking materiële schadevergoeding aan ouders/bewindvoerders

Ouders en bewindvoerders van betrokkene vragen de kantonrechter om toestemming om € 82.530,68 van de rekening van betrokkene naar hun eigen rekening over te maken. Dit bedrag betreft kosten die zij maakten tijdens de ziekenhuisopname en thuisverpleging na een ernstig ongeval op 24 juli 2024. De kosten omvatten gederfde inkomsten, verblijfskosten, tuinonderhoud, verpleegkosten en misgelopen vakanties.

De verzekeraar keerde in totaal € 92.000 uit, bestaande uit € 65.000 materiële schadevergoeding en € 27.000 smartengeld. Uit de vaststellingsovereenkomst blijkt dat dit bedrag alle materiële en immateriële schade dekt die betrokkene heeft geleden en nog zal lijden. De kantonrechter overweegt dat de door verzoekers opgevoerde kosten grotendeels ook als materiële schade zijn opgevoerd in de onderhandelingen met de verzekeraar.

Daarom wijst de kantonrechter het verzoek gedeeltelijk toe voor € 65.000, het bedrag aan materiële schadevergoeding. Het smartengeld van € 27.000 blijft beschikbaar voor betrokkene zelf, omdat dit een vergoeding is voor immateriële schade die betrokkene heeft geleden. Het verzoek tot overmaking van het volledige bedrag wordt afgewezen.

De kantonrechter verleent de machtiging tot overmaking van maximaal € 65.000 en bepaalt dat deze machtiging wordt verwerkt in de rekening en verantwoording. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: Verzoek tot overmaking van € 65.000 aan materiële schadevergoeding wordt toegewezen, smartengeld van € 27.000 blijft voor betrokkene.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Toezicht
Locatie 's-Hertogenbosch
toezichtnummer
:
NL:TZ:0000274803:C001
CBM-nummer
:
CB42049
beschikkingsnummer
:
2
[initialen griffier]

Beschikking van de kantonrechter van 13 mei 2026

op verzoek van:
[naam] ,
wonende te [adres] ,
en
[naam] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: verzoekers,
met betrekking tot:

[naam] ,geboren te [plaatsnaam] op [datum] ,wonende te [adres]hierna te noemen: betrokkene.

Procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
- het verzoek (met bijlagen), ontvangen op 27 november 2025;
- de nadere informatie, ontvangen op 30 januari 2026;
- de nadere informatie, ontvangen op 14 februari 2026;
- de nadere informatie, ontvangen op 17 februari 2026;
- de nadere informatie, ontvangen op 3 maart 2026;
- de nadere informatie, ontvangen op 23 april 2026;
- de nadere informatie, ontvangen op 6 mei 2026.
De kantonrechter heeft op grond van de ontvangen informatie afgezien van een mondelinge behandeling.

Beoordeling

Verzoekers zijn de ouders én bewindvoerders van betrokkene. Verzoekers vragen machtiging om een bedrag van € 82.530,68 ten laste van het vermogen van betrokkene in rekening te mogen brengen. Aan het verzoek ligt, kort samengevat, het volgende ten grondslag. Door een ernstig ongeval op 24 juli 2024 is betrokkene gewond geraakt, waarna zij in het ziekenhuis is opgenomen en daarna langdurig is verpleegd door haar moeder. De materiële en immateriële schade van het ongeval is door middel van een vaststellingsovereenkomst afgehandeld, waardoor er in totaal een bedrag van € 92.000,00 aan betrokkene is uitgekeerd. In de vaststellingsovereenkomst is het volgende opgenomen; “Wettelijk vertegenwoordiger en verzekeraar komen overeen dat de door belanghebbende geleden en te lijden schade wordt vastgesteld op een bedrag van € 92.000,00. Met dit bedrag vergoedt verzekeraar alle materiële en immateriële schade, die belanghebbende heeft geleden en in de toekomst nog zal lijden.”
Verzoekers vragen om een bedrag van € 82.530,68 over te mogen maken naar hun eigen rekening ter zake de kosten die zij hebben gemaakt tijdens de ziekenhuisopname en thuisverpleging van betrokkene. De kosten die worden gedeclareerd bestaan onder meer uit gederfde inkomsten, verblijfskosten in het ziekenhuis, onderhoud van de tuin van verzoekers, kosten voor verpleging en misgelopen vakanties waarvoor geen toereikende verzekering was afgesloten.
Op verzoek van de kantonrechter is er een verklaring overgelegd door de uitkerende verzekeringsmaatschappij om te kunnen beoordelen welke bedragen door de verzekeringsmaatschappij zijn uitgekeerd en voor welk doel. Uit deze verklaring blijkt dat er uiteindelijk een bedrag van € 65.000,00 aan materiële schadevergoeding is uitgekeerd en een bedrag van € 27.000,00 aan smartengeld.
De kantonrechter overweegt als volgt.
Uit de overgelegde documentatie blijkt dat verzoekers de kosten die zij ten grondslag leggen aan dit verzoek, nagenoeg ook als materiële schade hebben opgevoerd in de onderhandelingen met de verzekeringsmaatschappij die hebben geresulteerd in de vaststellingsovereenkomst. Omdat de uitkerende verzekeringsmaatschappij nagenoeg dezelfde opgave van kosten heeft beoordeeld als die is voorgelegd aan de kantonrechter, ziet de kantonrechter geen grond om af te wijken van het bedrag dat de verzekeringsmaatschappij heeft uitgekeerd aan materiële schadevergoeding, te weten een bedrag van € 65.000,00. Daarnaast is de kantonrechter van oordeel dat het uitgekeerde smartengeld, te weten € 27.000,00, beschikbaar moet blijven voor betrokkene. Het smartengeld betreft immers een vergoeding voor de immateriële schade die betrokkene (en niet verzoekers) heeft geleden en in de toekomst nog zal lijden. De kantonrechter zal daarom het verzoek gedeeltelijk toewijzen, voor een bedrag van € 65.000,00.

Beslissing

De kantonrechter:
- verleent de gevraagde machtiging tot een maximum van € 65.000,00;
- bepaalt dat deze machtiging dient te worden verwerkt in de rekening en verantwoording;
- wijst het meer of anders gevraagde af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.C.E.F. Moulen Janssen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
Tegen deze beschikking kan -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.