ECLI:NL:RBOBR:2026:337

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
C/01/25/305 F
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen faillissementsvonnis in het faillissement van een ondernemer met verdenking van drugsgerelateerde activiteiten

In deze zaak heeft de Rechtbank Oost-Brabant op 21 januari 2026 uitspraak gedaan in een verzet tegen een faillissementsvonnis. De opposant, een ondernemer die in november 2025 failliet was verklaard, heeft verzet aangetekend tegen deze faillietverklaring. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opposant niet in een toestand verkeert waarin hij heeft opgehouden te betalen, maar dat de vorderingen van de geopposeerden nog steeds bestaan. De opposant heeft aangevoerd dat de vorderingen met instemming zullen worden voldaan met gelden die door ABN Amrobank N.V. zijn overgemaakt naar de faillissementsrekening. De geopposeerden hebben echter betwist dat deze vorderingen zijn voldaan en hebben gesteld dat er geen zekerheid is voor betaling. De curator heeft aangegeven niet akkoord te gaan met de vernietiging van het vonnis tot faillietverklaring, mede vanwege de omvang van de schuldenlast en de verdenking van de opposant van betrokkenheid bij een drugsgerelateerd delict. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de gronden voor faillietverklaring nog steeds aanwezig zijn en heeft het verzet ongegrond verklaard. De rechtbank heeft ook opgemerkt dat in situaties waarin de gefailleerde wordt verdacht van criminele activiteiten, elk vermogensbestanddeel een niet-legale herkomst kan hebben, wat de curator begrijpelijkerwijs terughoudend maakt in het verlenen van medewerking aan de vernietiging van het faillissementsvonnis.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Toezicht
Rekestnummer: C/01/420063 / FT RK 25/595
Faillissementsnummer: C/01/25/305 F
Uitspraakdatum: 21 januari 2026
Ongegrond na gedaan verzet ex artikel 8 lid 2 van de Faillissementswet
In het faillissement van:
[naam] ,
geboren op [geboortedag] 1984 te [geboorteplaats] ,
handelende onder de naam [naam] ,
wonende en zaakdoende te [plaats] , [adres] ,
ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] ,
hierna te noemen: opposant,
tegen
STICHTING BEDRIJFSTAKPENSIOENFONDS VOOR HET BEROEPSVERVOER OVER DE WEG,
statutair gevestigd te Amsterdam,
en
STICHTING OPLEIDINGS- EN ONTWIKKELINGSFONDS VOOR HET BEROEPSGOEDERENVERVOER OVER DE WEG EN DE VERHUUR VAN MOBIELE KRANEN (SOOB),
statutair gevestigd te Amsterdam,
beiden hierna te noemen: geopposeerden.

1.Het procesverloop

1.1.
Bij vonnis van deze rechtbank van 11 november 2025 is opposant op verzoek van geopposeerden in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. C.A.M. de Bruijn tot rechter-commissaris en aanstelling van mr. D.A.A.P. de Jong, advocaat te Eindhoven tot curator.
1.2.
Op 24 november 2025 is door advocaat mr. D.M. Lamers namens opposant ex artikel 8 lid 2 van de Faillissementswet (Fw) per e-mail een verzoekschrift ingediend strekkende tot vernietiging van voormeld vonnis. Dit verzoekschrift is op 28 november 2025 tevens per post op de griffie ontvangen.
1.3.
De rechtbank heeft ambtshalve kennis genomen van het ter griffie aanwezige
dossier met het nummer C/01/25/305 F, betreffende het faillissement.
1.4.
Mr. S. Tuithof, advocaat te Haarlem, heeft bij e-mail van 14 januari 2026 de rechtbank namens geopposeerden bericht dat niemand namens hen op zitting zal verschijnen.
1.5.
Het verzoekschrift is op 14 januari 2026 door de rechtbank op zitting behandeld. Daarbij is verschenen mr. Lamers voor [naam] alsmede de curator.

2.De gronden van verzet en het verweer

2.1.
Opposant legt aan zijn verzet ten grondslag dat hij niet verkeert in een toestand van te hebben opgehouden te betalen. Daarbij neemt hij – kort en zakelijk weergegeven – in aanmerking dat de vorderingen van geopposeerden met hun instemming zullen worden voldaan met de gelden die door ABN Amrobank N.V. vanaf de bankrekening van opposant zijn overgemaakt naar de faillissementsrekening.
2.2.
Mr. Tuithof heeft bij e-mail van 14 januari 2026 namens geopposeerden in reactie op het verzet – kort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.
De hiervoor genoemde vorderingen zijn niet voldaan en niet is gebleken dat voldoende zekerheid voor betaling van deze vorderingen is gesteld. Het faillissement dient daarom in stand te blijven. Als er wel zekerheid is dat de vorderingen van geopposeerden en de kosten van de curator zullen worden betaald, dan kan het vonnis tot faillietverklaring worden vernietigd.
2.3.
De curator heeft op zitting aangegeven niet te willen toezeggen dat hij bij vernietiging van het vonnis tot faillietverklaring zijn medewerking zal verlenen aan de betaling van de vorderingen van geopposeerden met de op de faillissementsrekening van ABN Amrobank N.V. ontvangen gelden. Daartoe voert de curator aan dat hij niet akkoord is met eventuele vernietiging van het vonnis tot faillietverklaring. Daarbij neemt hij enerzijds in aanmerking de omvang van de schuldenlast van opposant in verhouding tot het actief van de faillissementsboedel. Anderzijds wijst de curator op het feit dat opposant op dit moment in voorlopige hechtenis zit vanwege verdenking van betrokkenheid bij een drugs gerelateerd delict. Vanwege die verdenking heeft het Openbaar Ministerie drie vrachtwagens van het transportbedrijf van opposant in beslag genomen. De curator geeft hierbij aan niets te kunnen uitsluiten wat betreft de herkomst van de door ABN Amrobank N.V. naar de faillissementsrekening overgemaakte gelden.

3.De beoordeling

3.1.
Met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad van 5 juni 2015
(ECLI:NL:HR:2015:1473) dient naar de huidige stand van zaken de vraag te worden beantwoord of de hoofdvordering, die aan het verzoek tot faillietverklaring van opposant ten grondslag is gelegd, nog bestaat alsmede of opposant verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen. Deze vraag dient bevestigend te worden beantwoord. Daarbij neemt de rechtbank het navolgende in aanmerking.
3.2.
De rechtbank is uit het gehouden verhoor summierlijk gebleken van het bestaan van het vorderingsrecht van geopposeerden alsmede van de omstandigheid dat opposant ten tijde van het uitspreken van het faillissement verkeerde in de toestand van te hebben opgehouden te betalen, terwijl in die situatie nadien geen wijziging is gekomen. Het staat immers vast dat de opeisbare vorderingen van geopposeerden nog steeds bestaan en dat door de curator of derden geen zekerheid wordt gegeven voor betaling van deze vorderingen bij vernietiging van het vonnis tot faillietverklaring. Verder zijn na het vonnis tot faillietverklaring meerdere vorderingen ter verificatie ingediend.
3.3.
Dit leidt tot de conclusie dat gronden voor faillietverklaring ook op dit moment nog aanwezig zijn. De rechtbank zal daarom hierna het verzet ongegrond verklaren.
Overweging ten overvloede
3.4.
De rechtbank overweegt ten overvloede nog dat in een situatie als deze, waarbij gefailleerde wordt verdacht van betrokkenheid bij een drugs gerelateerd delict, potentieel elk vermogensbestanddeel een niet legale herkomst kan hebben. Tegen die achtergrond acht de rechtbank het begrijpelijk dat de curator niet zijn medewerking verleent aan vernietiging van het vonnis tot faillietverklaring.

4.Beslissing:

De rechtbank,
verklaart het verzet ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door S.C.E.F. Moulen Janssen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank van heden 21 januari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier. [1]