ECLI:NL:RBOBR:2026:3363

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
25/2758
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen indicatiebesluit Wmo maatwerkvoorziening 2025 wegens ontbreken procesbelang

Eiser betwist het indicatiebesluit van het college van burgemeester en wethouders van Deurne betreffende de toekenning van de maatwerkvoorziening Begeleiding individueel op grond van de Wmo voor 2025. Hij voert aan dat het college onvoldoende zorg heeft toegekend en dat verlengde jeugdhulp onderzocht had moeten worden.

De rechtbank stelt vast dat het indicatiebesluit over 2025 betrekking heeft op een inmiddels verstreken periode waarin de zorg in natura daadwerkelijk is verleend. Vernietiging van het besluit kan de verleende zorg niet ongedaan maken of uitbreiden. Daarnaast is de situatie van eiser in 2026 wezenlijk veranderd en is een nieuw indicatiebesluit genomen.

De rechtbank concludeert dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit, omdat het resultaat van het beroep geen feitelijke betekenis meer kan hebben. Ook is geen concrete financiële schade gesteld. Het beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het indicatiebesluit Wmo 2025 wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2758

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser, hierna te noemen: [eiser]

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deurne, het college

(gemachtigden: mr. G. Christiaanse en [naam] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van de maatwerkvoorziening Begeleiding individueel voor 520 uur op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) voor de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025. [eiser] is het niet eens met deze toekenning. Hij voert daarover een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank oordeelt dat [eiser] geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit. De maatwerkvoorziening is namelijk toegekend in de vorm van zorg in natura. Die zorg in natura is daadwerkelijk verleend. De periode waarover de maatwerkvoorziening is toegekend is verstreken. Het is onmogelijk die verleende zorg ongedaan te maken of met terugwerkende kracht uit te breiden. Vernietiging van het bestreden besluit – zoals [eiser] heeft gevraagd – zou de aard en de omvang van die zorg dus niet anders kunnen maken. Er zijn ook geen andere redenen om het bestreden besluit toch inhoudelijk te beoordelen. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 17 september 2025 op het bezwaar van [eiser] is het college bij het besluit van 1 mei 2025 gebleven om aan [eiser] de maatwerkvoorziening Begeleiding individueel op grond van de Wmo toe te kennen voor 520 uur voor de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025.
2.1.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en de gemachtigden van het college. Tevens zijn verschenen [naam] , [eiser] moeder, en [naam] , [eiser] voormalige begeleider van de [naam].
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. [eiser] verbleef vanaf 24 oktober 2023 met een indicatie op grond van de Jeugdwet in een woongroep bij de [naam] in [plaats] . Vanwege het feit dat [eiser] op [geboortedatum] 2024 achttien jaar werd heeft het college beoordeeld welke vervolgondersteuning voor hem nodig was. Omdat zelfstandig wonen en terugkeer naar de woning van zijn ouders op dat moment niet mogelijk was heeft het college [eiser] toegeleid naar een traject richting beschermd wonen. De gemeente Helmond voert (in mandaat) de beschermd-wonentrajecten uit voor de gemeente Deurne. De gemeente Helmond heeft een onderzoek gedaan en aan [eiser] bij besluit van 7 juni 2024 een indicatie op grond van de Wmo verstrekt voor de maatwerkvoorziening individuele begeleiding in de vorm van zorg in natura. Deze zorg zou worden geboden door Samenwerkende Zorgboeren Zuid ([naam]) voor 8-10 uur per week in de periode van [geboortedatum] 2024 tot en met 31 december 2024. Dit onder de noemer “Beschermd thuis” omdat – zo begrijpt de rechtbank – in die periode sprake was van een vierentwintig uurs bereikbaarheidscomponent.
3.1.
[eiser] heeft niet officieel bezwaar gemaakt tegen de indicatie van 7 juni 2024. Wel heeft [eiser] in diverse e-mails het college verzocht te onderzoeken of verlengde jeugdhulp mogelijk is. Ook heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen een e-mail van 11 november 2024 waarin het college aangeeft de juiste procedure te hebben gevolgd. Dit betekent volgens het college dat een Wmo-voorziening voorrang heeft op de Jeugdwet omdat [eiser] achttien jaar is geworden. Daarnaast heeft het college er in de e-mail op gewezen dat het aanmeldproces van de Wmo-melding binnen acht weken heeft plaatsgevonden en dat de voorziening met terugwerkende kracht is afgegeven. Volgens het college betekent dit dat de zorg geborgd wordt door een wettelijke voorliggende voorziening, namelijk de Wmo. Het college heeft het bezwaar tegen de e-mail van 11 november 2024 in zijn besluit van 10 februari 2025 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het college baseert dit op het feit dat de e-mail slechts toelichtend van aard is en dus geen rechtsgevolg heeft. Tegen dit besluit heeft [eiser] geen beroep ingesteld. Ook is de termijn inmiddels verstreken waarin beroep kon worden ingesteld. Daarom staat het besluit van 10 februari 2025 in rechte vast.
3.2.
Bij e-mail van 3 december 2024 heeft Pepijn ter Haar, gedragswetenschapper van de [naam], namens [eiser] verzocht om de indicatie voor Beschermd thuis af te schalen naar individuele begeleiding, omdat er geen noodzaak meer was voor de vierentwintig uurs bereikbaarheidscomponent. Op dat moment huurde [eiser] een kamer in de woning van zijn begeleider/mentor en diens gezin. De begeleider/mentor is verbonden aan de [naam]. Naar aanleiding van deze e-mail heeft het college onderzoek gedaan naar [eiser] ondersteuningsbehoefte. Dit onderzoek bestond uit dossieronderzoek, telefonisch contact met de gedragswetenschapper van de [naam], telefonisch contact met de gemeente Helmond, een huisbezoek en een gesprek met [eiser] , [eiser] moeder, drie medewerkers van de [naam] en twee medewerkers van de gemeente Helmond. Op basis van dit onderzoek heeft het college [eiser] een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo verstrekt in de vorm van ‘Begeleiding individueel ontwikkelgericht zware problematiek’, voor 10 uur per week, voor de duur van 1 jaar. Deze voorziening vindt het college passend voor de noodzakelijke ondersteuning. Hierbij is rekening gehouden met de zware problematiek op het terrein van [eiser] psychische gezondheid en het gegeven dat [eiser] zelfinzicht, belastbaarheid en het sociaal netwerk beperkt zijn. Het college ziet geen noodzaak voor voortdurende nabijheid van begeleiding. Deze nabijheid is, gelet op de woonsituatie, wel meestal aanwezig maar niet noodzakelijk.
3.3.
In het besluit van 1 mei 2025 heeft het college aan [eiser] de maatwerkvoorziening Begeleiding individueel op grond van de Wmo toegekend voor 520 uur voor de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025. De voorziening wordt geleverd in de vorm van zorg in natura door Samenwerkende Zorgboeren Zuid.
3.4.
Op 5 juni 2025 hebben [eiser] ouders een gesprek gehad met de wethouder en twee medewerkers van het college. Tijdens dit gesprek hebben [eiser] ouders aangegeven dat zij een verzoek hebben gedaan voor verlengde jeugdhulp met terugwerkende kracht in plaats van een besluit vanuit de Wmo. Daarna hebben de ouders aangegeven het proces en de uitkomst daarvan los te willen laten. De ouders hebben aangegeven dat het aantal toegekende uren momenteel onvoldoende is, waardoor de begeleiding door de begeleider van de [naam] niet kan worden voortgezet en [eiser] niet kan deelnemen aan de groepsactiviteiten. De ouders hebben een verzoek gedaan tot ophoging van het aantal begeleidingsuren tot 20 per week voor een periode van 2 of 3 jaar. Ook hebben [eiser] ouders tijdens het gesprek op 5 juni 2025 benoemd dat [eiser] van april 2024 tot en met december 2024 een woon-zorgbijdrage van € 435,00 per maand heeft moeten betalen, plus € 7,00 per dag voor eten en drinken. De ouders hebben gevraagd of deze kosten met terugwerkende kracht vergoed kunnen worden door het college.
3.5.
Naar aanleiding van het gesprek op 5 juni 2025 heeft het college contact gehad met de begeleider van de [naam]. De begeleider heeft tijdens dit gesprek niet aangegeven dat [eiser] meer ondersteuning nodig heeft dan de 10 uur per week die is toegekend. Wat betreft de groepsactiviteiten is opgemerkt dat deze alleen aangeboden worden aan jongeren die op het terrein van de [naam] verblijven. Omdat [eiser] daar niet woont wordt hij daarvoor niet uitgenodigd. Het contact met de [naam] heeft het college geen aanleiding gegeven om opnieuw naar het aantal toegekende uren te kijken. Het college heeft naar aanleiding van het gesprek van 5 juni 2025 intern onderzocht of er mogelijkheden zijn om de kosten voor het verblijf bij de [naam] te vergoeden, maar het college ziet daar binnen de huidige regelgeving geen mogelijkheden voor.
3.6.
[eiser] heeft gereageerd in een brief van 6 juni 2025. Hierin heeft hij onder meer gevraagd om zijn begeleidingsuren op te hogen naar 20 uur in de week voor een periode van twee of drie jaar. Het college heeft deze brief aangemerkt als een bezwaarschrift tegen het toekenningsbesluit van 1 mei 2025.
3.7.
[eiser] bezwaar is behandeld door de Commissie Bezwaarschriften voor gemeente Deurne. De Commissie Bezwaarschriften heeft het college geadviseerd het bezwaar van [eiser] ongegrond te verklaren. De Commissie vindt dat het besluit van 1 mei 2025 op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en op goede gronden is genomen. De bezwaren die [eiser] heeft aangevoerd zijn volgens de Commissie Bezwaarschriften ongegrond. Het is de Commissie Bezwaarschriften niet gebleken dat de Wmo-indicatie ontoereikend is, omdat tijdens de hoorzitting is vermeld dat de 10 uur begeleiding in het kader van de Wmo op dit moment voldoende is. De omvang van de toegekende ondersteuning (zware ondersteuningsbehoefte) valt volgens de Commissie Bezwaarschriften buiten de reguliere bandbreedte zoals opgenomen in de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning 2020 van de gemeente Deurne, maar is bepaald conform het Handboek Normenkader 2.0. De Commissie Bezwaarschriften is van mening dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het toekennen van 10 uur begeleiding, wat behoort tot de hoogste categorie, gelet op de aard en intensiteit van de ondersteuningsbehoefte.
Het bestreden besluit
4. Bij het besluit op bezwaar van 17 september 2025 heeft het college, in navolging van het advies van de Commissie Bezwaarschriften, [eiser] bezwaar ongegrond verklaard.
De beroepsgronden
5. [eiser] pleit voor passende zorg, omdat het college hem en zijn ouders onvoldoende heeft begeleid in de periode dat hij de leeftijd van achttien jaar bereikte. Volgens [eiser] heeft het college keer op keer onvoldoende zorg toegekend. [eiser] vraagt de rechtbank naar de feiten te kijken, maar ook naar de gevolgen van het proces. [eiser] stelt dat niet is onderzocht of verlengde jeugdhulp in zijn geval mogelijk was geweest, in plaats van hulp op grond van de Wmo. [eiser] doet een beroep op een eerlijk proces met als eis verlengde jeugdhulp totdat hij de leeftijd van 23 jaar heeft bereikt of totdat hij de tools in zelfredzaamheid heeft geleerd zodat hij weer terug kan keren naar zijn ouders. [eiser] geeft aan dat hij inmiddels weer in een groeiproces zit en hij behandeling krijgt voor zijn trauma’s. Ook werkt hij weer toe naar een opleiding. Dit proces komt door de fijne plek (ten tijde van het instellen van beroep bij een leefgezin) die hem samen met zijn ouders aansturen, begeleiden, motiveren en ondersteunen naar een zelfredzaam volwassen man. Mocht hij om gegronde redenen niet onder de Jeugdwet vallen dan moeten volgens [eiser] de uren worden opgeplust.
Toetsingskader
6. De rechtbank moet ambtshalve de vraag beantwoorden of [eiser] procesbelang heeft. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep [1] is pas sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden.
6.1.
De rechtbank komt tot de conclusie dat [eiser] geen procesbelang heeft. Hiervoor is allereerst relevant dat sprake is van een periode die al is verstreken. Het in deze procedure bestreden besluit gaat immers over een afgesloten periode in het verleden, namelijk van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025. [eiser] heeft in deze periode begeleiding van de [naam] ontvangen. Die zorg kan niet met terugwerkende kracht worden gewijzigd of uitgebreid. Vervolgens is relevant dat een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit niet van belang is voor een toekomstige periode. Het college heeft in het verweerschrift aangegeven dat inmiddels een indicatiebesluit is afgegeven over 2026. In dat besluit is voor het jaar 2026 vier uur per week begeleiding toegekend. Dit is een stuk lager dan in 2025, omdat de situatie inmiddels wezenlijk is veranderd. [eiser] woont – zoals ook tijdens de zitting is bevestigd – weer bij zijn ouders en ontvangt daar ambulante begeleiding door een nieuwe aanbieder. Omdat de situatie van [eiser] zo is gewijzigd maakt een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit geen verschil meer voor de situatie vanaf 2026. Verder is niet gebleken dat een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit nodig is in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding. [eiser] en zijn ouders hebben namelijk niet betoogd dat zij concrete financiële schade hebben geleden door de indicatie voor het jaar 2025, zoals die bij het besluit van 1 mei 2025 is toegekend.
6.2.
[eiser] moeder heeft tijdens de zitting bij de rechtbank verteld dat de keuze voor de maatwerkvoorziening beschermd thuis voor 8-10 uur per week in de periode van april 2024 tot en met december 2024 niet met haar en haar echtgenoot is besproken, en dat zij het daar ook niet mee eens waren. [eiser] heeft – zo stelt moeder – door de keuze voor een Wmo-maatwerkvoorziening niet de mogelijkheid gehad rustig de ontwikkeling naar volwassenheid door te maken en dat hij financiële problemen kreeg doordat hij vanaf zijn achttiende verjaardag huur en maaltijdkosten moest betalen. De rechtbank overweegt hierover dat deze kritiek van de moeder van [eiser] gaat over de handelwijze van het college in de periode van april 2024 tot en met december 2024. Die periode valt buiten de periode van het geschil in deze zaak. Die periode is immers de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025. Ook dat is dus geen reden om een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit te geven.
6.3.
[eiser] moeder heeft tijdens de zitting ook aangegeven dat zij teleurgesteld is in het gebrek aan samenwerking met het college. Zij had graag gezien dat [eiser] in alle rust zijn opleiding had kunnen afmaken, maar in plaats daarvan heeft het college meteen ingezet op zelfstandigheid, ook in financieel opzicht. Het college lijkt niet te willen inzien dat [eiser] meer tijd voor die ontwikkeling nodig had en daarvoor was volgens moeder een langere periode zorg onder de Jeugdwet nodig. De rechtbank kan zich de teleurstelling van moeder heel goed indenken, maar het blijft zo dat die keuze is gemaakt bij het bereiken van de achttienjarige leeftijd van [eiser] , en dat was in april 2024. [eiser] heeft tegen het besluit van 7 juni 2024 over die periode geen bezwaar gemaakt. Daarmee is het besluit over 2024 vast komen staan. Het bestreden besluit gaat, zoals hiervoor al toegelicht, over het jaar 2025. In dit verband kan de rechtbank niet alsnog een oordeel geven over het besluit over 2024. Het betoog van moeder leidt de rechtbank dus niet tot een ander oordeel.
6.4.
Gelet op het voorgaande kan een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit geen feitelijke betekenis meer hebben voor [eiser] . Dit betekent dat [eiser] geen procesbelang heeft en het beroep dus niet-ontvankelijk is.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is niet-ontvankelijk. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, voorzitter, en
mr. S.A.J. de Jong-Nibourg en mr. S.W.A.M.M. Delauw, leden, in aanwezigheid van drs. M.T. Petersen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.
de voorzitter is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen.
griffier
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887