Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:3423

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
01/114223/25
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f SrArt. 57 SrArt. 60a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanmerkelijk onvoorzichtig handelen met zwaar vuurwerk leidt tot ontploffing en ernstige letsels

Op 31 december 2024 veroorzaakte verdachte in Reusel een ontploffing door het onzorgvuldig afsteken van zwaar illegaal vuurwerk nabij een tas met shells. Hierbij ontstond gemeen gevaar voor omliggende woningen, auto's en meerdere personen, waaronder een veertienjarige jongen, die ernstig gewond raakten.

Verdachte was onder invloed van harddrugs en alcohol en handelde aanmerkelijk onvoorzichtig door het vuurwerk af te steken terwijl het waaide en zonder controle op stabiliteit. Hij was bekend met illegaal vuurwerk en bevond zich in een groep vuurwerkfanaten. Verdachte erkende schuld en toonde oprechte spijt.

De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte schuld had aan de ontploffing en veroordeelde hem tot een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. Daarnaast werden schadevergoedingen toegekend aan zes benadeelden, variërend van materiële tot immateriële schade, met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank wees meerdere vorderingen af wegens onvoldoende onderbouwing of onevenredige belasting van het strafgeding. Verdachte werd veroordeeld in proceskosten en de schadevergoedingsmaatregelen zijn gekoppeld aan gijzelingstermijnen bij niet-betaling.

Het vonnis weerspiegelt de ernst van het feit, de gevolgen voor slachtoffers en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn eerdere veroordeling en posttraumatische stressstoornis.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 180 uur taakstraf en betaling van schadevergoedingen aan meerdere slachtoffers wegens aanmerkelijk onvoorzichtig handelen met zwaar vuurwerk.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.114223.25
Datum uitspraak: 21 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1989] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,
wonende te [woonplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 24 februari 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 31 december 2024 te Reusel, gemeente Reusel-De Mierden, in elk geval in Nederland,
grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam
- een tas gevuld met onder meer shells, althans een tas gevuld met (zwaar) vuurwerk, mee heeft genomen en/of
- voornoemde tas (vervolgens) neer heeft gelegd in de buurt van ander (zwaar) vuurwerk en/of een vuurton, in elk geval neer heeft gelegd op een plek die niet veilig was, en/of
- een stuk (zwaar) vuurwerk heeft aangestoken (terwijl het waaide) en/of niet heeft gecontroleerd of dat stuk (zwaar) vuurwerk wel stabiel stond en/of waardoor dat aangestoken stuk (zwaar) vuurwerk in aanraking is gekomen met voornoemde tas gevuld met onder meer shells, in elk geval met ander (zwaar) vuurwerk, in elk geval open vuur in aanraking heeft gebracht met een of meer brandba(a)r(e) en/of explosie(f)ve voorwerp(en),
ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat die tas gevuld met onder meer shells, althans een tas gevuld met (zwaar) vuurwerk, geheel of gedeeltelijk is ontploft/geëxplodeerd, in elk geval dat een ontploffing teweeg is gebracht en/of plaatsvond, aan de Molenakker,
en daardoor gemeen gevaar voor goederen, te weten:
de omliggende woning(en) op/aan de Molenakker, te weten onder meer:
- de woning gelegen aan de [adres 1] , bewoner: [slachtoffer 13] en/of
- de woning gelegen aan de [adres 2] , bewoner: [slachtoffer 2] en/of
- de woning gelegen aan de [adres 3] , bewoners: [slachtoffer 5] en/of [naam 4] en/of
- de woning gelegen aan de [adres 4] , bewoner: [slachtoffer 1] en/of
- de woning gelegen aan de [adres 5] , bewoners: [slachtoffer 4] en/of [naam 7] en/of toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of
- de woning gelegen aan de [adres 6] , bewoner: [slachtoffer 7] en/of
- de woning gelegen aan de [adres 7] , bewoner: [slachtoffer 6]
en/of
rondom geparkeerde auto(‘s) op/aan de Molenakker
en/of
andere zich in de nabijheid bevindende goederen op/aan de Molenakker,
in elk geval gemeen gevaar voor goederen, ontstond
en/of
levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor één of meerdere perso(o)n(en) die zich op/nabij de straat de Molenakker bevonden, te weten:
[slachtoffer 8] en/of
[slachtoffer 9] en/of
[slachtoffer 10] en/of
[slachtoffer 16] en/of
[slachtoffer 12]
en/of zich in de omliggende woning(en) bevindende perso(o)n(en),
in elk geval levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, ontstond.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen te verklaren, in die zin dat sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig handelen waardoor gemeen gevaar voor goederen is ontstaan en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor meerdere personen.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft zich voor wat betreft een bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte heeft het ten laste gelegde bekend.
Het oordeel van de rechtbank. [1]
De rechtbank volstaat, gelet op artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering met de volgende opgave van bewijsmiddelen, aangezien verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en er geen vrijspraak is bepleit.
  • proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] d.d. 1 januari 2025, dossierpagina 73-74;
  • proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict (Molenakker Reusel) opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] d.d. 23 februari 2025, dossierpagina 11 en 13-16;
  • medische informatie van het Radboud UMC, Amalia kinderziekenhuis d.d. 14 januari 2025, opgemaakt door dr. M. Backer, Kinderchirurg en dr. S. Nelen, traumachirurg, dossierpagina 84-88;
  • proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 8] opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4] d.d. 3 januari 2025, dossierpagina 92-93;
  • proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 9] , opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] d.d. 2 januari 2025, dossierpagina 112-113;
  • proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 10] , opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] d.d. 3 januari 2025, dossierpagina 122;
  • proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 16] , opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 9] d.d. 3 januari 2025, dossierpagina 190;
  • proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 12] , opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 14] en [verbalisant 15] d.d. 3 januari 2025, dossierpagina 201;
  • proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 13] , opgemaakt door verbalisant [verbalisant 10] d.d. 4 februari 2025, dossierpagina 218, en proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 13] , opgemaakt door verbalisant [verbalisant 6] d.d. 2 januari 2025, dossierpagina 220;
  • proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , opgemaakt door verbalisant [verbalisant 10] d.d. 10 maart 2025, dossierpagina 243;
  • proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] , opgemaakt door verbalisant [verbalisant 10] d.d. 11 maart 2025, dossierpagina 236, proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 5] , opgemaakt door verbalisant [verbalisant 16] d.d. 21 januari 2025 en proces-verbaal van verhoor getuige [naam 4] , opgemaakt door verbalisant [verbalisant 6] d.d. 3 januari 2025, dossierpagina 240;
  • proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , opgemaakt door verbalisant [verbalisant 10] d.d. 11 februari 2025, dossierpagina 223;
  • proces-verbaal opgemaakt door verbalisant [verbalisant 11] , dossierpagina 8, proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 14] , opgemaakt door verbalisant [verbalisant 11] d.d. 4 februari 2025, dossierpagina 203, en proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , opgemaakt door verbalisant [verbalisant 10] , dossierpagina 214;
  • proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 15] , opgemaakt door verbalisant [verbalisant 10] d.d. 11 februari 2025, dossierpagina 228;
  • proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 6] , opgemaakt door verbalisant [verbalisant 12] d.d. 22 januari 2025, dossierpagina 232-233;
  • proces-verbaal van verhoor verdachte opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 13] en [verbalisant 8] d.d. 8 januari 2025, dossierpagina 304-307 en 311;
  • verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 7 mei 2026.
Bewijsoverweging
In het algemeen geldt dat onder ‘schuld’ als delictsbestanddeel van artikel 158 van Pro het Wetboek van Strafrecht een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan. Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Vereist is een objectief en voorzienbaar risico. Het gaat om verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid, of verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddeld andere persoon.
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen komen vast te staan dat verdachte zwaar illegaal vuurwerk, namelijk shells, bij zich had in een rugtas. Verdachte is bekend met de werking van dit vuurwerk, aangezien hij (illegaal) vuurwerk als hobby heeft, en weet dus hoe het vuurwerk na aansteken reageert en welke schade dit kan aanrichten. Deze rugtas heeft verdachte neergezet in de nabijheid, op slechts enkele meters, van een plaats waar hij een sierpot ging aansteken en waar ook door anderen (zwaar en illegaal) vuurwerk werd afgestoken. Hij wist dat anderen dit zware vuurwerk bij zich hadden. Verdachte was onder invloed van harddrugs en alcohol, wat het waarnemings- en reactievermogen aantast. Verdachte wist verder dat er zich personen, waaronder minderjarigen, tussen en nabij de rugtas en de afsteekplaats bevonden. Hij wist ook dat het die avond waaide en dat bij het afsteken extra voorzichtigheid moest worden betracht vanwege mogelijke instabiliteit van het vuurwerk. Verdachte had er onder deze omstandigheden rekening mee kunnen en moeten houden dat de sierpot om zou kunnen vallen en het vuurwerk alle kanten op zou kunnen schieten, ook richting omstanders en zijn rugzak met daarin de shells. De rechtbank is van oordeel dat verdachte gelet op vorenstaande aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven genoemde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
op 31 december 2024 te Reusel, gemeente Reusel-De Mierden, aanmerkelijk onvoorzichtig
- een tas gevuld met onder meer shells mee heeft genomen en
- voornoemde tas vervolgens neer heeft gelegd in de buurt van ander zwaar vuurwerk en een vuurton en
- een stuk zwaar vuurwerk heeft aangestoken terwijl het waaide en niet heeft gecontroleerd of dat stuk zwaar vuurwerk wel stabiel stond en waardoor dat aangestoken stuk zwaar vuurwerk in aanraking is gekomen met voornoemde tas gevuld met onder meer shells,
ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat die tas gevuld met onder meer shells geheel of gedeeltelijk is ontploft/geëxplodeerd aan de Molenakker,
en daardoor gemeen gevaar voor goederen, te weten:
de omliggende woningen aan de Molenakker, te weten onder meer:
- de woning gelegen aan de [adres 1] , bewoner: [slachtoffer 13] en
- de woning gelegen aan de [adres 2] , bewoner: [slachtoffer 2] en
- de woning gelegen aan de [adres 3] , bewoners: [slachtoffer 5] en [naam 4] en
- de woning gelegen aan de [adres 4] , bewoner: [slachtoffer 1] en
- de woning gelegen aan de [adres 5] , bewoners: [slachtoffer 4] en [naam 7] en toebehorende aan [slachtoffer 3] en
- de woning gelegen aan de [adres 6] , bewoner: [slachtoffer 7] en
- de woning gelegen aan de [adres 7] , bewoner: [slachtoffer 6]
en
rondom geparkeerde auto‘s aan de Molenakker
en
andere zich in de nabijheid bevindende goederen aan de Molenakker,
en
levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor meerdere personen die zich op/nabij de straat de Molenakker bevonden, te weten:
[slachtoffer 8] en
[slachtoffer 9] en
[slachtoffer 10] en
[slachtoffer 16] en
[slachtoffer 12]
en zich in de omliggende woningen bevindende personen,
ontstond.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte een werkstraf op te leggen voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft primair verzocht te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf en subsidiair met een geheel voorwaardelijke werkstraf.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat een gevangenisstraf verstrekkende gevolgen zou hebben voor verdachte. Hij zou dan zijn werk kwijtraken en daarnaast draagt hij de zorg voor zijn moeder met COPD, met wie het momenteel niet goed gaat.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing door aanmerkelijk onvoorzichtig om te gaan met het afsteken van vuurwerk dichtbij (een rugzak gevuld met) zwaar en illegaal vuurwerk. De gevolgen van de ontploffing waren groot. Meerdere personen, waaronder een veertienjarige jongen, zijn ernstig gewond geraakt en er is schade veroorzaakt aan diverse omliggende woningen en auto’s. De verwondingen bij de slachtoffers waren dusdanig ernstig, dat zij voor de rest van hun leven de littekens daarvan zullen dragen en dus geconfronteerd zullen blijven met deze gebeurtenis.
De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met de omstandigheid dat verdachte illegaal vuurwerk als hobby had. Hij maakte deel uit van een Whatsappgroep waarin de aanschaf van illegaal vuurwerk werd besproken en ervaringen werden gedeeld over het zelf fabriceren ervan. Hij wist dat anderen de betreffende avond ook illegaal vuurwerk bij zich hadden. Verdachte was bovendien een gewaarschuwd mens. Hij werd eerder veroordeeld voor het voorhanden hebben van illegaal vuurwerk en liep nog in de proeftijd van die veroordeling. De rechtbank houdt in strafverzwarende zin ook rekening met de omstandigheid dat verdachte het vuurwerk heeft afgestoken, terwijl zich op korte afstand minderjarigen bevonden. Verder houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte onder invloed was van harddrugs en alcohol.
De rechtbank houdt in strafmatigende zin rekening met de omstandigheid dat verdachte oprecht spijt heeft betuigd en pogingen gedaan heeft om met de slachtoffers in contact te komen. De rechtbank houdt verder rekening met de omstandigheid dat verdachte zelf ook ernstig letsel heeft opgelopen waarvan hij nog steeds niet volledig is hersteld. Hij moest maandenlang verzorgd worden en heeft een jaar niet (volledig) kunnen werken. Naast deze fysieke gevolgen zijn er ook de mentale gevolgen, in die zin dat verdachte levenslang met zich mee zal moeten dragen dat anderen door zijn handelen ernstig gewond zijn geraakt. Hij heeft door het feit een Posttraumatische Stress-Stoornis opgelopen. Sinds dit feit heeft verdachte zich aan de voorwaarden gehouden van zijn eerdere voorwaardelijke veroordeling en is hij zo geschrokken dat hij geen vuurwerk meer wil afsteken.
De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met het omtrent verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 23 april 2026. De reclassering schat het risico op recidive in als laag en adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden. Interventies of een toezicht worden niet nodig geacht. De reclassering ziet geen contra-indicaties voor het opleggen van een taakstraf.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 158 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Dit is een schulddelict. Het is aan de schuld van verdachte te wijten dat een ontploffing heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft niet opzettelijk een ontploffing teweeggebracht zoals strafbaar is gesteld in artikel 157 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Het verschil is gelegen in de mate van verwijtbaarheid, hoewel de gevolgen in beide gevallen ernstig kunnen zijn. Dat vertaalt zich in een beduidend andere, lichtere strafmaat dan wanneer sprake zou zijn geweest van opzet.
Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis, indien verdachte deze taakstraf niet (naar behoren) verricht. Een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of het opleggen van een geheel voorwaardelijke taakstraf zoals door de raadsvrouw is verzocht, doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de ernst van het feit.
De rechtbank zal geen voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen zoals door de officier van justitie is gevorderd. Een dergelijke straf wordt doorgaans opgelegd om een verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Nu de reclassering het recidivegevaar als laag heeft ingeschat en verdachte erg is geschrokken van de gevolgen van het feit waarvan hij zelf nog altijd de gevolgen ondervindt, acht de rechtbank dat niet nodig. De rechtbank zal aldus een lichtere straf opleggen dan door de officier van justitie gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat de door de rechtbank op te leggen straf de ernst van het feit voldoende tot uitdrukking brengt.
De vorderingen van de benadeelde partijen.
Een 11-tal benadeelden heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 9] volledig toe te wijzen.
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van [slachtoffer 6] deels toe te wijzen, te weten de post reiskosten, en voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.
De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen van [slachtoffer 8] en [slachtoffer 16] voor wat betreft de gevorderde materiële schade volledig toe te wijzen.
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van [slachtoffer 12] voor wat betreft de materiële schade deels toe te wijzen, te weten de posten daggeldvergoeding ziekenhuis/revalidatiecentrum, reiskosten voor medische behandeling, medische kosten en materiële kosten, en ten aanzien van de overige gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren.
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van [slachtoffer 10] voor wat betreft de materiële schade deels toe te wijzen, te weten de posten daggeldvergoeding ziekenhuis, reiskosten, medische kosten en de kosten van de scootmobiel en de kleding, en ten aanzien van de overige gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat [slachtoffer 8] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 10] en [slachtoffer 16] ook een vergoeding toekomen voor immateriële schade en dat zij zich voor wat betreft de hoogte van de bedragen refereert aan het oordeel van de rechtbank.
De officier van justitie heeft gevorderd de toe te wijzen bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 5] ,
[slachtoffer 18] en [slachtoffer 17] niet-ontvankelijk te verklaren.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering van [slachtoffer 8] niet-ontvankelijk te verklaren wegens een onevenredige belasting van het strafgeding, subsidiair om deze af te wijzen wegens gebrek aan onderbouwing en meer subsidiair om deze te matigen.
De raadsvrouw heeft primair verzocht de vorderingen van [slachtoffer 12] en [slachtoffer 10] niet-ontvankelijk te verklaren wegens een onevenredige belasting van het strafgeding, subsidiair om deze te matigen in verband met eigen schuld en meer subsidiair om deze te matigen wegens onvoldoende onderbouwing.
De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering van [slachtoffer 16] niet-ontvankelijk te verklaren wegens een onevenredige belasting van het strafgeding en subsidiair om deze te matigen.
De raadsvrouw heeft verzocht de vordering van [slachtoffer 9] af te wijzen dan wel te matigen wegens het ontbreken van een onderbouwing.
De raadsvrouw heeft verzocht de vordering van [slachtoffer 1] af te wijzen wegens gebrek aan onderbouwing dan wel om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
De raadsvrouw heeft verzocht de vordering van [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk te verklaren, omdat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van rechtstreekse schade.
De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering van [slachtoffer 5] af te wijzen wegens het ontbreken van een onderbouwing en subsidiair om deze niet-ontvankelijk te verklaren wegens een onevenredige belasting van het strafgeding.
De raadsvrouw heeft verzocht de vordering van [slachtoffer 6] niet-ontvankelijk te verklaren, omdat geen sprake is van rechtstreekse schade.
De raadsvrouw heeft primair verzocht de vorderingen van [slachtoffer 18] en [slachtoffer 17] af te wijzen wegens het niet voldoen aan de voorwaarden voor het toekennen van een vergoeding voor schokschade en subsidiair om deze niet-ontvankelijk te verklaren.
Het oordeel van de rechtbank.
Materiële schade
De rechtbank acht de vordering van [slachtoffer 2] volledig toewijsbaar, te weten een bedrag van € 600,00 voor eigen risico. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade en de vordering is onderbouwd met stukken.
De rechtbank wijst de vordering van [slachtoffer 6] deels af, te weten de post reiskosten van € 17,16. Conform jurisprudentie van de Hoge Raad zijn kosten die gemaakt zijn voor het doen van aangifte niet aan te merken als rechtstreekse schade. De rechtbank volgt dit. Reiskosten voor het doen van aangifte kunnen niet worden aangemerkt als een redelijke maatregel ter vaststelling van aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96, tweede lid onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het doen van aangifte strekt er immers toe strafrechtelijke opsporing en vervolging van de dader te bewerkstelligen. Dat een daaropvolgende strafrechtelijke veroordeling grondslag biedt voor schadevergoeding, brengt echter niet mee dat de reiskosten voor het doen van aangifte met dat doel zijn gemaakt. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van het overige gevorderde, te weten de posten verlies van inkomen in verband met een bijeenkomst van de gemeente en verlies van inkomen in verband met ziekmelding. De vordering is op die punten onvoldoende gesteld en onderbouwd. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering in zoverre zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
De rechtbank acht de vorderingen van [slachtoffer 8] en [slachtoffer 16] voor wat betreft de gevorderde materiële schade volledig toewijsbaar, te weten voor [slachtoffer 8] een bedrag van € 787,80 voor schade aan schoenen, jas, broek, trui, reiskosten en parkeergeld. Voor [slachtoffer 16] een bedrag van
€ 1.064,08 voor vergoeding van het verplicht gesteld eigen risico van de zorgverzekering, kosten fysiotherapie, schade aan jas en broek en ziekenhuisdaggeldvergoeding. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade en de vorderingen zijn onderbouwd met stukken.
De rechtbank acht de vordering van [slachtoffer 12] voor wat de betreft de materiële schade deels toewijsbaar, te weten een bedrag van € 4.042,35 voor daggeldvergoeding ziekenhuis/revalidatiecentrum, reiskosten voor medische behandeling, medische kosten, kosten voor de scootmobiel en kleding. Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van dit deel van de vordering sprake van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade en is dit deel van de vordering onderbouwd met stukken. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van het overige gevorderde, te weten de posten kosten zelfwerkzaamheid en huishoudelijke hulp. De vordering is op die punten onvoldoende gesteld en onderbouwd. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering in zoverre zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
De rechtbank acht de vordering van [slachtoffer 10] voor wat de betreft de materiële schade deels toewijsbaar, te weten een bedrag van € 2.269,24 voor daggeldvergoeding ziekenhuis, reiskosten, medische kosten en materiële kosten. Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van dit deel van de vordering sprake van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade en is dit deel van de vordering onderbouwd met stukken. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van het overige gevorderde, te weten de posten zelfwerkzaamheid, huishoudelijke hulp en verlies aan verdienvermogen. De vordering is op die punten onvoldoende onderbouwd. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering in zoverre zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
De rechtbank zal de vordering van [slachtoffer 1] voor vergoeding van eigen risico voor de zorgverzekering niet-ontvankelijk verklaren. De vordering is niet onderbouwd met stukken. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
De rechtbank zal de vordering van [slachtoffer 5] voor wat betreft de materiële schade, te weten herstelkosten van de woning, niet-ontvankelijk verklaren. De vordering is op dat punt niet onderbouwd met stukken. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van dit deel van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Immateriële schade
De benadeelden [slachtoffer 9] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 10] en [slachtoffer 16] zijn gewond geraakt als gevolg van het bewezen verklaarde. Zij hebben een vergoeding gevorderd voor immateriële schade van respectievelijk € 1.200,00, € 40.000,00,
€ 58.750,00, € 29.500,00 en € 10.000,00. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade en de vorderingen zijn onderbouwd met stukken. Daarom zijn deze vorderingen in ieder geval voor een gedeelte voor toewijzing vatbaar.
De rechtbank acht de vordering van [slachtoffer 9] volledig toewijsbaar, te weten een bedrag van € 1.200,00.
De rechtbank houdt bij het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen vergoeding voor [slachtoffer 8] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 10] en [slachtoffer 16] rekening met de ernst van hun verwondingen, het medisch ingrijpen en de duur van het herstel. De rechtbank houdt ook rekening met de omstandigheid dat [slachtoffer 8] niet tot de vriendengroep van vuurwerkfanaten behoorde, hij een toevallige toeschouwer en bovendien minderjarig was.
Gelet op vorenstaande en rekening houdend met de Rotterdamse schaal, zal de rechtbank de navolgende vergoedingen voor immateriële schade toewijzen:
  • [slachtoffer 8] : € 20.000,00;
  • [slachtoffer 12] : € 15.000,00;
  • [slachtoffer 10] : € 15.000,00;
  • [slachtoffer 16] : € 10.000,00.
De rechtbank zal de vordering van [slachtoffer 16] aldus volledig toewijzen en de vorderingen van [slachtoffer 8] , [slachtoffer 12] en [slachtoffer 10] deels. De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen voor wat betreft de meer gevorderde vergoeding voor immateriële schade. De rechtbank is van oordeel dat behandeling van dat deel van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
De rechtbank zal de vordering van [slachtoffer 5] voor wat betreft de immateriële schade, te weten voor terugval vriendin na burn-out klachten, niet-ontvankelijk verklaren. Naar het oordeel van de rechtbank is [slachtoffer 5] ten eerste niet gemachtigd een vordering namens zijn vriendin in te dienen en daarbij is er geen sprake van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade.
De rechtbank zal ook de vorderingen van [slachtoffer 18] en [slachtoffer 17] niet-ontvankelijk verklaren. Zij hebben een vergoeding gevorderd voor schokschade. De rechtbank overweegt ten aanzien van schokschade het volgende.
Iemand die een onrechtmatige daad tegen een ander begaat, kan ook onrechtmatig handelen tegenover iemand bij wie de confrontatie met die daad of de gevolgen ervan een hevige emotionele schok teweegbrengt. Schokschade betreft immateriële (of materiële schade) die ontstaat door het waarnemen van zo’n gebeurtenis of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit door de onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel. Het gaat bij toekenning van schokschade dus niet zozeer om vergoeding van leed, maar degene die vergoeding vordert moet zelf geestelijk letsel hebben opgelopen als direct gevolg van die waarneming of confrontatie.
Voor vergoeding van schokschade is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel in rechte kan worden vastgesteld. Dit zal in het algemeen slechts het geval zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Hiermee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat de emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op de aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. De vaststelling door de rechter dat daarvan sprake is, kan op informatie van een deskundige worden gebaseerd. Als de rechter op grond van een rapportage van een deskundige tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel, kan hij tot toewijzing van schadevergoeding overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld.
Nu uit de stukken niet is gebleken dat een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is vastgesteld bij [slachtoffer 18] en [slachtoffer 17] en ook een rapportage van een in het BIG geregistreerde deskundige ontbreekt, zal de rechtbank de vorderingen niet-ontvankelijk verklaren. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vorderingen zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de toegewezen bedragen vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan tot aan de dag der algehele voldoening. De immateriële schade is ontstaan op de datum van het delict, te weten 31 december 2024. Voor de materiële schade heeft de rechtbank de data van de facturen in acht genomen, waarbij in het geval van uiteenlopende data voor een gemiddelde is gekozen.
Burgerlijke rechter
De rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partijen (de onderdelen van) de vorderingen die niet-ontvankelijk worden verklaard op grond van artikel 361 lid 3 Sv Pro slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.
Kostenveroordeling
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de door de benadeelde partijen [slachtoffer 8] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 10] , [slachtoffer 16] , [slachtoffer 9] en [slachtoffer 2] gemaakte kosten, tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Nu de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 6] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 18] en [slachtoffer 17] niet (deels) zal toewijzen, zal de rechtbank de benadeelde partijen veroordelen in de ten aanzien van die vorderingen door verdachte gemaakte kosten, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal voor de toegewezen bedragen tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente zoals hiervoor is bepaald.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
Samenloop schadevergoedingsmaatregelen
Aan verdachte zijn meerdere schadevergoedingsmaatregelen opgelegd tot een totaalbedrag dat bij toepassing van de gebruikelijke toekenningsregels voor gijzeling de in artikel 60a van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 24c, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht gestelde maximale termijn van 365 dagen te boven zou gaan. Om die reden heeft de rechtbank het aantal dagen gijzeling naar rato bepaald.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
22c, 22d, 36f, 57, 60a, 158 Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
aan zijn schuld ontploffing te wijten zijn, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat en
aan zijn schuld ontploffing te wijten zijn, terwijl daardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander ontstaat
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straf en maatregelen.
Een
taakstrafvoor de duur van
180 urensubsidiair 90 dagen hechtenis.
Maatregel van schadevergoeding
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van
[slachtoffer 8], van een bedrag van
20.787,80euro. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 108 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit 787,80 euro materiële schade en 20.000,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 8] , van een bedrag van 20.787,80 euro, bestaande uit 787,80 euro materiële schade en 20.000,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Maatregel van schadevergoeding
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van
[slachtoffer 12], van een bedrag van
19.042,35euro. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 100 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit 4.042,35 euro materiële schade en 15.000,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 12] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 12] , van een bedrag van 19.042,35 euro, bestaande uit 4.042,35 euro materiële schade en 15.000,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Maatregel van schadevergoeding
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van
[slachtoffer 10], van een bedrag van
17.269,24euro. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 90 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit 2.269,24 euro materiële schade en 15.000,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 10] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 10] , van een bedrag van 17.269,24 euro, bestaande uit 2.269,24 euro materiële schade en 15.000,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Maatregel van schadevergoeding
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van
[slachtoffer 16], van een bedrag van
11.064,08euro. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 58 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit 1.064,08 euro materiële schade en 10.000,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 16] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 16] , van een bedrag van 11.064,08 euro, bestaande uit 1.064,08 euro materiële schade en 10.000,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Maatregel van schadevergoeding
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van
[slachtoffer 9], van een bedrag van
1.200,00euro. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 6 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 9] , van een bedrag van 1.200,00 euro, bestaande uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Maatregel van schadevergoeding
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van
[slachtoffer 2], van een bedrag van
600,00euro. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 3 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 07 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van 600,00 euro, bestaande uit materiële schade. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 07 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk af, te weten een bedrag van 17,16 euro, bestaande uit materiële schade.
Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] :

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 18] :

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 17] :

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.M.L.A.T. Doll, voorzitter,
mr. C.W.H. Houg en mr. R.J. Heuft, leden,
in tegenwoordigheid van mr. H. Wildeman, griffier,
en is uitgesproken op 21 mei 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Oost-Brabant, genummerd PL2100-2025000047, onderzoeksnaam Alerik, aantal doorgenummerde bladzijden: 336.