ECLI:NL:RBOBR:2026:3403

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
12046350 \ CV EXPL 26-194
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:233 BWArt. 6:237 BWArt. 6:248 BWArt. 6:74 BWArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke vernietiging overeenkomst en vermindering betalingsverplichting consument wegens oneerlijke bedingen

In deze bodemzaak tussen ELBUCO B.V. en een consument oordeelt de kantonrechter dat de handelaar niet heeft voldaan aan haar informatieverplichtingen over levering, duur van de overeenkomst en opzegtermijn. Hierdoor wordt de betalingsverplichting van de consument met 20% verminderd conform de sanctierichtlijn.

Daarnaast worden diverse bedingen in de algemene voorwaarden vernietigd omdat zij oneerlijk zijn. Het beding over de vervangingswaarde fixeert de schade op omzet en leasetermijnen in plaats van de daadwerkelijke restwaarde van de gehuurde apparatuur, wat niet acceptabel is. Ook het beding over schadevergoeding voor gederfde huur is niet gerechtvaardigd en wordt afgewezen. Verder worden de buitengerechtelijke incassokosten niet toegewezen omdat de handelaar contractueel afwijkt van de wettelijke regeling in het nadeel van de consument.

De kantonrechter wijst de vordering toe tot een bedrag van €246,14, zijnde 80% van de hoofdsom, en kent wettelijke rente toe vanaf 17 december 2025. De consument wordt veroordeeld in de proceskosten, die lager worden vastgesteld dan gevorderd vanwege de lagere toegewezen hoofdsom. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Betalingsverplichting consument verminderd met 20% en oneerlijke bedingen vernietigd, vordering gedeeltelijk toegewezen tot €246,14 plus rente.

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Zaaknummer: 12046350 \ CV EXPL 26-194
Vonnis van 7 mei 2026
in de zaak van
ELBUCO B.V.,
gevestigd te Culemborg,
eisende partij,
gemachtigde: Janssen & Janssen Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De verdere procedure

1.1.
Op 19 maart 2026 heeft de kantonrechter een tussenvonnis (hierna verder: het tussenvonnis) gewezen. Voor het verloop van de procedure wordt naar het tussenvonnis verwezen.
1.2.
Bij akte van 16 april 2026 heeft eisende partij haar vordering nader toegelicht.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Al hetgeen in het tussenvonnis is overwogen en beslist wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.
2.2.
De kantonrechter ziet geen aanleiding terug te komen op het voornemen om de overeenkomst met toepassing van de sanctierichtlijn gedeeltelijk vernietigen, in die zin dat de betalingsverplichting van de consument met 20% wordt verminderd.
2.3.
De kantonrechter ziet daarnaast ook geen aanleiding terug te komen op het voornemen om de in het tussenvonnis genoemde bedingen te vernietigen omdat deze bedingen oneerlijk zijn en gaat daarom tot vernietiging van de bedingen over. De vorderingen die op die oneerlijke bedingen zijn of kunnen worden gebaseerd, worden afgewezen. De kantonrechter licht dat nog als volgt toe.
de (bedongen) vervangingswaarde
2.4.
Voor wat betreft de gevorderde bedongen vervangingswaarde (artikel 10.2 van de algemene voorwaarden) wordt overwogen dat het beding de schade fixeert op de omzet (huurprijs inclusief btw) en de resterende leasetermijnen, en niet op de daadwerkelijke waarde van de gehuurde apparatuur. De kantonrechter is van oordeel dat in het geval de consument de gehuurde apparatuur niet teruggeeft of, zoals in onderhavige casus, eisende partij haar vordering tot teruggave van het product omzet in een vordering tot schadevergoeding, de daadwerkelijke restwaarde van het product moet worden vergoed, niet een door eisende partij zelf vast te stellen waarde. Daarbij wordt nog opgemerkt dat de stelling van eisende partij dat zij de vervangingswaarde slechts in rekening brengt als de consument het gehuurde product niet teruggeeft, niet te rijmen is met de wijze waarop eisende partij feitelijk opereert. Op grond van artikel 10.2 van de algemene voorwaarden is de consument de bedongen vervangingswaarde verschuldigd als hij het product niet binnen acht dagen na beëindiging van de huurovereenkomst retourneert. Eisende partij heeft in de sommatiebrief d.d. 2 juli 2025 een ontbindingsverklaring én een omzettingsverklaring gedaan. Daarmee heeft eisende partij gedaagde partij dus geen termijn van acht dagen gegund, maar direct aanspraak gemaakt op de bedongen vervangingswaarde als vervangende schadevergoeding. Eisende partij handelt dus in strijd met haar eigen algemene voorwaarden. Daarbij is volstrekt onduidelijk waarom eisende partij heeft getracht om het gehuurde product op te halen, terwijl voor afgifte na omzetting geen grond meer bestond, en daarvoor bovendien kosten in rekening brengt. Eisende partij handelt daarmee dus ook in strijd met haar eigen beroep op omzetting. Kennelijk probeert eisende partij in het buitengerechtelijke traject aanspraak te maken op zowel teruggave van het gehuurde product als op vergoeding van de vervangingswaarde. Deze handelswijze laat zich evenmin rijmen met de stelling van eisende partij dat zij altijd bereid is om met de consument naar een oplossing te zoeken indien zich betalingsproblemen voordoen.
2.5.
Eisende partij heeft klaarblijkelijk desgevraagd geen informatie willen geven over de waarde van het gehuurde product. De kantonrechter zal daaraan de consequentie verbinden dat de waarde wordt vastgesteld op nihil, mede tegen de achtergrond dat hij over onvoldoende aanknopingspunten beschikt om de schade te begroten. Behalve een typenummer is over het gehuurde product zelf niets gesteld. De vordering zal op dit punt daarom volledig worden afgewezen.
de (bedongen) schadevergoeding voor gederfde huur (winst)
2.6.
Zoals al in het tussenvonnis is overwogen, volgt uit het Rapport Ambtshalve Toetsing III niet dat artikel 9.6 sub b van de algemene voorwaarden niet oneerlijk is.
Eisende partij heeft geen nieuwe of andere argumenten gegeven, anders dan opnieuw te verwijzen naar het rapport. Zij is ook niet ingegaan op de overwegingen in het tussenvonnis dat het in het rapport genoemde percentage specifiek ziet op de afdoening van telefoonzaken en niet op de verhuur van roerende zaken, zoals in deze zaak aan de orde is. Wat daar ook van zij, eisende partij heeft geen enkele rechtvaardiging gegeven voor het in rekening brengen van 50% over de resterende termijnen als schadevergoeding vanwege gederfde winst bij ontbinding van de huurovereenkomst. De vordering zal op dit punt daarom worden afgewezen.
de buitengerechtelijke incassokosten
2.7.
Zoals al in het tussenvonnis is overwogen, is voor de beoordeling van het incassokostenbeding niet relevant dat eisende partij zich naar eigen zeggen aan de wettelijke regeling houdt en de vordering op de wet baseert. Eisende partij heeft met artikel 6.4 sub b en artikel 6.5 van de algemene voorwaarden immers contractueel de mogelijkheid om in het nadeel van de consument aanzienlijk af te wijken van de wettelijke bepaling. De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal daarom worden afgewezen.
de slotsom
2.8.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat een bedrag van € 246,14 aan hoofdsom zal worden toegewezen (80% van € 307,68). De kantonrechter is in dit verband uitgegaan van de bedragen die onder “Niet betaalde termijnen” in de dagvaarding zijn genoemd, met uitzondering van het bedrag van € 1.189,08 dat ziet op de voortijdige beëindiging van de overeenkomst.
2.9.
De gevorderde wettelijke rente zal worden afgewezen, omdat eisende partij die rente (gelet op de toewijsbare hoofdsom) over een te hoog bedrag heeft berekend. De wettelijke rente zal worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf 17 december 2025.
2.10.
Het (primair) gevorderde zal worden toegewezen met inachtneming van het bovenstaande en de overwegingen in het tussenvonnis. Gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst laat de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten van de consument onverlet. Daarmee blijft de rechtsgrond voor door de handelaar op grond van de overeenkomst tegenover de consument verrichte prestaties in stand. Uit het arrest van de Hoge Raad van 4 oktober 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1366) volgt dat in geval van gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst als gevolg van de schending van informatieverplichtingen de vordering van de handelaar niet op een andere (subsidiaire) grondslag alsnog volledig kan worden toegewezen.
de proceskosten
2.11.
Hoewel een groot deel van de vordering wordt afgewezen, is eisende partij niet ten onrechte tot dagvaarding overgegaan. Gedaagde partij wordt in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Het te vergoeden griffierecht zal lager worden vastgesteld dan het door eisende partij betaalde griffierecht, omdat de toegewezen hoofdsom in een lagere tariefcategorie valt dan de gevorderde hoofdsom. De nakosten worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt gedaagde partij tot betaling aan eisende partij van het bedrag van € 246,14, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 17 december 2025 tot de dag van betaling;
3.2.
veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten, aan de kant van eisende partij tot vandaag begroot op:
- € 120,78 wegens dagvaardingskosten;
- € 139,00 wegens griffierecht;
- € 43,00 wegens salaris gemachtigde (niet met btw belast);
- € 21,50 wegens nakosten, te vermeerderen met de eventuele explootkosten van de betekening van het vonnis;
3.3.
verklaart dit vonnis waar het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.A. Donkersloot, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026.